Minivolleybal oefeningen per niveau: van vangen naar smashen
Je weet welk niveau een kind speelt. Wat je daar op dinsdagavond mee doet, staat nergens: de niveaus beschrijven het spel, niet de oefenstof eronder. En intussen staat er een groep waarin het ene kind de bal nog vangt en het andere er al bovenop wil slaan — met één bal per twee kinderen en niemand die je helpt.
De vier treden onder de niveaus
Elk minivolleybalprogramma knipt het spel in niveaus, maar de namen en het aantal verschillen per bond — in Nederland zijn het zes CMV-niveaus, elders heten ze anders. Controleer bij je eigen bond wat er per niveau mag. Onder al die programma's ligt dezelfde leerlijn van vier treden: de volgorde waarin een kind een vliegende bal leert behandelen.
- Trede 1 — vangen en gooien. Het kind leert waar de bal neerkomt en hoe het daar op tijd staat. De techniek is nog even geparkeerd.
- Trede 2 — de stuit en de eigen opgooi. De bal wordt gespeeld in plaats van gevangen, maar met een halve seconde bedenktijd erbij.
- Trede 3 — direct spelen, drie keer. Geen steunwiel meer: pass, opbouw, bal over het net.
- Trede 4 — van bovenaf aanvallen. De bal gaat naar beneden in plaats van in een boog terug, en er staan voor het eerst handen boven het net.
Wat elk niveau inhoudt, staat in de uitleg van de CMV-niveaus; veldmaten, nethoogte en telling per niveau vind je in de minivolleybal-regels. Dit artikel gaat over wat je in de zaal doet. Belangrijk daarbij: je traint een vaardigheid, geen kind. Hetzelfde kind kan bij het passen op trede 3 zitten en bij het serveren op trede 1 — laat dan per vaardigheid het juiste steunwiel staan. Zoek je losse spelvormen, dan staan die in twaalf volleybalspelletjes voor kinderen; hoe je een compleet uur opbouwt, staat in de opbouw van een jeugdtraining. Hier gaat het om de volgorde.
Trede 1: vangen en gooien
Wat een kind hier moet leren is één ding: eerder vertrekken. Bijna elke mislukte bal op de latere treden komt hierop terug — te laat op de goede plek, en dan repareren met de armen. Vangen is de eerlijkste toets, want daarmee kom je niet weg met een tikje.
- Hoog over de lijn. Tweetallen, drie meter uit elkaar, één bal, een lijn op de vloer ertussen. Gooien met twee handen van boven het voorhoofd in een hoge boog, vangen boven het voorhoofd en bevriezen tot jij het gezien hebt. Tien ballen, dan allebei een halve meter achteruit. Traint: de baan van de bal lezen, plus de handvorm die later het bovenhandse contact wordt. Zwaarder: de gooier mikt een meter naast de vanger.
- Stilstaan voor je vangt. Groepjes van drie: één aangooier, twee vangers op twee meter. De aangooier gooit steeds een tot twee meter naast een vanger. De regel: bij het vangen staan beide voeten stil, anders telt de bal niet. Acht ballen per kind, dan schuift de aangooier door. Traint: eerder vertrekken in plaats van meelopen met de bal. Zwaarder: de aangooier zegt pas ná het loslaten naar wie hij gooit.
- Twee tegen twee vangbal. Klein veldje, net op minivolleybalhoogte. Elke bal wordt gevangen en binnen drie seconden verder gegooid, en moet één keer binnen het team over voordat hij het net passeert. Wie hem wil, roept "ik" vóór het vangen. Traint: samenspelen en hardop spelen in een wedstrijdvorm. Zwaarder: de tweede bal mag niet gegooid worden maar moet gespeeld.
De doorgroeistap: een kind is klaar voor trede 2 als het acht van de tien hoge ballen boven het voorhoofd vangt zonder achteruit te struikelen, en in het partijtje uit zichzelf roept. Niet als het jarig is geweest.
Trede 2: de stuit als steunwiel
Tussen vangen en direct spelen zit een gat van ongeveer een halve seconde: precies de bedenktijd die het vangen gaf. Haal je die er in één keer af, dan krijg je kinderen die te laat hun handen omhoog brengen en de bal wegslaan. Geef die halve seconde terug met twee steunwielen: de eigen opgooi en de stuit.
- Stuit-en-speel. Twee tegen twee op het kleine veldje. Vangen mag niet meer, maar elke bal mag één keer stuiten voordat hij gespeeld wordt. Traint: de beslissing ("waar komt hij neer") losmaken van de uitvoering, zonder dat het spel stilvalt. Zwaarder: de stuit mag alleen nog bij de eerste bal na het net.
- Opgooi-en-plaats. Tweetallen op vier meter, één bal. Het kind gooit zichzelf op tot ongeveer een meter boven het hoofd, speelt bovenhands naar de partner, die boven het voorhoofd vangt. Twee punten als de vanger blijft staan, één bij één stap, niets bij twee. Eerste tweetal op twaalf punten. Traint: richting in plaats van hoogte — omhoog krijgen ze hem wel, naar iemand toe niet. Zwaarder: de vanger speelt terug. Doen vingers pijn, ga dan eerst terug naar de opbouw in bovenhands spelen leren aan kinderen.
- Zes van de tien. Iedereen serveert, maar niet vanaf dezelfde plek: begin op drie meter van het net. Wie zes van de tien over het net én binnen het veldje krijgt, schuift een meter naar achteren; wie onder de vier zakt, een meter naar voren. Traint: serveren op een afstand waar het nog lukt, in plaats van tien keer mislukken vanaf de achterlijn. Zwaarder: een doelvak van drie bij drie meter aanwijzen.
De doorgroeistap: trede 3 begint als het kind in een partijtje meer ballen zonder stuit speelt dan met, en de bal daarbij hoger dan het net komt. Blijft hij laag en hard, dan is het te vroeg.
Trede 3: drie keer spelen
Hier ontstaat volleybal: de bal gaat niet meteen terug, maar wordt eerst bij het eigen team beter gemaakt. Twee dingen moeten tegelijk lukken: stil onder de bal staan, en de bal naar een plek spelen in plaats van naar boven.
- De vaste opbouwplek. Groepjes van vier: een aangooier bij het net, een kind op de opbouwplek (ongeveer een meter van het net, iets rechts van het midden) en twee kinderen achterin. De aangooier gooit hoog naar achteren, er wordt gepast naar de opbouwplek, en die vangt boven het voorhoofd, roept "hebbes" en gooit terug. Acht ballen, dan schuift iedereen een rol door. Traint: passen naar een plek, en de gewoonte dat er iemand op die plek stáát. Zwaarder: de opbouwer vangt niet meer maar speelt hoog terug.
- Stilstaan bij het contact. Drie tegen drie, vrij spel, met één regel: bij elk balcontact staan beide voeten stil. Speelt iemand in beweging, dan is het punt voor de tegenstander — en de kinderen roepen dat zelf. Traint: op tijd onder de bal komen, wat hier meer oplevert dan welke techniekcorrectie ook. Zwaarder: de regel geldt alleen nog voor de tweede en derde bal, zodat verdedigen weer mag.
- Drie namen. Drie tegen drie, verplicht drie contacten, en wie de bal speelt roept vóór het contact de naam van het kind voor wie hij bedoeld is. Gaat de bal in twee keer over het net, dan telt het punt niet. Traint: de derde bal én het roepen, zonder dat jij er van de kant om hoeft te vragen. Zwaarder: de derde bal moet vanaf de opbouwplek komen.
De doorgroeistap: als het team in ruim de helft van de rally's uit zichzelf drie keer speelt, is de groep toe aan trede 4. Doen ze het alleen als jij het roept, dan is het jouw gewoonte en niet die van hen.
Trede 4: van bovenaf aanvallen
Aanvallen bestaat uit twee dingen die je apart aanleert: de slagbeweging en het ritme van de aanloop. Zet je ze te vroeg bij elkaar, dan krijg je kinderen die springen én slaan en allebei half doen.
- Slaan zonder aanloop. Tweetallen aan weerszijden van het net op ongeveer twee meter, één bal. Het kind gooit zichzelf op boven de slagschouder en slaat met een open hand naar beneden over het net; de partner vangt na één stuit. Let op contact boven en iets vóór de schouder, en op de pols die over de bal heen klapt. Tien ballen, dan wisselen. Traint: de slagbeweging, zonder dat timing in de weg zit. Zwaarder: een doelvak op de vloer dat geraakt moet worden.
- Hop-twee. Zonder bal, iedereen tegelijk op een lijn — geen wachtrij. Rechtshandige kinderen zetten de laatste twee passen rechts-links en komen op twee voeten neer; de armen gaan bij de voorlaatste pas naar achteren en bij de sprong omhoog. Tel hardop mee: "hop-twee". Twee series van acht. Traint: het ritme van de aanloop, dat later de hele aanval draagt. Zwaarder: iemand gooit een bal hoog op en het kind start zijn aanloop als de bal het hoogste punt passeert.
- Aanvallen mag, blokkeren nog niet. Drie tegen drie met één regel: de derde bal moet van bovenaf gespeeld worden — hard slaan of prikken mag allebei. Aan de overkant staat één kind bij het net met de handen boven het net, maar het mag niet springen. Traint: durven aanvallen én richten, want er staan voor het eerst handen in de weg. Zwaarder: het blok mag springen.
Twee dingen die je hier niet doet: aanvallen vanaf een bank of kast (de landing is het risico), en een zwaardere bal pakken omdat er nu hard geslagen wordt.
Eén bal per twee kinderen, en geen assistent
De meeste minitrainers hebben een halve zaal, een tas met acht ballen en niemand om op de andere helft te letten. Doe dan eerst deze rekensom. Twaalf kinderen, vijftien minuten techniek, één rij met jou als aangooier: een bal kost ongeveer vijf seconden, dus een kind is om de minuut aan de beurt en houdt er hooguit vijftien contacten aan over. Diezelfde vijftien minuten in tweetallen met zes ballen: elk tweetal speelt om de vier seconden een bal, en dan zit elk kind ruim boven de honderd contacten. Dat verschil bepaalt of een seizoen iets oplevert — zie ook meer balcontacten per training.
- Geen rij langer dan drie. Kun je de oefening niet in twee- of drietallen organiseren, kies dan een andere oefening. Alle oefeningen hierboven werken in groepjes van twee tot vier.
- De aangooier is een kind, niet jij. Elke vorm waarin jij aangeeft, valt stil zodra je iets uitlegt of een veter strikt. Houd hooguit één groepje tegelijk dat jou nodig heeft.
- Serveren doe je heen en weer. Twee rijen tegenover elkaar over het net, allebei met de helft van de ballen: iedereen serveert naar de overkant en de overkant serveert terug. Zo hoeft niemand te rapen.
- Zet de veldjes uit vóórdat de eerste bal de zaal in rolt. Pionnen verplaatsen met tien kinderen erbij kost vier minuten én hun aandacht.
Houd blokken van zes tot acht minuten aan: daarna daalt de kwaliteit sneller dan het aantal herhalingen stijgt. Wat er per leeftijdsgroep verder verandert aan je trainingsontwerp, staat in jeugdvolleybal trainen per leeftijd.
Drie treden in één groep
De groep waarin iedereen op dezelfde trede zit, bestaat niet: je hebt kinderen die nog vangen, kinderen die net direct spelen en één of twee die al willen slaan. De verleiding is dan om drie oefeningen te draaien op drie veldjes. Doe dat niet: je kunt niet op drie plekken kijken, en de zwakste groep staat dan het langst zonder jou.
Zet in plaats daarvan drie regels op één oefening. Bij Stuit-en-speel ziet dat er zo uit: de kinderen van trede 1 mogen de bal nog vangen, die van trede 2 mogen één keer stuiten, die van trede 3 spelen direct — in hetzelfde spelletje, op hetzelfde veldje, met gemengde tweetallen. Verander de eis, niet de oefening. Dat werkt bij vrijwel alles hierboven.
Nog drie dingen die helpen. Geef in gemengde duo's het sterkere kind de aangooiende of opbouwende rol: die rol maakt hem beter en het andere kind sneller. Laat een rally voor het zwakkere kind dubbel tellen, zodat zijn team hem er echt bij wil hebben. En parkeer nooit het zwakste kind als vaste ballenrapper — dat is het kind dat de meeste contacten nodig heeft. Meer over grote verschillen in één groep staat in een team met grote niveauverschillen trainen.
Wanneer een kind een trede opschuift
Doorschuiven gaat bijna altijd te vroeg of te laat, omdat trainers naar de oefening kijken in plaats van naar het spel. In een oefening komt de bal zoals afgesproken; in een partijtje niet. Gebruik daarom deze maat: acht van de tien ballen goed in een spelvorm, op twee opeenvolgende trainingen. Lukt dat, dan haal je het steunwiel eraf. Lukt het één training wel en de week erna niet, dan was het toeval.
Schuif door per vaardigheid, niet per kind: wie prima direct speelt maar de service niet over krijgt, zit bij het passen op trede 3 en bij het serveren op trede 2. En wacht niet op de groep: schuif je pas door als het laatste kind zover is, dan verveelt de helft zich een halfjaar. Een trede terugzetten na een blessure of de zomerstop is geen degradatie maar onderhoud; zeg dat er hardop bij, want kinderen horen anders iets anders.
Houd het simpel bij: per kind, per vaardigheid, welke trede en wanneer je het zag. Wie dat bij de spelersnotities in Koach zet, ziet in februari welk kind al drie maanden op dezelfde trede staat — precies het kind dat je anders mist, omdat het nooit klaagt.
Kernpunt: een kind schuift niet door omdat het een jaar ouder is of omdat de rest doorgaat, maar omdat het acht van de tien ballen haalt in een partijtje — twee trainingen achter elkaar. Haal het steunwiel eraf bij de vaardigheid die klaar is, en laat het staan bij de rest.
Veelgestelde vragen
Vanaf welke trede mag je met kinderen gaan smashen?
De slagbeweging zelf — zelf opgooien en met een open hand over het net slaan — kun je al oefenen zodra kinderen direct spelen, want daar zit geen timing in. De volledige aanval met aanloop en een aangespeelde bal hoort bij de hoogste minivolleybaltreden; in welk niveau dat bij jou valt, verschilt per bond.
Hoeveel oefeningen bereid ik voor per minivolleybaltraining?
Drie tot vier plus een reserve, in blokken van zes tot acht minuten. Kies één trede als hoofdthema en houd de rest van de training op de trede die de groep al beheerst, zodat er ook iets lukt.
Mag één kind blijven vangen terwijl de rest doorspeelt?
Ja, en dat werkt beter dan het kind in een apart groepje zetten. Laat iedereen dezelfde oefening doen en geef dat kind de regel dat het mag vangen; zodra het acht van de tien ballen haalt, laat je het vangen weg.
Welke bal gebruik ik bij minivolleybal?
Een lichtere, zachtere jeugdbal houdt de bal langer in de lucht en voorkomt dat kinderen wegduiken voor hoge ballen. Welke bal in de competitie is voorgeschreven verschilt per bond en per niveau — controleer dat in het reglement van je eigen bond; op de training mag je altijd lichter kiezen.
Hoeveel ballen heb ik minimaal nodig?
Reken op één bal per twee kinderen. Heb je er minder, kies dan vormen in drietallen waarin één kind aangooit, en zet het serveren aan het eind van de training als alle ballen aan één kant mogen liggen.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach