Aanvaller dekken: gratis punten na een blokaanraking
Je aanvaller slaat, het blok raakt de bal, en die valt een seconde later op je eigen speelhelft. Iedereen kijkt. Niemand beweegt. Dat is geen pech maar een ontbrekende afspraak, en het kost per set meerdere punten.
Wat er gebeurt in de seconde na de blokaanraking
Een geblokte bal komt terug met snelheid, laag en met veel effect, meestal binnen een straal van vier meter rond je eigen aanvaller. Je hebt daarna gewoon drie nieuwe balcontacten — de rally is niet voorbij. Maar dan moet er wel iemand staan waar de bal valt, en dat kan alleen als je team ís gaan staan tijdens de aanval in plaats van erna.
Het is bovendien een van de weinige situaties in het spel waarin je exact weet waar de bal ongeveer heen gaat: naar beneden, dicht bij het net, aan de kant waar je aanvalt. Er is geen enkele reden om die zone leeg te laten.
De twee ringen
De klassieke dekking bestaat uit twee schillen rond de aanvaller:
- De binnenring: twee spelers, ongeveer twee meter schuin achter de aanvaller, laag door de knieën, handen open en vóór het lichaam. Zij vangen de bal die pardoes van het blok terugketst.
- De buitenring: de overige spelers op vier tot vijf meter, verspreid over het middenveld en de diepte. Zij pakken de bal die het blok verder wegslaat of die over het blok terugvalt.
Wie in welke ring staat, hangt af van waar de aanval vandaan komt. Belangrijker dan de precieze plaatjes is het principe: iedereen beweegt naar de aanvaller toe zodra de set eruit is. Vijf spelers die een halve stap richting de bal zetten, dekken meer af dan een perfect getekende formatie die pas na de klap in werking treedt.
Wie staat waar, per aanvalspositie
- Aanval vanaf P4 (links): binnenring is de spelverdeler, die na zijn set langs het net naar links meeloopt, plus de achterspeler op P5. Buitenring: P6 en P1 in de diepte, de midden komt los van het net en dekt het middenveld.
- Aanval vanaf P2 (rechts): binnenring is de niet-blokkerende voorspeler aan die kant plus de achterspeler op P1. De spelverdeler staat er meestal al, tenzij hij achterin stond.
- Aanval via het midden: de dekking is smaller maar dichterbij — de spelverdeler en de andere voorspeler staan pal achter de midden, de achterspelers schuiven naar voren tot ongeveer de driemeterlijn.
- Aanval vanuit het achterveld: hier is de kans op een blokketsbal kleiner, maar de bal die terugkomt valt vaak juist kort bij het net — laat dus altijd één voorspeler vlak bij het net achterblijven.
Dat is de eerlijkste maat voor slechte dekking: geblokte ballen die op je eigen helft doodvallen, komen in Koach als aanvalsfout op naam van je aanvaller te staan — pijnlijk zichtbaar wat er achter hem misging.
De houding: laag, handen open, stil
Dekken is geen verdedigen. De bal komt van bovenaf en van dichtbij, dus de klassieke lage verdedigingshouding met de armen gestrekt naar voren werkt niet. Wat wel werkt: diep door de knieën, borst laag boven de vloer, handen open en gescheiden vóór het lichaam, klaar om de bal met de vingers of de open hand omhoog te tikken. En vooral: stilstaan op het moment dat de aanvaller raakt. Wie op dat moment nog beweegt, komt nooit op tijd bij een bal die binnen twee tienden op de grond is.
Het doel is bescheiden. Je hoeft de bal niet netjes bij de setter te krijgen; hem hoog in het eigen veld houden is genoeg, want daarna heb je nog twee contacten om er iets van te maken — vaak eindigend in een out-of-system-aanval.
De vier klassieke fouten
- Kijken in plaats van bewegen. De meest voorkomende: vijf spelers volgen de bal met hun ogen terwijl niemand een stap zet.
- Te dicht op de aanvaller. Wie pal achter hem staat, krijgt de bal op zijn hoofd. Twee meter schuin achter hem is de juiste plek.
- De spelverdeler die blijft staan waar hij opzette. Na de set is zijn taak niet klaar; hij is bij een aanval van links de eerste dekker.
- De midden die aan het net blijft. Na zijn eigen aanloop moet hij los van het net, anders staat hij in de ruimte waar de bal net níet valt.
Zo train je het in tien minuten
Zet een blok van twee spelers op een verhoging aan de andere kant en laat ze bewust alle ballen blokken. Jouw team valt aan volgens het gewone patroon en moet elke geblokte bal in het spel houden en uitspelen. Tel alleen de rally's die na een blok alsnog doorgaan; begin bij één op de drie en werk naar twee op de drie. Voeg daarna de regel toe dat elke speler bij de klap moet stilstaan — dat ene detail levert meer op dan alle plaatjes op het whiteboard. En bekijk na de wedstrijd de foutenlast per speler: zit daar een aanvaller met opvallend veel geblokte ballen, dan is het net zo goed een dekkingsprobleem als een aanvalsprobleem.
Dekking is ook een boodschap aan je aanvaller. Een speler die weet dat er twee mensen achter hem klaarstaan, durft vol door te slaan tegen een groot blok. Wie zich niet gedekt weet, gaat prikken — en dat is precies wat de tegenstander wil.
Veelgestelde vragen
Hoe dicht moet je bij je eigen aanvaller staan?
Ongeveer twee meter schuin achter hem, laag en met de handen open voor het lichaam. Pal achter hem is te dichtbij: dan komt de bal op je hoofd in plaats van voor je uit.
Mag je de bal opnieuw spelen als het blok hem terugslaat?
Ja. Zodra de bal terug op jouw speelhelft komt, heeft je team gewoon weer drie balcontacten om hem te verwerken en opnieuw aan te vallen.
Wie dekt de aanvaller als de spelverdeler achterin staat?
Dan neemt de voorspeler aan de aanvalskant die niet aanvalt de binnenring over, samen met de dichtstbijzijnde achterspeler. Spreek dat per rotatie af, anders staat er niemand.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach

