Niet tegen verlies kunnen: kind opvangen in de zaal | Koach
Open de app
Kennisbank · Jeugd & minivolleybal

Niet tegen verlies kunnen: kind opvangen in de zaal

De bal ligt tegen de muur, één kind staat met zijn rug naar de zaal en elf andere kinderen kijken naar jou. Je hebt nog vijfentwintig minuten zaaltijd en de oefening staat stil. Advies over slechte verliezers gaat meestal over het gesprek achteraf. Dit gaat over het moment zelf, over wat eronder zit, en over de vormen die zorgen dat het minder vaak gebeurt.

Leestijd: 8 min

Vijftig keer verliezen in één training

Begin met het rekensommetje, want dat verklaart meer dan welke karakterschets ook. In volleybal levert elke rally een punt op: er is geen middenveld waar even niets gebeurt, en elke keer dat de bal de grond raakt is er een winnaar en een verliezer. Een partijvorm van twaalf minuten levert bij vlot doorspelen dertig tot veertig rally's op, en met drie van die vormen kom je in de buurt van honderd afgeronde momenten. Ongeveer de helft daarvan verliest een kind. Vijftig keer, op één dinsdagavond.

Daar komt bij dat een fout in volleybal bijna altijd een adres heeft. Wie de bal in het net serveert, wie hem laat vallen, wie hem buiten slaat — de hele zaal heeft gezien wie het was, inclusief het kind zelf. En omdat er doorgeroteerd wordt, komt elke speler vanzelf op de positie terecht waar het bij hem misgaat.

Daarmee is dit een volleybalprobleem en niet alleen een opvoedprobleem. Het kind dat bij jou de bal wegtrapt, hoeft niet slechter in verliezen te zijn dan zijn klasgenoot op voetbal; hij krijgt de rekening alleen veel vaker gepresenteerd. Dat is ook de reden dat praten alleen het niet oplost: je voert geen vijftig goede gesprekken per avond.

Eerst uitzoeken: eigen fouten of die van anderen?

Stel eerst vast welk van de drie je voor je hebt. Ze lijken op elkaar in de zaal en vragen iets heel anders van jou.

De test kost je één training: haal de telling weg. Speel dezelfde vormen zonder score, of tegen de klok. Verdwijnt het gedrag helemaal, dan zit het in de stand. Blijft het even hevig, dan gaat het over zijn eigen uitvoering.

Leg het daarna drie weken kort vast, bijvoorbeeld als spelersnotitie in Koach: datum, wat er vlak ervoor gebeurde, en hoeveel minuten het duurde voor hij weer meedeed. Dan zie je wat je met je geheugen niet ziet: of het altijd in dezelfde vorm gebeurt, of altijd in het laatste kwartier als hij moe is.

Acht, elf of veertien: hetzelfde gedrag, drie oorzaken

Dezelfde uitbarsting betekent op elke leeftijd iets anders — en dat bepaalt of je begeleidt of begrenst.

Zes tot acht jaar. De meeste kinderen van deze leeftijd kunnen de uitkomst nog nauwelijks losmaken van zichzelf: verliezen is dan niet "dit ging mis" maar "ik ben de verliezer". Regels zijn bovendien absoluut, waardoor een bal die volgens hem in was voelt als onrecht. De reactie is meestal heftig, luid en binnen een paar minuten voorbij. Wat je hier doet is niet uitleggen maar overbruggen.

Negen tot elf jaar. Hier komt het vergelijken op. Het kind gaat begrijpen dat vaardigheid iets is wat je hebt of niet hebt, en dat teamgenoten er meer of minder van hebben. Verliezen wordt daarmee informatie over zijn plek in de groep, en het gedrag verandert mee: minder explosie, meer opgeven. "Boeit me toch niet", niet meer inlopen, expres slordig serveren. Dat is dezelfde emotie in een ander jasje, en gevaarlijker, want het lijkt op onverschilligheid en wordt dus vaak bestraft.

Twaalf tot veertien jaar. De emotie is heftiger geworden en de rem werkt nog niet altijd. Nieuw is het publiek: een uitbarsting is op deze leeftijd deels een boodschap aan de groep — kijk maar, ik accepteer dit niet. Daarmee verschuift het van "kan het nog niet" naar "kiest er ook voor", en hoort er voor het eerst een echte grens bij.

De vuistregel voor langs de kant: bij jonge kinderen let je op de duur — wordt de periode waarin hij niet meedoet over de maanden korter? Bij oudere kinderen op de richting — gaat het naar binnen, naar de bal, of naar een teamgenoot?

Het script van dertig seconden

Op het moment zelf heb je geen tijd om na te denken, dus leg het vooraf vast. Dit script kun je letterlijk uitspreken.

  1. Seconde 0 tot 5: doe niets. Je loopt er niet heen, je zegt niets, je legt de oefening niet stil. De rest speelt door. Dit is de moeilijkste stap, want elf kinderen verwachten een reactie. Precies die wil je niet geven: aandacht maakt de uitbarsting nu de moeite waard.
  2. Seconde 5 tot 15: ga ernaast staan, niet ertegenover. Schouder aan schouder, allebei de zaal in kijkend. Eén zin: "Dat was rot." Punt. Geen "maar", geen uitleg. Je bevestigt alleen dat je ziet wat hij voelt.
  3. Seconde 15 tot 25: geef een keuze, geen vraag. "Je gaat zo weer in, of je haalt eerst even water. Wat wordt het?" Twee opties die allebei eindigen in meedoen. Een keuze geeft hem controle terug, en dat is precies wat hij kwijt is. Vraag niet "wat is er?" — daar heeft hij nu geen woorden voor.
  4. Seconde 25 tot 30: benoem de volgende taak en loop weg. "Jij serveert straks als eerste." Dan draai je je om. Weglopen is geen onverschilligheid maar techniek: blijf je staan wachten, dan wordt het een onderhandeling met publiek erbij.

Wat je in deze dertig seconden niet zegt: "stel je niet aan", "iedereen verliest wel eens", "het is maar een training". Alle drie kloppen ze, en alle drie vertellen ze het kind dat zijn reactie niet mag. Bij de boosheid komt dan schaamte, en die is de volgende keer een reden om het groter te doen. Hoe je corrigeert zonder harder te gaan praten, staat in corrigeren zonder schreeuwen.

Bal wegtrappen, weglopen, tranen

Het script blijft hetzelfde; de drie meest voorkomende varianten vragen elk één aanpassing.

Twee dingen die je nooit als eerste reactie doet: hem naar de kant sturen, en de groep stilzetten om er iets over te zeggen. Naar de kant gestuurd worden is voor een kind dat toch al niet meer wil geen straf maar een uitweg — je beloont dan precies wat je wilt verminderen. En de groep stilzetten maakt van een privémoment een teamzaak.

De echte oplossing zit in het oefeningontwerp

Hier zit de winst: je kunt sturen hoe vaak er überhaupt iemand verliest. Vijf ingrepen voor de eerstvolgende training:

En één regel die niets kost: eindig nooit met een vorm die een verliezer aanwijst. De laatste vorm van de training gaat mee naar huis. Zet er dus geen partij met een eindstand neer, maar iets zonder verliezer — een teamscore tegen de klok, een servicereeks waarbij de groep samen een aantal haalt, of vijf minuten vrij spelen.

Trainingsprogramma in de Koach-app met genummerde blokken en de tijd per blok voor een jeugdtraining
Zet de partijvormen als blokken van vier minuten in je programma: dan hoef je in de zaal niet te onderhandelen over het lootmoment.

Doe daarna de rekensom opnieuw, met je eigen programma erbij. Drie partijvormen van twaalf minuten is al ruim een half uur van je negentig minuten waarin er steeds een winnaar en een verliezer is. Zet daarvan de helft om naar wash of teamscore en je halveert het aantal verliesmomenten, zonder er één woord over te wisselen. Dat is geen wegkijken: hij leert nog steeds verliezen, in porties die hij aankan.

De rit naar huis

Wat er in de auto gebeurt weegt zwaarder dan wat jij doet; jij hebt hem een paar uur per week. Maak daar dus één afspraak over met de ouders, aan het begin van het seizoen en voor de hele groep, zodat het niet als correctie op één gezin voelt. Drie regels volstaan:

  1. De eerste twintig minuten na afloop wordt er niet geëvalueerd. Geen "wat vond je ervan", geen "je stond wel ver naar achteren". Elke vraag over de wedstrijd komt in die twintig minuten binnen als een beoordeling.
  2. De eerste vraag gaat niet over de uitslag. "Was het leuk?" of "wat wil je eten?" is genoeg. Begint het kind er zelf over, dan mag dat altijd — dan is het zijn onderwerp.
  3. Geen beloning aan de uitslag hangen. Patat na de wedstrijd mag; patat na de gewónnen wedstrijd maakt verliezen letterlijk duurder.

En dan de gevoelige, die je één keer moet benoemen: een kind dat niet tegen verlies kan, heeft het vaak ergens geleerd. Een ouder die zelf balend in de auto stapt, die de scheidsrechter napraat of die thuis bij een spelletje expres verliest zodat het kind wint, geeft elke week een les mee. Vraag ouders dus om thuis gewoon eerlijk te spelen — verliezen in de huiskamer is de goedkoopste oefening die er is. De bredere afspraken met ouders staan in ouders langs de lijn, en dit punt hoort thuis in je teamafspraken, zodat het van de groep is en niet van jou alleen. Ging de wedstrijd zelf zwaar verloren, dan geldt in de kleedkamer nog iets anders dan bij dit ene kind: dat staat in wat zeg je na een zware nederlaag.

Winnaarsmentaliteit of iets anders

"Hij is gewoon fanatiek" is soms waar en soms een vlag op een lading. Drie vragen maken het onderscheid, en alle drie zijn ze waarneembaar vanaf de zijlijn.

Een kind van acht dat drie keer per training kort ontploft en daarna gewoon meedoet, zit binnen wat je op die leeftijd kunt verwachten — mits die periodes over een half jaar korter worden. Een speler van veertien die bij 10-15 bewust stopt met inlopen of expres een set weggeeft, doet iets anders: dat is geen emotie die hem overkomt maar gedrag met een keuze erin, en dat vraagt een grens en een gesprek. Die opbouw staat uitgewerkt bij de dominante speler.

Kijk verder dan volleybal als drie dingen samenvallen: het speelt ook op school en thuis, het wordt na een half jaar niet minder, en het kind is er zelf ongelukkig over als het voorbij is. Zeg dat eerlijk tegen de ouders — als waarneming, niet als diagnose — en laat hen bepalen of ze er iemand bij halen. Loopt het uit op afmeldingen en de zin "ik wil niet meer", lees dan mijn kind wil stoppen met volleybal.

Kernpunt: je verandert dit gedrag niet met gesprekken maar met een andere telling. Dertig seconden script voor het moment zelf, en een training waarin de helft van de vormen geen verliezende kant heeft. Het gesprek komt daarna, en is dan een stuk korter.

Veelgestelde vragen

Mijn speler van acht huilt bij bijna elk verlies. Is dat normaal?

Op die leeftijd komt het veel voor: veel kinderen van acht kunnen de uitkomst nog nauwelijks losmaken van zichzelf, dus verliezen voelt als een oordeel over wie ze zijn. Let niet op hoe heftig het is maar op hoe lang het duurt, en of die periode over de maanden korter wordt. Blijft hij na een half jaar even lang van slag, dan is het het bespreken waard met de ouders.

Moet ik een kind dat de bal wegtrapt uit de training sturen?

Niet als eerste reactie. Voor een kind dat op dat moment toch niet meer wil, is naar de kant gestuurd worden geen straf maar een uitweg, en dan beloon je precies het gedrag dat je wilt verminderen. Stel wel de grens over de bal zelf, zakelijk en kort, want een bal die door de zaal vliegt is een veiligheidskwestie.

Helpt het om hem expres vaker te laten winnen?

Nee, en thuis al helemaal niet. Wat wel werkt, is de uitslag onvoorspelbaarder maken: teams die elke vier minuten opnieuw geloot worden, een handicap voor het sterkste team, of vormen waarin de score wegvalt. Het verschil is dat hij dan af en toe echt wint in plaats van een cadeautje krijgt dat hij vroeg of laat doorheeft.

Wat zeg ik tegen ouders die vinden dat hij gewoon moet leren verliezen?

Dat je het met ze eens bent, en dat hij dat in volleybal ongeveer vijftig keer per training oefent. Leg uit dat je het aantal verliesmomenten tijdelijk verlaagt zodat hij ze wél kan verwerken, en dat je het weer opvoert zodra dat lukt. Dat is geen ontzien maar doseren.

Hoe weet ik of het aan mijn oefeningen ligt?

Haal één training de telling weg en speel dezelfde vormen tegen de klok of zonder score. Verdwijnt het gedrag helemaal, dan zat het in de stand en kun je met het oefeningontwerp aan de slag. Blijft het even hevig, dan gaat het over zijn eigen fouten en heb je een ander probleem voor je.

Moet ik het in de groep benoemen?

Niet het incident en niet de speler. Wat je wel plenair afspreekt, is hoe jullie in dit team reageren op verlies en op fouten van elkaar — dan geldt het voor iedereen en is niemand het voorbeeld. Een afspraak die het team zelf formuleert, handhaaft het team ook zelf.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach