Jaarplanning volleybal training: 34 weken in vijf blokken
De meeste teams hebben geen jaarplan maar een reeks losse trainingen die toevallig achter elkaar staan. Je merkt het pas in maart: dan blijkt dat je het blok nooit hebt afgemaakt en dat niemand kan zeggen of de receptie beter is geworden. Een jaarplanning lost dat op met één afspraak — je bepaalt vooraf welk thema in welke week aan de beurt is, en je meet aan het eind van elk blok of het gewerkt heeft.
Tel in weken, niet in maanden
Bijna elk seizoensplan dat je online vindt, praat in maanden: "in september leg je het fundament, in januari ga je verdiepen." Dat werkt alleen als jouw competitie in september begint. De startdatum, het aantal speelweken en de lengte van de winterstop verschillen per bond en soms per klasse — controleer die drie altijd in je eigen competitiekalender voordat je iets plant.
Daarom telt dit plan in weken rond één vast ankerpunt: de week van je eerste competitiewedstrijd is week 1. Daarvóór ligt de voorbereiding (week -6 tot en met week -1), daarna de competitie (week 1 tot en met week 28). Samen 34 weken. Valt jouw start in augustus, in oktober of in februari: het plan schuift gewoon mee.
Dit artikel gaat uitsluitend over de inhoud van die 34 weken: welk thema wanneer aan de beurt is. De organisatorische jaarlijn — inschrijven, agenda vullen, evaluatiegesprekken, overdracht — staat in het volleybalseizoen organiseren. De fysieke laag (kracht, sprongopbouw, testmomenten) heeft zijn eigen opbouw over het jaar en die staat in conditietraining voor volleyballers; dat schema hoort hier niet nog een keer. En hoe je één sessie opbouwt uit blokken, lees je in trainingsopbouw.
Van seizoensdoel naar weekthema: vier schakels
Een jaarplan is niets anders dan een ketting van vier schakels die elk uit de vorige volgt. Loopt er één los, dan train je in het luchtledige.
- Het seizoensdoel — één zin, aan het begin van het jaar met het team vastgesteld. Zie een teamdoel stellen. Voorbeeld: "we willen niet meer wegzakken zodra we onder druk komen te staan".
- Het telbare kenmerk — vertaal die zin naar één ding dat je kunt tellen. "Wegzakken onder druk" wordt bijvoorbeeld: hoe vaak winnen we de rally bij onze eigen receptie? Dat is je side-outpercentage, en dat is het getal dat het hele jaar meeloopt.
- Het blokdoel — per blok van zeven weken één onderdeel van dat spel. Eén blokdoel, niet twee. Twee blokdoelen zijn in de praktijk nul blokdoelen, want in week vier kies je toch.
- Het weekthema — drie per blok, elk twee weken lang. Het weekthema is wat er in het focusveld van je trainingen komt te staan; hoe je dat scherp formuleert, staat in de focus van je training bepalen.
Zo ziet een blok er dus altijd hetzelfde uit: drie weekthema's van twee weken, plus één meetweek. Zeven weken per blok, vijf blokken per jaar — alleen blok A telt er zes, omdat de voorbereiding korter is. Meer regels heeft een jaarplan niet nodig.
Blok A en B: van fundament naar side-out (week -6 t/m 7)
Blok A — Fundament (week -6 t/m -1). Blokdoel: iedereen kan de basishandelingen uitvoeren zonder wedstrijddruk, en de opstelling staat. Dit is het enige blok van het jaar waarin je veel nieuw materiaal mag introduceren, want er staat niets op het spel.
- Week -6 en -5: service en receptie los van elkaar. Veel herhalingen, weinig uitleg. Streef naar zo'n vijftig tot zestig services per speler per training — dat lukt alleen als je met twee ballen per speler werkt en niemand staat te wachten.
- Week -4 en -3: de keten pass-set-aanval. Dezelfde drie handelingen, nu aan elkaar geplakt. Hier kies je ook je opstelling — en daarna kom je er tot de winterstop niet meer aan.
- Week -2 en -1: alles in 6-6. Twee oefenwedstrijden, elk met één expliciete testvraag ("houdt de receptiedriehoek stand tegen een sprongservice?"). Geen algemene indruk, één vraag.
Meetmoment: de laatste oefenwedstrijd is je nulmeting van het getal uit schakel twee.
Blok B — Side-out (week 1 t/m 7). Blokdoel: de rally winnen bij eigen receptie. Dit is bijna altijd het eerste competitieblok, om de simpele reden dat elke rally die de tegenstander serveert bij jouw receptie begint: het is de fase die in een set het vaakst terugkomt.
- Week 1-2: de receptiedriehoek. Wie neemt de bal tussen twee spelers in, en wie roept. Eén afspraak, honderd keer herhaald.
- Week 3-4: de vaste tweede bal. Welke aanval krijgt de spelverdeler standaard na een goede pass? Zo lang die keuze niet vastligt, blijft elke rally improviseren.
- Week 5-6: de noodbal. Wat doen we als de pass buiten de drie meter valt? Dit thema wordt zelden apart getraind terwijl de situatie in elke set terugkomt — daar zit dus winst.
- Week 7: meetweek.
Blok C, D en E: druk zetten, afmaken, scherp blijven (week 8 t/m 28)
Blok C — Druk zetten (week 8 t/m 14). Blokdoel: punten pakken bij eigen service. Week 8-9: serveren op een zone of op een speler in plaats van veilig binnen. Week 10-11: één blok- en verdedigingsafspraak (bijvoorbeeld: het blok neemt de lijn, de verdediging de rest) — één afspraak, geen heel systeem. Week 12-13: de tweede kans, dus de bal na een geblokte of opgevangen aanval. Week 14 is de meetweek, en meteen de laatste week vóór de winterstop.
Blok D — Afmaken (week 15 t/m 21). Blokdoel: sets uitspelen die je al aan het winnen bent. Week 15-16: aanvallen tegen een staand blok, dus tempo en richting in plaats van kracht. Week 17-18: de derde bal na een lange rally, als iedereen buiten positie staat. Week 19-20: standen van 20-20 naspelen, in elke training minstens vier keer. Week 21: meetweek. Dit is ook het blok waar je tweede rustweek in valt — daarover verderop meer.
Blok E — Scherp blijven (week 22 t/m 28). Blokdoel: niets nieuws, alles sneller. Pak in week 22-23 en 24-25 de twee slechtste meetgetallen van het jaar terug en train ze opnieuw, nu direct in wedstrijdvorm. Week 26: meetweek. In de laatste twee weken mag je experimenteren — een tweede positie uitproberen, een andere opstelling draaien — juist omdat de uitslag dan meestal minder weegt. Wie dat in november doet, verliest wedstrijden; wie het in week 27 doet, weet in augustus meer.
Vijf blokken, veertien weekthema's, vijf meetmomenten. Meer past er in een jaar niet in, en dat is precies het punt: een lijst van dertig thema's is geen plan maar een verlanglijstje.
De belastingcurve binnen de week: één leerdag, één scherpstel-dag
Het weekthema is één ding; wanneer je het aanbiedt is een tweede. Bij het gebruikelijke ritme van twee trainingen en een wedstrijd in het weekend krijgen die twee trainingen een verschillende taak. Let op: dit gaat over leerbelasting — de hoeveelheid nieuw materiaal en beslissingsdruk — niet over fysieke belasting.
- De leerdag is de training die het verst van de wedstrijd af ligt (meestal dinsdag). Hier introduceer je het weekthema, met lage druk en veel herhalingen. Ongeveer tweederde van je thematijd zit in deze sessie.
- De scherpstel-dag is de training vlak voor de wedstrijd (meestal donderdag). Hetzelfde thema, maar alleen nog in wedstrijdvorm. Geen nieuwe oefening, geen nieuwe afspraak. Wat je op donderdag introduceert, staat zaterdag niet.
Twee praktische regels die daaruit volgen. Eén: nieuw materiaal breng je niet meer in in de laatste training vóór een wedstrijd. Twee: in een week met twee wedstrijden vervalt de leerdag, niet de scherpstel-dag — het weekthema schuift dan een week op en je blok wordt gewoon acht weken. En een week zonder wedstrijd is geen vrije week maar je beste leerweek van het blok; zet daar het zwaarste thema neer.
De twee weken waarin je bewust niet traint
In een plan van 34 weken staat bij twee weken geen thema maar het woord "niets". Dat is geen restpost — het is de enige manier om te voorkomen dat je in maart een halve zaal traint met een groep die eigenlijk op is.
Rustweek 1 valt in de winterstop, direct na de meetweek van blok C. Eén week geen bal, expliciet aangekondigd ("tot maandag de zoveelste zie ik jullie niet"), zodat niemand met een schuldgevoel thuiszit. Wat je met de rest van de stop doet — tussenbalans, individuele gesprekken, de focus voor de tweede helft — staat in de winterstop benutten. Duurt de stop bij jouw bond langer dan twee weken, plak de extra weken dan vóór blok D als opbouwweken: één training per week, oude thema's, geen nieuw materiaal.
Rustweek 2 plan je zelf, ergens in blok D, en die is de moeilijke. In de tweede seizoenshelft zit geen natuurlijke onderbreking, terwijl daar wél de vakantieweek ligt waarin je met vijf man staat. Kies die week vooraf en zet hem in de agenda voordat iemand zich afmeldt. De vuistregel: kun je met de spelers die je die week verwacht geen fatsoenlijke teamvorm meer draaien, dan is een geplande rustweek beter dan een halve training die niemand vooruithelpt. Het blok wordt dan acht weken in plaats van zeven. Dat mag.
Elk blok eindigt met een meetweek
Zonder meetweek is een blok een gevoel. De meetweek is één training waarin je exact dezelfde meetvorm draait als in de eerste week van het blok, zodat je twee getallen naast elkaar kunt zetten. Drie voorbeelden die je letterlijk kunt overnemen:
- Receptie: twintig services per passer, elke pass gescoord 3-2-1-0. Noteer alleen het aantal drieën.
- Side-out: vijftien minuten 6 tegen 6, tel hoe vaak jullie de rally winnen bij eigen receptie en deel dat door het aantal recepties. Wat een normale waarde is op clubniveau, hangt sterk van het niveau af — de richting over zeven weken zegt je meer dan het getal zelf.
- Service: dertig services per speler op een doelvak van drie bij drie meter. Tel raak en tel fout, allebei.
Vier voorwaarden maken zo'n meting bruikbaar: dezelfde vorm, hetzelfde aantal ballen, dezelfde volgorde van spelers, en altijd aan het begin van de training. Meet je de ene keer fris en de andere keer na vijftig minuten, dan meet je vermoeidheid in plaats van vooruitgang. Schrijf de twee getallen op dezelfde plek als je trainingen, zodat je ze in mei terugvindt.
En houd het klein: één meting per blok, drie minuten opschrijven. Een meetweek die een half uur kost, sla je de derde keer over.
Als de kalender rommelt: toernooi, vakantie, zaal kwijt
Elk jaarplan wordt ergens in week negen ingehaald door de werkelijkheid. De vraag is niet of het gebeurt maar wat je dan schrapt. Vijf beslisregels:
- Training vervalt (zaal kwijt, feestdag): verleng het blok met een week. Dik het thema niet in tot één training — dan heb je het thema wel aangeraakt maar niet getraind.
- Toernooi in het weekend: start in de week ervoor geen nieuw thema, maar herhaal het lopende. Een toernooi is drie tot vijf korte wedstrijden en dus een prima toets, geen leermoment.
- Vakantieweek met een halve groep: geen nieuw thema, maar een onderhoudstraining uit een vast sjabloon met kleine-groepsvormen. Zie trainingssjablonen hergebruiken — één keer bouwen, elk seizoen vier keer gebruiken.
- Twee wedstrijden in een week: de leerdag vervalt (zie hierboven), het thema schuift op.
- Blok loopt uit: laat het uitlopen. Verschuif de meetweek mee en kort desnoods blok E in. De volgorde van de blokken is belangrijker dan hun lengte.
Wat je nooit doet, is twee weekthema's in één week persen om "bij te blijven bij het plan". Een plan waar je niet van mag afwijken, gooien coaches in november weg; een plan dat mag schuiven, overleeft het seizoen.
Achteraf zien of het plan is uitgevoerd
Het verschil tussen een jaarplan en een goed voornemen is dat je een jaarplan kunt controleren. Dat kost je niets extra's als je twee dingen doet tijdens het seizoen.
Zet het weekthema in het focusveld van elke training. Twee trainingen met dezelfde focus, twee weken achter elkaar — dat is je weekthema, en het staat er zwart op wit. Scroll je in mei terug door je trainingen, dan zie je binnen een minuut of blok C echt zes weken heeft geduurd of stilletjes na drie weken doodbloedde. In Koach staat die focus bij elke training en bewaar je per blok één sjabloon, zodat de opzet er de volgende keer al staat.
Kijk naar de opkomst per blok, niet per seizoen. Dit is het stukje dat vrijwel iedereen overslaat. Een speler die het hele jaar op 75 procent zit, lijkt prima aanwezig — maar zat hij tijdens blok B op 50 procent, dan heeft hij de helft van je side-outwerk simpelweg niet gezien. Dat je die verbetering bij hem niet terugziet, is dan geen onwil en geen talentkwestie maar een aanwezigheidskwestie. Zet dus per blok af hoeveel procent van de trainingen elke speler heeft meegemaakt, en beoordeel zijn ontwikkeling tegen dát getal.
Aan het eind van het jaar stel je drie vragen: is elk blok gedraaid zoals gepland, staan de vijf begin- en eindmetingen naast elkaar, en wie was er tijdens welk blok? De antwoorden vormen samen de basis voor het plan van volgend jaar — hoe je die evaluatie opzet, staat in het trainingsseizoen evalueren.
Kernpunt: een jaarplan is geen document van tien pagina's maar één regel per week — vijf blokdoelen, veertien weekthema's, vijf meetmomenten en twee weken waarin je niets doet. Past het niet op één A4, dan houd je het geen seizoen vol.
Veelgestelde vragen
Mijn competitie telt maar 22 speelweken. Hoe pas ik dit plan aan?
Schrap geen heel blok, maar kort elk blok in tot vijf weken: twee weekthema's van twee weken plus de meetweek. De volgorde fundament, side-out, servicedruk, afmaken en scherpte blijft dan intact. Onder de vier weken heeft een blok geen zin meer — dan train je losse thema's zonder herhaling.
Hoeveel weekthema's kan ik in een seizoen kwijt?
Twaalf tot veertien, en dat voelt bij het plannen altijd te weinig. Elk thema heeft twee weken herhaling nodig voordat spelers het in een wedstrijd durven uit te voeren, dus meer thema's betekent in de praktijk minder geleerd. Wat overblijft, is materiaal voor volgend seizoen.
De wedstrijd van zaterdag laat iets heel anders zien dan mijn blokthema. Wat nu?
Noteer het en verwerk het in de scherpstel-dag, maar gooi je blok niet om — coaches die elke week op de laatste wedstrijd reageren, komen nooit aan drie weken herhaling toe. Komt hetzelfde probleem drie wedstrijden op rij terug, dan is dat geen incident maar je volgende blokdoel.
Moet ik het jaarplan met mijn team delen?
De vijf blokdoelen wel, aan het begin van het seizoen, in vijf zinnen. Het weekthema deel je per week, bijvoorbeeld in de aankondiging van de training. Het volledige plan van 34 weken vooraf rondsturen leest niemand, en het maakt elke afwijking later tot een gebroken belofte.
Horen krachttraining en conditie ook in deze jaarplanning?
Ja, maar als eigen laag met een eigen opbouw; die staat beschreven in het artikel over conditietraining voor volleyballers. De enige koppeling die je in dit plan maakt, is dat je de zwaarste fysieke weken plant in de weken zonder wedstrijd — dezelfde weken die hierboven je beste leerweken zijn.
Wanneer maak ik het jaarplan?
Vóór de eerste training van de voorbereiding, in ongeveer twee uur: competitiekalender erbij, blokgrenzen zetten, blokdoelen kiezen. De weekthema's van blok A vul je meteen in; de rest vul je per blok aan, telkens ongeveer zeven weken vooruit.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach