Bal tegen het hoofd: mag je met een hersenschudding sporten?
Een aanvaller slaat vanaf twee meter door en raakt de blokkeerder vol op het oor. Ze blijft staan, lacht het weg en pakt de volgende bal. Er is geen arts in de zaal, geen ouder, en de enige die nu iets moet beslissen ben jij. Volleybal geldt als contactvrij, en juist daarom heeft bijna geen enkele club hier een draaiboek voor.
Waarom er in jouw zaal geen protocol hangt
Hersenschuddingen worden geassocieerd met rugby, ijshockey en voetbal — sporten waar lijf tegen lijf gaat. Volleybal staat in dat rijtje niet, en dus schrijft vrijwel geen enkele vereniging er een protocol voor. Toch is het mechanisme in onze sport heel gewoon, en het is meestal niet een botsing tussen twee spelers maar de bal. Een aangeslagen bal van dichtbij tegen het hoofd van de blokkeerder, een service in het gezicht van een passer die te laat kijkt, een bal uit de naastgelegen baan tijdens het inslaan, of twee koppen tegen elkaar bij een bal precies tussen twee spelers in.
Kijk vervolgens naar wanneer dat gebeurt. Vaak niet in de vijfde set met een volle tribune, maar op dinsdagavond in het aanvalsblok en in de warming-up, als er uit alle richtingen ballen door de zaal gaan. Precies dan is er geen medische begeleiding, geen ouder in de zaal en staat er één volwassene langs de kant: jij. Dit artikel geeft je voor die situatie een draaiboek. Het is uitdrukkelijk geen diagnose-artikel — vaststellen of er een hersenschudding is doet een arts, en de huisarts of huisartsenpost is in elk scenario hieronder de uitgang.
Herkennen: bewustzijnsverlies is de uitzondering
De hardnekkigste misvatting is dat iemand eerst buiten westen moet zijn geweest. Dat klopt niet: bij de meeste hersenschuddingen is de speler geen moment buiten bewustzijn geweest. De internationale consensus over hersenschudding in de sport (Patricios e.a., British Journal of Sports Medicine, 2023 — de Amsterdam-consensus) beschrijft daarom een reeks signalen waarvan er één al genoeg is om de speler eruit te halen. Voor mensen zonder medische achtergrond hoort daar een korte herkenningskaart bij: de Concussion Recognition Tool 6, kortweg CRT6, gratis en uitdrukkelijk voor coaches, ouders en teamleiders gemaakt.
Wat jij van buitenaf kunt zien:
- De speler blijft liggen of komt opvallend traag overeind.
- Een lege, afwezige blik — de klassieke "waar ben ik"-seconde die net iets te lang duurt.
- Onhandig bewegen, wankelen, moeite met het evenwicht, of een speler die zich moet vasthouden aan de netpaal.
- Verward reageren, traag antwoorden, of een antwoord dat niet klopt met de vraag.
- Vallen zonder zich af te vangen.
Wat de speler zelf kan noemen — en let op, jij moet hier actief naar vragen, want vrijwel niemand meldt dit spontaan tijdens een training:
- Hoofdpijn of "druk in mijn hoofd", nekpijn.
- Misselijkheid, braken, licht in het hoofd of duizelig.
- Wazig of dubbel zien, gevoelig voor het zaallicht of voor geluid.
- Sloom, moe, "alsof ik in een waas zit", moeite met opletten of onthouden.
- Emotioneler, prikkelbaarder of onrustiger dan je van deze speler kent.
- De zin die je het serieust moet nemen: "ik voel me gewoon niet helemaal goed."
Twee dingen om te onthouden. Klachten kunnen pas na minuten of uren opkomen, dus "ze speelde daarna gewoon door" bewijst niets. En dit is een lijst om iemand uit het veld te halen, niet om iets mee vast te stellen: jij hoeft niet te weten wát het is, alleen dat dit kind vanavond niet meer de zaal in gaat.
De vijf minuten na de klap
Doe deze zes stappen altijd in deze volgorde. Samen kosten ze een paar minuten.
- Leg het spel stil en laat de speler niet alleen. Een team dat doorspeelt terwijl jij naar iemand op de grond kijkt, zet druk op je. Fluit dus af, ook op een training.
- Vraag eerst naar de nek. "Doet je nek pijn? Voelt er iets raars in je armen of benen?" Is het antwoord ja, of ligt de speler nog, dan verplaats je hem niet zelf. Dan wacht je op professionele hulp.
- Loop de rode vlaggen langs (de lijst hieronder). Is er één bij, dan stop je hier en bel je.
- Stel de geheugenvragen. Een paar korte vragen, hardop, en je let net zo goed op hoe snel het antwoord komt als op wat er gezegd wordt.
- Loop de klachtenlijst af. Niet "gaat het?", want daar zegt iedereen ja op. Wel: "heb je hoofdpijn, ben je misselijk, zie je normaal, hoor je het geluid hier normaal?"
- Noteer het tijdstip en wat er gebeurde. Eén regel is genoeg, maar doe het meteen — over twee dagen weet niemand meer of het de derde of de vierde oefening was.
De geheugenvragen komen uit de CRT6 en zijn bedoeld voor spelers die oud genoeg zijn om de wedstrijd zelf te volgen — grofweg de oudere jeugd en senioren. In een wedstrijd: "In welke zaal spelen we?", "Welke set is dit?", "Wie maakte het laatste punt?", "Tegen wie speelden we vorige week?" Op een training bestaat er geen stand, dus vraag daar: "Welke oefening deden we hiervoor?", "Wie stond er bij jou in het groepje?", "Hoe ben je hier gekomen?" Eén fout of aarzelend antwoord is genoeg. Bij jongere spelers werken deze vragen slecht — vraag daar naar de klachten en vertrouw op wat je ziet.
Rode vlaggen: hier wacht je niet
Bij één van deze signalen bel je direct het alarmnummer (112 in Nederland, België en de rest van de EU) en wacht je bij de speler:
- Nekpijn of pijn bij aanraken van de nek.
- Zwakte, tintelingen of een branderig gevoel in armen of benen.
- Dubbelzien of het zicht dat wegvalt.
- Hevige hoofdpijn, of hoofdpijn die snel erger wordt.
- Herhaald braken.
- Een epileptische aanval of stuiptrekkingen.
- Bewustzijnsverlies, hoe kort ook.
- Een speler die steeds suffer of moeilijker wakker te houden is.
- Toenemende onrust, agitatie of agressief gedrag dat niet bij deze speler past.
Geen rode vlag, maar wel een vermoeden? Dan is er geen ambulance nodig, maar wel een arts: dezelfde dag nog naar de huisarts of, buiten kantooruren, naar de huisartsenpost. Dat is de standaardroute, niet overdreven voorzichtigheid — jij kunt immers niet uitsluiten dat er iets is.
Bij twijfel eruit, en die dag niet meer terug
Dit is de enige regel die je uit je hoofd moet kennen, en zo staat hij ook in de internationale consensus: bij twijfel gaat de speler eruit, en op dezelfde dag komt hij niet meer terug in het veld — niet in set vier, niet in de laatste twintig minuten van de training, ook niet als hij zich na een kwartier prima voelt. Klachten die na tien minuten weg lijken, kunnen 's avonds terugkomen, en een tweede klap voordat het herstel klaar is kan dat herstel flink verlengen.
Even belangrijk is wie er beslist. Jij hebt één knop en die kan maar één kant op: eruit. Terug in het veld is nooit jouw beslissing en nooit die van de speler zelf. Wie net een klap tegen het hoofd kreeg, kan zijn eigen toestand op dat moment het slechtst inschatten — dat is geen karakterkwestie, dat is wat de blessure doet. Bij jeugd geldt hetzelfde voor de ouder die vindt dat het wel meevalt; hoe je dat gesprek voert zonder ruzie staat in omgaan met ouders langs de lijn. Zeg het kort en zonder ruimte: "Ze heeft een bal tegen haar hoofd gehad en ik laat haar vandaag niet meer spelen. Dat is geen inschatting van mij, dat is de regel."
De reglementaire kant is eenvoudiger dan coaches denken: je wisselt de speler gewoon, en zijn je wissels op, dan is er de uitzonderlijke wissel. Pas als ook dat niet kan, komt de hersteltijd van drie minuten in beeld — de voorwaarden staan in blessure tijdens de wedstrijd. Belangrijk daarbij: die drie minuten zijn géén bedenktijd. Bij een klap tegen het hoofd gebruik je ze niet om te kijken of het toch nog gaat.
Wat je aan de ouder meegeeft
Bij jeugd eindigt jouw rol niet bij de deur van de sporthal. De ouder haalt een kind op dat er meestal weer normaal uitziet, en tenzij jij het zegt gaat dat kind thuis gewoon achter de telefoon en morgen gewoon naar school. Spreek daarom vier dingen letterlijk uit:
- Wat er gebeurd is en hoe laat. "Om kwart over acht kreeg ze een aangeslagen bal vol tegen het hoofd. Ze is niet buiten westen geweest, maar ze had daarna hoofdpijn en was even van slag."
- Dat er vandaag nog een arts naar moet kijken. Huisarts of huisartsenpost — niet "als het morgen niet over is".
- De rode vlaggen, hardop. "Als ze gaat braken, als de hoofdpijn erger wordt, als ze suf wordt of raar doet: bel dan meteen het alarmnummer."
- Dat de eerste uren iemand bij haar blijft en dat ze vanavond niet zelf achter het stuur of op de fiets naar huis gaat.
Stuur de dag erna één berichtje, en zorg dat je die ouder überhaupt kúnt bereiken: een actueel noodnummer per speler is het soort administratie waar je nooit aan denkt tot je het nodig hebt — zie welke spelersgegevens je als coach bijhoudt. In Koach staat dat nummer bij de speler zelf, zodat je er in de zaal meteen bij kunt.
Leg daarna vast wat er gebeurde: datum, tijd, mechanisme, welke klachten je zag, wat je deed en wie je belde. Dat is geen bureaucratie maar de basis voor de terugkeer — de arts vraagt ernaar en jij moet over drie weken nog weten wanneer stap één begon. Een korte spelersnotitie met datum is daar genoeg voor.
Eerst terug naar school, dan pas de zaal
Dit deel slaan clubs standaard over, terwijl het bij jeugd het belangrijkste is. Een hersenschudding raakt onder meer het vermogen om te concentreren, en dat merk je vaak het eerst in de klas: een uur wiskunde kan voor een herstellend brein zwaarder zijn dan een uur wandelen. De Amsterdam-consensus hanteert daarom twee sporen naast elkaar — terug naar school en terug naar sport — met één harde volgorde: pas als een speler weer volledig naar school kan, hoort onbeperkt sporten thuis. Wie halve dagen naar school gaat, begint dus niet aan een volledige training, hoe fit hij er ook uitziet.
Terug naar school gaat in vier stappen. Je gaat pas een stap verder als de vorige lukt zonder dat de klachten flink oplopen:
- Dagelijkse bezigheden thuis die geen klachten uitlokken.
- Schoolwerk thuis, in korte blokken met pauzes.
- Deels terug naar school, bijvoorbeeld halve dagen of met rustmomenten.
- Volledig terug naar school.
Twee nuances die coaches vaak verkeerd hebben. Volledige rust in een donkere kamer is achterhaald: de consensus adviseert relatieve rust gedurende de eerste 24 tot 48 uur, en daarna juist voorzichtig weer in beweging komen, zolang de klachten niet flink oplopen. En een kind dat op school klachten krijgt, gaat een stap terug — dat is normaal en geen mislukking.
De zes stappen terug het veld op
Het terugkeerschema uit de Amsterdam-consensus kent zes stappen, met minimaal 24 uur per stap. Vertaald naar volleybal:
- Dagelijkse activiteit die geen klachten uitlokt. Nog geen sport.
- Lichte tot matige inspanning zonder bal: wandelen, rustig fietsen op een hometrainer, later stevig doorlopen. Geen kans op een klap tegen het hoofd.
- Sportspecifiek werk alleen: loopwerk, aanloopritme zonder bal, voetenwerk, verplaatsingen. Nog steeds niets wat tegen een hoofd kan komen.
- Trainingsvormen zonder botsrisico: techniek met bal in een rustig tempo, maar niet aan het net, niet in een blokduel en niet in een verdedigingsvorm waarin twee spelers naar dezelfde bal duiken.
- Volledige training — en dit is de stap waar een arts eerst toestemming voor moet geven.
- Wedstrijd.
De werkregel tijdens die opbouw: een lichte toename van klachten van hooguit twee punten op een schaal van tien, die binnen een uur wegzakt, is acceptabel. Meer dan dat betekent een stap terug en na 24 uur opnieuw proberen. Over het tijdpad: de consensus beschrijft dat de meeste volwassen sporters binnen ongeveer twee weken herstellen en de meeste kinderen en jongeren binnen ongeveer vier weken. Sneller kan dus, maar bij jeugd is vier weken geen alarmsignaal. Sommige bonden hanteren daarnaast een eigen protocol met een voorgeschreven minimumtermijn voor jeugd; dat verschilt per land, dus controleer het bij je eigen bond.
Wat je vóór het seizoen regelt
- Print de CRT6 en stop hem in de EHBO-tas. Gratis te downloaden en in meerdere talen beschikbaar. In het moment zelf leest niemand een artikel.
- Zorg voor actuele noodnummers van elke speler, ook bij senioren.
- Spreek af wie beslist. Normaal de coach; is die ook ouder van de betrokken speler, dan de teammanager. Leg het vast in je clubhandboek, dan hoeft niemand het ter plekke te bedenken.
- Maak melden normaal. Zeg aan het begin van het seizoen letterlijk dat een klap tegen het hoofd altijd gemeld wordt en dat niemand daar last van krijgt bij de opstelling. In een team waar doorbijten de norm is, hoor je het nooit — dezelfde gewoonte die bij blessurepreventie het verschil maakt.
- Haal het risico uit je warming-up. Niet inslaan met ballen uit twee richtingen, geen spelers die met hun rug naar het inslaan door de zaal lopen, en ballen die je opruimt vóór de aanvalsvorm begint. Hoe je die opbouw inricht staat in een warming-up opbouwen.
Dit kost je een halfuur aan het begin van het seizoen. De avond dat het gebeurt ben je er in vijf minuten uit — en dat is precies de tijd die je dan hebt.
Belangrijk: dit artikel beschrijft hoe je als coach handelt en verwijst, geen behandeladvies en geen manier om zelf een hersenschudding vast te stellen of uit te sluiten. Bij elke verdenking van hoofdletsel: de speler eruit en dezelfde dag naar de huisarts of huisartsenpost; bij een rode vlag direct het alarmnummer. De terugkeer op het veld wordt bepaald door de behandelend arts, niet door de kalender en niet door jou.
Veelgestelde vragen
Mag een speler na een bal tegen het hoofd nog verder spelen?
Zodra je ook maar twijfelt of er iets is, niet: de speler gaat eruit en komt die dag niet meer terug in het veld. Dat geldt op een training net zo goed als in een wedstrijd. Klachten komen vaak pas na minuten tot uren op, dus dat hij zich meteen na de klap goed voelt zegt niets.
Is er altijd bewustzijnsverlies bij een hersenschudding?
Nee, bij de meeste hersenschuddingen is de sporter geen moment buiten bewustzijn geweest. Veel vaker zie je verwardheid, een lege blik, traag antwoorden, hoofdpijn, misselijkheid of duizeligheid. Wachten op bewustzijnsverlies voordat je iemand eruit haalt, is precies de fout die je wilt vermijden.
Wanneer bel ik het alarmnummer en wanneer de huisarts?
Bel het alarmnummer bij nekpijn, tintelingen of zwakte in armen of benen, dubbelzien, hevige of snel toenemende hoofdpijn, herhaald braken, een aanval, bewustzijnsverlies of een speler die steeds suffer of onrustiger wordt. Zonder die signalen, maar met een vermoeden: dezelfde dag naar de huisarts of huisartsenpost.
Hoe lang duurt het voordat een speler weer mag volleyballen?
De internationale consensus beschrijft dat de meeste volwassen sporters binnen ongeveer twee weken herstellen en de meeste kinderen en jongeren binnen ongeveer vier weken. De terugkeer verloopt in zes stappen van minimaal een dag, en vanaf de volledige training is toestemming van een arts nodig. Sommige bonden hanteren daarnaast een eigen minimumtermijn voor jeugd — controleer dat bij je eigen bond.
Moet een jeugdspeler eerst weer naar school kunnen?
Ja, dat is de volgorde uit de Amsterdam-consensus: pas als een jeugdspeler weer volledig naar school gaat, hoort onbeperkt sporten thuis. Concentreren belast een herstellend brein vaak meer dan rustig bewegen, dus een kind dat halve dagen naar school gaat, hoort niet aan een volledige training te beginnen.
Wie beslist of de speler weer mag meedoen?
Niet de coach en niet de speler zelf. Jij beslist alleen over eruit halen; over terugkeren beslist de behandelend arts. Een speler die net een klap tegen het hoofd kreeg, kan zijn eigen toestand slecht inschatten — dat is een gevolg van de blessure, geen kwestie van doorzettingsvermogen.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach