Volleybal enkelblessure: 5 criteria voor terugkeer | Koach
Open de app
Kennisbank · Coachvak & fysiek

Volleybal enkelblessure: 5 criteria voor terugkeer

Drie weken geleden landde ze onder het blok op de voet van de middenaanvaller. De enkel is niet meer dik, ze loopt normaal en ze wil zaterdag spelen. Overal lees je "vier tot zes weken", maar dat getal zegt niets over déze enkel. Wat je nodig hebt is geen kalender maar een toets — vijf toetsen, om precies te zijn, die je zelf langs de lijn afneemt.

Leestijd: 8 min

Wat er verrekt is: graad I, II en III

De meeste volleybalverzwikkingen gaan op dezelfde manier: de voet klapt naar binnen en de banden aan de buitenkant van de enkel rekken verder dan ze aankunnen. Bahr en Bahr beschreven in het Scandinavian Journal of Medicine & Science in Sports (1997) de enkelverzwikking als de meest voorkomende acute blessure in volleybal, met het net als plaats delict: landen op de voet van een blokkeerder of een aanvaller. Onthoud dat mechanisme, want het bepaalt waar je terugkeer eindigt.

Sportartsen delen zo'n verzwikking grofweg in drie graden in. Je stelt die indeling niet vast — dat doet een arts of fysiotherapeut — maar je hebt er wel iets aan, omdat de drie zich langs de lijn heel verschillend gedragen:

Wat je er in de zaal mee doet, is bescheiden: je noteert wat je zag (het moment, of de speler nog kon staan, hoe snel de zwelling kwam) en je stuurt door. Wat je er níét mee doet, is zelf de graad bepalen en daar weken aan plakken. De graad is namelijk maar een grove voorspeller: er zijn graad II-enkels die snel weer alles doorstaan en graad I-enkels die maanden later nog wiebelen.

De eerste 48 uur: wat jij doet en wat je laat

In het uur na de verzwikking heb je twee taken. De eerste is bepalen of dit meteen naar een arts moet. Stuur direct door als de speler niet vier stappen kan zetten — niet in de zaal en niet een uur later — of als er pijn op het bot zelf zit, op de punt of de achterrand van een van de enkelknobbels. Dat zijn de signalen uit de Ottawa-enkelregels (Stiell e.a., 1992), de vuistregel waarmee een arts bepaalt of er een foto nodig is. Ook doorsturen bij een enkel die zichtbaar scheef staat, bij gevoelloosheid of tintelingen in de voet, en bij een speler die binnen een half uur een enkel heeft ter grootte van een tennisbal.

De tweede taak is voorkomen dat er de komende twee dagen iets doms gebeurt. De sportmedische praktijk is de laatste jaren afgestapt van "rust en ijs tot het over is". Dubois en Esculier vatten dat in het British Journal of Sports Medicine (2020) samen als PEACE & LOVE: bescherm de eerste dagen, leg de enkel omhoog, gebruik compressie, maar ga daarna zo snel als de pijn toelaat weer belasten en bewegen. Vertaald naar wat een coach concreet zegt en doet:

Gebeurt het tijdens een wedstrijd, dan heeft de scheidsrechter zijn eigen protocol: hersteltijd, wissels en de uitzonderlijke wissel staan beschreven in blessure tijdens de wedstrijd. Laat je door de stand nooit verleiden tot een speler die "het nog wel probeert" — een enkel die net verzwikt is, verzwikt makkelijk opnieuw.

Waarom "vier tot zes weken" het verkeerde antwoord is

Een tijdvak klinkt geruststellend en is voor een coach vrijwel onbruikbaar, om drie redenen. Ten eerste weet je zelden welke dag je moet tellen: veel spelers melden een verzwikking pas als hij niet vanzelf wegtrekt. Ten tweede geneest weefsel niet volgens een agenda maar volgens belasting. En ten derde meet een datum niet wat je wilt weten. Je wilt niet weten of de banden hersteld zijn — je wilt weten of deze enkel een landing op één been aankan terwijl er iemand tegen de schouder duwt.

Daarom vervang je de vraag "hoeveel weken?" door "welke toets is nog niet gehaald?". Dat verandert ook het gesprek met de speler. "Je mag nog niet" is een oordeel waar hij tegenin gaat; "je haalt de eenbenige landing nog niet, dus die trainen we deze week" is een opdracht waar hij mee aan de slag kan — en dat scheelt bij een speler die van zijn eerste blessure onzeker is geworden, zie zelfvertrouwen terugbouwen.

De vijf toetsen die je zelf langs de lijn afneemt

Dit zijn vijf checks waar je geen apparatuur voor nodig hebt en die samen een minuut of tien kosten. Ze meten precies wat volleybal van een enkel vraagt: kracht, controle, balans en richtingsverandering. Neem ze af aan het eind van een training, niet aan het begin — een uitgeruste enkel doorstaat dingen die een vermoeide enkel niet aankan, en jij hebt de vermoeide versie nodig.

  1. Tien keer hinken op één been, zonder pijn. Op de geblesseerde voet, ter plekke, tien lage hupjes achter elkaar. Geslaagd: geen pijn tijdens, geen toename de volgende ochtend, en geen zichtbare aarzeling vlak voor de landing. Aarzelen telt als gezakt — het lichaam beschermt iets.
  2. Tien keer enkelbenig springen en landen met stop. Maximale sprong vanaf één been, landen op datzelfde been, drie tellen doodstil. Geslaagd: tien keer achter elkaar, met links en rechts vergelijkbare hoogte. Een extra stap, een hand tegen de muur of duidelijk wiebelen is gezakt.
  3. Tenengang en hielgang, tien meter elk. Op de tenen tien meter heen, op de hakken tien meter terug. Geslaagd: gelijkmatig tempo, de hiel komt aan beide kanten even hoog en de voet draait niet naar buiten om de pijnlijke kant te ontzien.
  4. Balans op één been met de ogen dicht, tot dertig seconden. Handen in de zij, ogen dicht. Meet eerst het gezonde been: dat is de norm van deze speler, niet een getal uit een boekje. Geslaagd: het geblesseerde been houdt het even lang vol met ongeveer evenveel correcties. Scheelt het meer dan een paar seconden, of zwaait de speler zichtbaar meer, dan is de aansturing nog niet terug.
  5. Sprint-stop-draai (vijf keer) plus één zigzag. Vijf meter sprinten, afremmen op het geblesseerde been, 180 graden over dat been draaien, terug. Daarna één keer een zigzag langs vier pylonen op volle snelheid. Geslaagd: geen inhouden vlak voor de stop en geen kortere pas op de aangedane kant.

Belangrijk: dit is een terugkeer-naar-trainen-check, geen diagnose. Deze vijf toetsen vertellen je of het verantwoord is om de belasting te verhogen. Ze vertellen je niet of de band genezen is, ze vervangen de behandelend fysiotherapeut niet en ze zeggen niets over de vraag of er iets anders aan de hand is. Zakt een speler herhaaldelijk op dezelfde toets, of komt de zwelling terug na een training, dan is dat geen reden om harder te oefenen maar om terug te verwijzen.

Notitiescherm met per speler een korte aantekening over de enkel en de belasting van die training
Noteer per training welke toets gehaald is en hoe de enkel de ochtend erna was — na drie weken zie je in een handvol regels of het de goede kant op gaat.

Van toets naar schema: de terugkeer in vijf fases

De toetsen hierboven zijn de poorten in dit schema: elke fase heeft er één. De eerste en de laatste poort staan niet in het rijtje van vijf — dat zijn pijnvrij lopen aan het begin en twee volledige trainingen met netcontact aan het eind. Per fase minimaal één volledige training, en je gaat pas door als de toets is gehaald én de ochtend erna niets is toegenomen. Die ochtend is de echte scheidsrechter: hoe een enkel aanvoelt na afloop zegt weinig, hoe hij aanvoelt bij de eerste stappen uit bed zegt alles.

Reken erop dat fase 1 tot en met 3 vlot gaan en dat fase 4 en 5 de tijd kosten. Daar wordt ook het meest gesmokkeld: de speler voelt zich alweer prima en het team mist hem.

De fase die iedereen overslaat

Kijk terug naar het mechanisme: deze enkel ging kapot bij een landing op andermans voet, onder het blok of over de middenlijn. Alles wat je tot en met fase 4 traint, gebeurt op een lege vloer. Wie alle vijf de toetsen haalt maar nog nooit opnieuw naast iemand is geland, is niet getest op de situatie die het de vorige keer deed.

Bouw die situatie dus expliciet op: eerst blokken naast een teamgenoot met afstand, dan blokken tegen een aanvaller die op tempo aanvalt, dan spelvormen over de middenlijn met de harde afspraak dat niemand doorstapt. In diezelfde week hoort het gesprek over durf. Wie in fase 5 zichtbaar wegdraait van het blok, is technisch hersteld maar mentaal niet — en dat los je niet op door hem harder te laten trainen.

Kernpunt: tel geen weken maar toetsen. Een speler mag door naar de volgende fase als hij de toets van die fase haalt én de ochtend erna niets is toegenomen — en pas wedstrijdminuten als hij twee volledige trainingen met blok- en netcontact heeft doorstaan.

Het jaar erna: de terugkeer eindigt niet bij de eerste training

De grootste voorspeller van een enkelverzwikking is een eerdere enkelverzwikking, en dat risico is het hoogst in de eerste maanden tot ongeveer een jaar erna. Wie de speler op de dag van zijn terugkeer afvinkt, doet precies de helft van het werk. Twee dingen horen daarna een seizoen lang te blijven staan.

Een balansblok. Verhagen e.a. onderzochten in het American Journal of Sports Medicine (2004) een balansprogramma bij Nederlandse volleyballers en vonden dat het aantal enkelverzwikkingen daalde, met het duidelijkste effect bij spelers die eerder een enkelblessure hadden gehad. Praktisch: vijf minuten balanswerk, drie keer per week, minstens drie maanden lang. Eén been met de ogen dicht, één been op een instabiele ondergrond, één been terwijl een teamgenoot ballen toegooit, en eenbenige landingen met stop. Zet het als vast onderdeel in je warming-up in plaats van als huiswerk mee te geven — huiswerk verdampt na drie weken, een blok in het sjabloon niet. Sterke kuiten en bovenbenen helpen daarbij; hoe je die opbouwt staat in krachttraining voor volleyballers.

Steun aan de enkel voor de rest van het seizoen. Voor spelers met een verzwikking in het lopende seizoen is een brace of tape zinvol als hervalpreventie; voor spelers zonder voorgeschiedenis is dat een heel andere afweging. Welke vorm past en hoe lang, bespreek je met de fysiotherapeut — dat is geen keuze die je in de zaal maakt. Het bredere preventieverhaal, inclusief netdiscipline en de afspraak over doorstappen onder het net, staat in blessurepreventie in volleybal.

Let ten slotte op de eerste weken na de volledige terugkeer. Een speler die weken niet gesprongen heeft, staat ineens weer op de volledige sprongbelasting van trainingen én wedstrijden; die sprong in belasting is een risico op zich. Verhoog het aantal wedstrijdsets geleidelijk en reken op een periode van stijve benen, waarvoor herstel na de training nu meer waard is dan gewoonlijk.

Wat je vastlegt, en waarom dat geen bureaucratie is

Deze hele aanpak valt of staat bij vier regels per training: datum, welke fase, welke toets geprobeerd, en hoe de enkel de ochtend erna was. Meer is het niet. Leg je dat vast in de spelersnotities in Koach, dan zie je zwart-op-wit of het vooruitgaat of stilstaat, heb je bij de volgende afspraak met de fysiotherapeut iets concreters dan "het gaat wel", en kun je bij een tweede verzwikking terugkijken naar wat er de vorige keer werkte.

Het levert bovendien een beslissing op die niemand kan betwisten. Een ouder die vraagt waarom zijn dochter zaterdag nog niet speelt, krijgt geen gevoel te horen maar een toets die nog niet gehaald is en de week waarin dat waarschijnlijk wel lukt.

Veelgestelde vragen

Hoe lang duurt het voordat je na een verzwikte enkel weer kunt volleyballen?

Dat is per speler verschillend en niet in weken te plannen; de graad van de verzwikking is maar een grove voorspeller. Werk daarom met toetsen in plaats van met een datum: hinken op één been, eenbenig springen en landen, tenengang en hielgang, balans met de ogen dicht en sprint-stop-draai. Het moment van terugkeer bepaalt de behandelend fysiotherapeut of arts; jouw toetsen bepalen alleen wanneer je de belasting in de zaal verhoogt.

Wanneer moet een speler met een verzwikte enkel naar de dokter?

Direct als hij geen vier stappen kan zetten, als er pijn op het bot zelf zit op de punt of achterrand van een enkelknobbel, als de enkel scheef staat of als er gevoelloosheid of tintelingen in de voet zijn. Ook bij forse zwelling binnen een half uur of een enkel die los aanvoelt. Bij twijfel altijd doorsturen: een gemiste breuk kan maanden kosten.

Mag een speler met een verzwikte enkel meetrainen?

Meestal wel, maar niet aan alles. Zodra hij pijnvrij kan lopen, kan hij techniekwerk op een vaste plek doen, serveren en rompwerk; springen, verplaatsen en netcontact volgen in latere fases. Blijf hem laten komen — aanwezigheid houdt hem bij het team en geeft jou zicht op hoe het herstel loopt.

Moet ik ijs op een verzwikte enkel doen?

IJs verdooft de pijn; dat het het herstel versnelt, is niet aangetoond. De huidige sportmedische lijn (Dubois en Esculier, British Journal of Sports Medicine, 2020) legt de nadruk op beschermen, hoogleggen en compressie in de eerste dagen, en daarna zo snel als de pijn toelaat weer belasten en bewegen. Langdurige volledige rust maakt de enkel stijf en zwak.

Wat is de kans dat dezelfde enkel opnieuw verzwikt?

Verhoogd, en het hoogst in de eerste maanden tot ongeveer een jaar na de blessure. Daarom stopt de terugkeer niet bij de eerste training: plan een balansblok van vijf minuten, drie keer per week gedurende minstens drie maanden, en bespreek met de fysiotherapeut of een brace of tape voor de rest van het seizoen zinvol is.

Mijn speler haalt alle toetsen maar durft niet te blokkeren. Wat nu?

Dan is hij fysiek klaar en mentaal niet, en dat los je niet op met meer belasting. Bouw het netcontact in stappen op: eerst blokken naast een teamgenoot met ruimte, dan tegen een aanvaller op tempo, dan spelvormen over de middenlijn met een harde afspraak dat niemand doorstapt. Benoem het hardop en geef hem twee trainingen de tijd; blijft de aarzeling, bespreek het dan met de fysiotherapeut.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach