De off-blocker: wat doet de voorspeler die niet blokt?
Kijk bij een willekeurige amateurwedstrijd eens niet naar de bal maar naar de derde voorspeler: degene die niet meeblokt. Negen van de tien keer staat hij met zijn handen omhoog tegen het net te wachten tot de rally voorbij is. Daar liggen punten.
Wie is de off-blocker precies?
Bij vrijwel elke aanval van de tegenstander blokken er twee van je drie voorspelers: de midden schuift naar de aanvalskant en sluit aan bij de buitenblokkeerder. De derde voorspeler — aan de andere kant van het net — blokt niet mee. Dat is de off-blocker, in Nederlandse zaaltaal ook wel 'de vrije voorspeler'. Valt de tegenstander aan vanaf hún linkerkant, dan blokken jouw P2 en P3 en is jouw P4 de off-blocker; komt de aanval van hun rechterkant, dan is jouw P2 vrij.
Die speler is geen toeschouwer maar een verdediger én de eerstvolgende aanvaller. In één rally heeft hij drie taken, en ze komen in een vaste volgorde.
Taak 1: van het net af
De eerste beweging is de belangrijkste en gaat precies de verkeerde kant op ten opzichte van wat het gevoel zegt: weg van het net. Het richtsnoer is zo'n twee tot drie meter, ongeveer op of net achter de driemeterlijn, laag en met de handen voor het lichaam. Waarom? Omdat de bal die zijn kant op komt bijna nooit een harde smash is, maar een tip achter het blok, een geblokte bal die terugketst of een aanval die van het blok af naar buiten spat. Al die ballen vallen in de zone die hij net verlaten heeft — als hij tenminste is weggelopen.
Een off-blocker die aan het net blijft plakken, dekt niets af en staat bovendien in de weg van zijn eigen achterspeler. Bovendien kan hij daar geen enkele bal meer naar voren spelen: alles komt op hem af in plaats van vóór hem.
Taak 2: de tip en de afgeweerde bal
Zodra hij op afstand staat, is hij verantwoordelijk voor een klein maar drukbezocht stukje veld: de zone diagonaal achter het blok, waar de tip en de rolbal landen. In de meeste verdedigingssystemen is dat expliciet zijn zone — niet die van de achterspeler die er tien meter vandaan staat. Wijs dat hardop toe: één naam op de tip aan de blokkant, één naam op de tip aan de vrije kant.
Zijn tweede stuk werk is de bal die van het blok af komt. Ketst de aanval van de handen van je blokkeerders zijwaarts weg, dan komt hij vaak juist aan zijn kant naar beneden. Wie laag staat en de bal vóór zich heeft, houdt zulke ballen in het spel — en dat zijn precies de rally's die het publiek doet opstaan.
Dat laatste is trouwens verrassend goed meetbaar: de aanvallen per speler in Koach laten zien of je off-blocker echt in de rally terugkomt of blijft staan waar hij stond — een speler die in transitie nauwelijks aan aanvallen toekomt, loopt bijna altijd te laat weg van het net.
Taak 3: de aanloop, en wel meteen
De derde taak is de reden waarom die eerste twee meter zo belangrijk zijn. Verdedigt jouw team de aanval, dan is de off-blocker de meest logische tegenaanvaller: hij is de enige voorspeler die niet net van een blokspong hoeft te landen. Maar dan moet hij wél ruimte hebben om aan te lopen — en die ruimte is exact de twee à drie meter die hij bij taak 1 heeft genomen.
De volgorde is dus: loskomen, verdedigen wat komt, en op het moment dat je eigen verdediging de bal omhoog speelt direct de aanloop inzetten. Teams die dit trainen, winnen zichtbaar meer lange rally's: de tegenstander verwacht na een verdediging een noodbal en krijgt een echte aanval. Dat is out-of-system spelen op zijn best.
De vier klassieke fouten
- Blijven staan met de handen omhoog. Meespringen 'voor het geval dat' levert nooit een blok op en kost altijd verdediging.
- Te ver weglopen. Vijf meter terug is net zo fout: dan valt de tip vlak achter het blok en is niemand erbij. Twee tot drie meter is het bereik waarin je nog vooruit kunt bewegen.
- Naar de bal kijken in plaats van naar de aanvaller. De arm en de aanloop van de tegenstander verraden de tip veel eerder dan de bal.
- Vergeten dat de rally doorgaat. Na de verdediging bevriezen is de duurste fout: de tegenaanval valt weg en de tegenstander krijgt een gratis herkansing.
Zo train je het in tien minuten
Zet drie voorspelers op en laat de trainer vanaf een bok of verhoging aanvallen, afwisselend hard en getipt. Regel: de off-blocker moet vóór het balcontact van de aanvaller met beide voeten op of achter de driemeterlijn staan, en na elke verdediging zijn aanloop maken — ook als de bal niet naar hem gaat. Tel niet de gemaakte punten maar het aantal keren dat de aanloop er kwam. Binnen drie weken is die beweging automatisch, en dat is precies het doel: de off-blocker moet niet nadenken, hij moet lopen.
Geef de off-blocker een eigen call. Laat de blokkeerders hardop 'twee!' roepen zodra duidelijk is wie er blokt. Dat is het startsein voor de derde voorspeler om weg te komen — zonder call blijft hij twijfelen, en twijfel aan het net kost altijd twee meter.
Veelgestelde vragen
Hoe ver moet de off-blocker van het net af?
Twee tot drie meter, ongeveer op of net achter de driemeterlijn. Ver genoeg om de tip en de afgeweerde bal vóór zich te krijgen, en dichtbij genoeg om nog naar voren te kunnen bewegen.
Moet de off-blocker de tip dekken of is dat een achterspeler?
In de meeste verdedigingssystemen is de tip achter het blok aan zijn kant expliciet zijn taak, omdat hij er het dichtst bij staat. Belangrijker dan het systeem is dat er per rotatie één naam op die bal zit.
Mag de off-blocker meespringen als hij twijfelt?
Beter van niet. Een derde blokkeerder die te laat komt, raakt de bal zelden en laat een groot gat achter zich open. Niet blokken en goed verdedigen levert meer punten op dan half meeblokken.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach

