Setten uit een slechte pass: toch een speelbare bal geven
Een spelverdeler wordt niet beoordeeld op de perfecte passes. Die zet iedereen wel om in een aanval. Het verschil zit in de bal die zes meter van het net en anderhalve meter naast je landt: wat je daarmee doet, bepaalt of je team de rally nog wint of hem weggeeft.
Eerst beslissen, dan bewegen
De fout die de meeste tijd kost, is besluiteloosheid. Op het moment dat de pass van de armen van je passer komt, moet je in een fractie drie dingen bepalen: kan ik erbij, met welke techniek, en welke aanvaller kan hiermee nog scoren? Die volgorde is belangrijk. Wie eerst naar zijn aanvallers kijkt en dan pas naar de bal, komt te laat bij de bal.
De praktische beslisboom is kort:
- Ik sta er ruim op tijd onder: bovenhands setten, gewoon je normale techniek.
- Ik haal hem net, maar niet meer boven mijn voorhoofd: onderarms setten (de bumpset).
- De bal is achter of naast me: eenhandig setten, of hem hoog met twee handen naar buiten spelen.
- Ik haal hem niet: roep het meteen, dan neemt iemand anders de tweede bal.
Dat laatste punt wordt onderschat. Een spelverdeler die te lang blijft geloven dat hij erbij kan, laat de bal vallen die een teamgenoot met een stap had kunnen redden.
Voetenwerk: sprinten en dan stilstaan
Bij een slechte pass is de verleiding groot om al reikend te setten. Doe het omgekeerde: sprint met grote passen naar de plek waar de bal komt, en zet je laatste twee passen kort in zodat je stilstaat op het moment van contact. Een set uit stilstand vanaf een matige plek is beter dan een set in beweging vanaf een goede plek - bewegen tijdens het contact is de hoofdoorzaak van een dubbel gespeelde bal.
Draai je schouders daarbij bewust naar het doel dat je kiest. Uit een bal die van het net af komt, is dat vrijwel altijd de buitenaanvaller op positie 4: dat is de langste, hoogste en meest voorspelbare bal die er is en de aanvaller heeft ruimte voor een volledige aanloop.
De bal ver van het net: hoger, verder van het net, naar buiten
Dit is de belangrijkste correctie die spelverdelers moeten leren. Als jij zes meter van het net staat, is de reflex om de bal alsnog naar het net te sturen. Precies dat maakt de bal onspeelbaar: hij komt strak langs de netband, de aanvaller kan er niet meer onderdoor en het blok staat er bovenop.
De juiste bal uit een verre pass is hoger dan normaal, verder van het net en meer naar buiten. Anderhalve tot twee meter van het net is prima, tot buiten de zijlijn zelfs, want je aanvaller kan een bal die van het net af komt gewoon diagonaal in het veld slaan terwijl het blok geen kant op kan. De hoogte geeft je aanvaller de tijd om alsnog een volledige aanloop te maken. Hoe je die situatie als team afspreekt, staat in out-of-system spelen.
De onderarmse set: hetzelfde platform, ander doel
Komt de bal te laag of te hard voor twee handen, dan set je onderarms. De techniek is die van de onderarmse pass, met drie verschillen: je richt op een punt véél hoger dan bij een pass (mik op drie tot vier meter hoogte boven de plek waar de aanvaller moet slaan), je kracht komt volledig uit de beenstrekking, en je platform kantelt bewust achterover om de bal hoogte te geven.
De grootste fout is hier zwaaien met de armen. Ook bij een bumpset geldt: platform stil, benen strekken. Een set die met een armzwaai wordt gemaakt, is niet te herhalen en komt de ene keer drie meter en de andere keer acht meter.
Het eerlijke rapportcijfer voor dit hele hoofdstuk is trouwens niet hoe je set eruitziet, maar hoeveel punten je team nog maakt na een matige pass. Registreer je per rally wie er scoorde en hoe, bijvoorbeeld in een app als Koach, dan zie je dat percentage over een seizoen oplopen - en dat is precies het cijfer waarop een spelverdeler het verschil maakt.

Eenhandig setten: de noodgreep die je kunt trainen
Vliegt de bal over je heen of langs je, dan blijft er één optie over: met één hand. Met de vlakke hand of de vingertoppen duw je de bal omhoog en naar buiten, altijd hoger dan je denkt nodig te hebben. Het contact moet kort en stevig zijn - een lang contact wordt een gedragen bal. Bij een bal die echt achter je zit, is de knokkelvariant (halve vuist) betrouwbaarder dan de vingers.
Dit is geen truc voor gevorderden alleen: laat elke spelverdeler er per training vijf minuten aan besteden. Ballen die net buiten bereik lijken, worden zo bruikbare tweede ballen.
Roepen wat het wordt
De set uit een slechte pass is een teamactie, geen solo. Roep hardop wat je gaat geven - "hoog buiten!" of "hoog vier!" - op het moment dat je onder de bal komt. Je aanvaller kan dan zijn vertrek uitstellen en zijn aanloop verplaatsen, en dat scheelt het verschil tussen een aanval en een noodbal over het net. Teams die deze afspraak niet hebben, verliezen hun out-of-system-rally's meestal niet aan techniek maar aan stilte.
Trainen en meten
Train dit nooit vanuit nette ballen. Laat de trainer bewust slechte passes gooien op vijf vaste plekken: ver van het net, achter de setter, laag en hard, over de setter heen, en aan de kant van positie 2. Tien ballen per plek, met de opdracht dat elke bal speelbaar bij een aanvaller moet komen. Beoordeel op de bal, niet op de uitkomst van de rally.
Beoordeel daarbij de bal die je aanvaller kreeg, niet de afloop van de rally: een prima noodset waar de aanvaller niets mee deed, blijft een prima noodset. Wil je de basistechniek eerst weer scherp: bovenhands setten.
Veelgestelde vragen
Waar moet je de bal leggen als de pass ver van het net komt?
Hoger dan normaal, verder van het net en meer naar buiten - anderhalve tot twee meter van het net richting positie 4. Je aanvaller kan zo nog een volledige aanloop maken en het blok kan er niet bovenop staan.
Wanneer set je onderarms in plaats van bovenhands?
Zodra je de bal niet meer boven je voorhoofd kunt nemen, dus bij een lage of harde bal en bij ballen die je alleen sprintend haalt. Richt dan veel hoger dan bij een pass en haal de kracht uit je beenstrekking.
Mag je eenhandig setten?
Ja, zolang het één kort contact is en de bal niet blijft liggen of wordt meegenomen. Met de vingertoppen heb je de meeste controle; met de knokkels van een halve vuist loop je geen risico op een gedragen bal.
Wie speelt de tweede bal als de spelverdeler er niet bij kan?
Spreek dat vooraf af: meestal de aanvaller op positie 4 of de speler die het dichtst bij de bal staat. Belangrijker dan wie het is, is dat de spelverdeler het vroeg roept zodra hij weet dat hij hem niet haalt.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach

