Overtraining herkennen: team traint hard, wordt trager | Koach
Open de app
Kennisbank · Coachvak & fysiek

Overtraining herkennen: team traint hard, wordt trager

Je team traint sinds september twee keer per week, er wordt nauwelijks overgeslagen, en toch gaat het slechter. De pass is slordiger, de service veiliger, en op zaterdag valt het uit elkaar tussen 15 en 20. De reflex is er een training bij plannen of harder ingrijpen. Bij een team dat niet meer herstelt, is dat precies de verkeerde richting.

Leestijd: 8 min

Waarom een heel team tegelijk afzakt

Bij een individuele duursporter is overbelasting een persoonlijk verhaal: eigen schema, eigen keuzes. Bij een team werkt het anders, want twaalf spelers delen één kalender. Ze doen dezelfde trainingen, spelen dezelfde dubbele wedstrijdweken, rijden naar hetzelfde toernooi en komen uit dezelfde onderbreking terug. Stijgt de belasting, dan stijgt hij voor iedereen tegelijk. Daarin zit meteen je scherpste onderscheid: zakt één speler weg, dan gaat het over die speler; zakken er vijf van de twaalf weg in hetzelfde blok van vier weken, dan gaat het over jouw kalender.

Het venijn is dat het trainingsschema er ondertussen ongewijzigd uitziet. Nog steeds twee avonden, nog steeds negentig minuten. Wat wél veranderde: de wedstrijden werden zwaarder, de rally's langer, er kwam een toernooi bij, en na de onderbreking is het team meteen begonnen op het niveau waar het gebleven was. Gabbett (2016) vatte dat in het British Journal of Sports Medicine samen als de kern van het probleem: niet de hoogte van de belasting voorspelt de ellende, maar de sprong ten opzichte van wat het lichaam gewend is. Op de precieze rekenmethode achter dat idee is later methodologische kritiek gekomen, maar als denkraam houdt het stand: elke onderbreking en elke opgevoerde week is een sprong, en sprongen kosten herstel.

Onderscheid daarbij drie toestanden die op de zaalvloer identiek ogen. Acute vermoeidheid hoort bij elke zware training en is na een of twee nachten weg. Functionele overbelasting zoek je in een zwaar blok bewust op: het rendement zakt tijdelijk en veert na een lichtere periode weer op, binnen dagen tot een week of twee. Niet-functionele overbelasting geeft hetzelfde beeld, maar het herstel blijft uit — weken tot maanden waarin rust niets oplevert. Daarachter ligt het overtrainingssyndroom, en dat is geen coachterm maar een medische diagnose: de gezamenlijke verklaring van het European College of Sport Science en het American College of Sports Medicine (Meeusen e.a., 2013) beschrijft hem nadrukkelijk als een uitsluitingsdiagnose. Dat is bevrijdend, want jij hoeft niet vast te stellen wát een speler heeft. Jij verlaagt de belasting en kijkt of het rendement terugkomt. Komt het terug, dan heb je je werk gedaan; komt het niet terug, dan geef je het door. Die test duurt twee weken en is de enige die je zelf kunt uitvoeren.

De vier cijfers die het eerst kantelen

Je hoeft die sprong niet met hardware te meten. De signalen staan al in wat je bijhoudt, mits je ze naast elkaar legt en in blokken van vier weken kijkt in plaats van van week tot week. Vier weken is kort genoeg om nog te kunnen ingrijpen en lang genoeg om ruis van griep, vakantie en één slechte avond uit te middelen.

Een vijfde cijfer krijg je gratis: eigen fouten per set. Lopen die op terwijl de trainingsuren gelijk blijven, dan kost dezelfde training meer dan hij opbrengt. Alles hierboven staat al in je eigen registratie — in Koach per speler op één trainingsoverzicht, met een schriftje net zo goed.

Het trainingsoverzicht van een speler in de Koach-app: aanwezig 4 van de 5, gemiddelde inzet 3,8 en een opkomst van 80 procent, met de laatste trainingen eronder
Aanwezigheid, gemiddelde inzet en opkomst staan per speler bij elkaar: pas naast elkaar en over vier weken vertellen ze wat er met de groep gebeurt.

De vierwekenvergelijking, uitgerekend

Zet twee blokken naast elkaar en het beeld wordt in vijf minuten hard. Ter illustratie een team met verzonnen maar realistische cijfers: links de weken 5 tot en met 8 van het seizoen, rechts de weken 9 tot en met 12.

Die laatste regel maakt het verhaal: alles zakt terwijl de input gelijk blijft. Dat is per definitie een herstelprobleem en geen inspanningsprobleem. Een team dat te weinig traint zakt namelijk óók, maar dan beweegt de opkomst niet mee.

Er zijn grofweg drie uitkomsten, met elk een andere conclusie:

  1. Opkomst zakt, inzet en rendement blijven staan. Dit is geen belastingprobleem maar een agenda- en bindingsprobleem: de spelers die er zijn, zijn er helemaal. Daarvoor heb je andere knoppen, en die staan in trainingsopkomst verhogen.
  2. Opkomst blijft gelijk, inzet en rendement zakken breed. Dit is de belasting-herstelbalans. Iedereen komt trouw en levert steeds minder op. Hier hoort de rest van dit artikel bij.
  3. Eén speler zakt op alle vier de cijfers, de rest niet. Dan is het individueel en ga je met die speler in gesprek in plaats van je hele planning omgooien. Bij jeugdspelers is dat vrijwel altijd een optelsom van clubtraining, regiotraining en school; die rekensom en de individuele signalen staan uitgewerkt in hoe vaak jeugd van 10 tot 14 mag trainen.

Het weekbudget: tel harde dagen, geen uren

Een trainingsschema zegt wat je doet. Een weekbudget zegt wat het mag kosten. Tel daarvoor geen uren maar harde dagen. Een harde dag is een dag met maximale sprongen, volle aanvals- of blokreeksen of een wedstrijd. Een avond met techniek, spelinzicht en spelvormen op beheerst tempo is geen harde dag, ook al duurt hij anderhalf uur.

Twee dingen vallen buiten dit budget en tellen toch mee. Het eerste is de rest van het leven: examenweken, een tweede sport, ploegendiensten. Vraag dat aan het begin van elk blok van vier weken hardop uit, dan weet je vooraf welke drie spelers je in week zes niet zwaar moet belasten. Het tweede is het aantal sprongen en landingen, want die tellen zwaarder dan minuten — dat doseren staat in blessurepreventie in volleybal, en wat er ná de training gebeurt in cooling-down en herstel.

De lichte week: schrap volume, niet intensiteit

De verleiding bij een lichte week is om het rustig te doen: kalm inspelen, wat overgooien, vroeg naar huis. Dat is precies de verkeerde soort licht. In een meta-analyse over taperen concludeerden Bosquet e.a. (2007) dat prestaties het best behouden blijven wanneer het trainingsvolume fors omlaag gaat terwijl de intensiteit en de frequentie overeind blijven. Vertaald naar een clubavond: je komt even vaak, je blijft even lang, je doet minder herhalingen en die herhalingen zijn scherp.

Kondig die week aan als plan en niet als toegeving. "Week vier is de lichte week, dat staat sinds september in de agenda" landt totaal anders dan "we doen het even rustiger want het gaat niet lekker". Het eerste is een coach die stuurt; het tweede bevestigt bij je spelers precies het gevoel dat er iets mis is met hen.

Kernpunt: een lichte week is geen beloning en geen noodrem, maar een vast onderdeel van de planning — elke vierde week, volume omlaag, intensiteit overeind. Wie hem pas inbouwt als het al misgaat, is weken te laat en is dan ook de uitleg kwijt.

Dubbele wedstrijdweken: waar je het volume weghaalt

In een week met twee wedstrijden wordt het budget vanzelf overschreden: de wedstrijden staan vast en de trainingen staan er gewoon nog. Haal het volume dan in deze volgorde weg.

  1. De dag na een wedstrijd is nooit een harde dag. Geen sprongwerk, geen volle aanvalsreeksen, ook niet als het slecht ging op zaterdag.
  2. Het conditieblok vervalt volledig. Dat is het eerste wat eruit gaat en het minste wat je mist; hoe je die blokken over het seizoen verdeelt, staat in conditietraining voor volleyballers.
  3. De training tussen twee wedstrijden wordt korter en tactisch: zestig minuten in plaats van negentig, met de nadruk op receptie, serveerafspraken en de opstelling tegen de volgende tegenstander.
  4. Reken een toernooidag met vier of vijf wedstrijden als twee harde dagen. Dat is een vuistregel en geen wet, maar hij voorkomt de klassieke fout: een toernooi op zondag en op dinsdag gewoon de zware training van het weekplan.

Wat je nooit schrapt, ook niet in de drukste week: de warming-up. Die verdwijnt als eerste wanneer een coach onder tijdsdruk staat, en juist bij een vermoeid team is hij het meest waard.

De drie zinnen waarmee je een pauze aanbiedt

Het lastigste is niet het besluit maar de formulering. "Neem jij even rust" klinkt als afvallen, zeker voor de speler die het hardst heeft gewerkt om erbij te horen. Een aanbod dat wél werkt bestaat uit drie zinnen: wat je ziet, wat je voorstelt, en wat er daarna gebeurt.

  1. "Je hebt de laatste vijf weken geen training gemist en toch zakt je rendement — dat is precies wat vermoeidheid doet, en het is geen kwestie van harder willen."
  2. "Ik zet je twee weken op halve belasting: je bent er gewoon bij, je doet techniek en spel mee, maar je slaat geen volle reeksen en je springt niet in het blokblok."
  3. "Je plek staat vast, en over twee weken kijken we samen naar dezelfde cijfers om te zien of het terug is."

Er zitten drie dingen bewust in. De speler blijft aanwezig, want wegblijven is wat het tot een straf maakt. Er zit een einddatum aan, want een open pauze voelt als een afvoerputje. En er is een terugkijkmoment met hetzelfde cijfer waarmee je begon, waardoor het over rendement gaat en niet over karakter. Voor de hele groep gebruik je dezelfde opbouw in het meervoud. Wat je weglaat: de suggestie dat de speler te weinig aankan, vergelijkingen met teamgenoten, en beloftes over speeltijd die je twee weken later niet kunt waarmaken.

Wanneer het geen trainingsbelasting meer is

Blijft het beeld na twee weken halve belasting onveranderd, dan houdt jouw rol op en begint die van een professional. Dat is geen falen maar de afgesproken uitkomst van de test die je twee weken eerder inzette. Aanhoudende vermoeidheid ziet er namelijk precies hetzelfde uit als oorzaken die niets met volleybal te maken hebben: bloedarmoede, een doorgemaakte infectie, een schildklier die niet meewerkt, structureel te weinig eten voor de hoeveelheid beweging, of een sombere periode. Precies daarom is het overtrainingssyndroom een uitsluitingsdiagnose.

Praktisch: adviseer de speler naar de huisarts of een sportarts te gaan, benoem wat jij hebt gezien in feiten en periodes ("sinds half november, opkomst gelijk, rendement en inzet gezakt, na twee weken halve belasting niet terug"), en zeg hardop dat zijn plek in het team openblijft. Een speler die denkt dat een doktersbezoek hem zijn plek kost, gaat niet.

Zet de lichte weken in de kalender, niet in de crisis

Alles hierboven is achteraf te repareren, maar veel goedkoper vooraf. Markeer bij het opzetten van je seizoen meteen de lichte weken — elke vierde week, de week na elk toernooi, de eerste week na elke onderbreking — en zet er de momenten bij waarop je de vierwekenvergelijking maakt. Omdat competitiestart en onderbrekingen per bond verschillen, tel je in weken vóór en na jouw eigen start; hoe je dat raamwerk opzet, staat in je volleybalseizoen organiseren.

Het aardige van vooraf plannen is dat de uitleg dan al klaarligt. Een team dat in september heeft gehoord dat elke vierde week lichter is, hoort in december geen noodgreep maar een afspraak.

Veelgestelde vragen

Hoe weet ik of het aan de belasting ligt en niet aan de sfeer?

Kijk naar de combinatie. Bij een sfeer- of bindingsprobleem zakt de opkomst terwijl de spelers die er zijn nog vol meedoen; bij overbelasting blijft de opkomst juist gelijk en zakken inzet en rendement bij een groot deel van de groep tegelijk. Vergelijk daarvoor twee blokken van vier weken naast elkaar.

Hoe vaak moet ik een lichte week inbouwen?

Voor een gemiddeld clubteam werkt elke vierde week goed, plus de week na een toernooi en de eerste week na een onderbreking. Zet ze vooraf in de kalender in plaats van ze in te lassen als het misgaat — dan zijn ze onderdeel van het plan en geen noodgreep.

Mijn spelers willen juist méér trainen als het slecht gaat. Wat doe ik?

Neem de motivatie serieus en stuur de belasting. Bied een extra moment aan dat weinig sprongen en weinig volle slagen kost, zoals serveren, spelinzicht of video, en houd het aantal harde dagen per week gelijk. Zo mag het team meer doen zonder dat de herstelbalans verder scheeftrekt.

Kan een team overtraind raken van twee trainingen per week?

Een echt overtrainingssyndroom is bij twee trainingen per week onwaarschijnlijk, maar een verstoorde belasting-herstelbalans niet. De optelsom bepaalt het: wedstrijden, toernooien, een tweede sport, examenweken en te weinig slaap tellen allemaal mee, ook als het aantal trainingen laag blijft.

Wanneer stuur ik een speler naar de huisarts of sportarts?

Als het beeld na twee weken op halve belasting niet verbetert, of als er klachten bij komen die buiten de zaal spelen: slecht slapen, ongewenst gewichtsverlies, aanhoudende somberheid of terugkerende infecties. Beschrijf dan feitelijk wat je hebt gezien en over welke periode, en zeg er duidelijk bij dat zijn plek in het team openblijft.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach