Vingers tapen bij volleybal: wanneer wel en wanneer niet | Koach
Open de app
Kennisbank · Coachvak & fysiek

Vingers tapen bij volleybal: wanneer wel en wanneer niet

Een speler trekt haar hand terug, schudt hem uit en kijkt naar de zijlijn. In je tas ligt een rol tape en de verleiding is groot om die er meteen omheen te draaien. Maar tape is niet de eerste handeling; het is de derde. Eerst moet je weten of dit wel een vinger is die je mag tapen — en dat kost je drie vragen en een paar minuten.

Leestijd: 8 min

Tape is stap drie, niet stap één

Tape kan precies twee dingen. Een buddytape plakt een pijnlijke vinger vast aan zijn buurman, zodat het gewricht niet meer opzij kan knikken of naar achteren kan doorbuigen. Een duimanker begrenst hoe ver de duim van de hand af kan bewegen. Meer is het niet. Tape geneest niets, tape houdt geen gebroken kootje bij elkaar en tape maakt van een afgescheurde pees geen werkende pees. Het is een beugel, geen behandeling.

Daarom is de eerste vraag langs de lijn nooit "hoe tape ik dit", maar "mag ik dit tapen". Wie die volgorde omdraait, plakt vroeg of laat een vinger dicht die eigenlijk op een röntgenfoto had gemoeten — en dan is de tape niet nutteloos maar schadelijk, omdat de speler doorspeelt op iets wat rust nodig had. Waaróm er in jouw zaal zoveel vingers omgaan, is trouwens een heel ander gesprek: dat is zelden pech en meestal techniek. Dat verhaal staat in bovenhands spelen leren zonder zere vingers.

Kijken, knijpen, spelen: de drie vragen langs de lijn

Doe deze test niet in de eerste seconden. Laat de speler even bijkomen — twee minuten, hand omhoog, eventueel al koelen — want in de eerste schrik trekt iedereen terug bij elke aanraking en meet je niets. Stel daarna in deze volgorde drie vragen. Samen ben je er een paar minuten mee bezig.

  1. Staat de vinger recht? "Leg je twee handen naast elkaar op de bank, palmen omlaag." Je vergelijkt altijd met dezelfde vinger van de andere hand, van bovenaf én van opzij. Laat daarna langzaam een vuist maken: alle vier de vingertoppen horen naar ongeveer hetzelfde punt in de handpalm te wijzen. Kruist er één over zijn buurman heen, staat een knokkel uit de lijn of hangt het topje slap naar beneden, dan stopt de test hier.
  2. Zit er kracht in? "Strek je vinger helemaal, zonder dat ik hem help." Daarna: houd het middelste kootje vast en vraag of ze alleen het topje kan buigen. En tot slot de knijp: "Knijp in twee van mijn vingers, zo hard als je kunt" — eerst de gezonde hand, dan de pijnlijke, zodat je het verschil voelt in plaats van erover te praten. Bij de duim doe je hetzelfde met een velletje papier tussen duim en wijsvinger: jij trekt, zij houdt vast.
  3. Kan ze nog spelen? Dit beantwoordt de bal, niet het gesprek. Laat de speler zichzelf drie ballen rustig opgooien en bovenhands terugspelen, en daarna vijf keer onderarms. Wat je niet doet, is "gewoon meedoen en kijken hoe het gaat" — dan is de test een harde service uit rotatie 1 en heb je geen test maar een tweede blessure.

Drie keer een duidelijk ja: tapen mag, en de rest van dit artikel gaat over hoe. Eén keer twijfel of nee: lees eerst de volgende paragraaf.

De uitsluitingslijst: dit is geen tapeklus

Bij de volgende signalen is tape het verkeerde gereedschap. Niet omdat het pijn doet — pijn is een slechte meetlat — maar omdat ze wijzen op iets aan het bot, het gewricht of de pees dat een professional moet zien.

Wat je in die gevallen wél doet: haal de ring eraf voordat de vinger dik wordt, koel tien tot vijftien minuten met een doek ertussen, laat de hand hoog houden en zorg dat de speler dezelfde dag langs de huisarts of de spoedpost gaat. Bij jeugd is de drempel lager dan bij volwassenen, omdat er in de vingerkootjes van kinderen groeischijfweefsel zit; wat je verder rond klachten en herstel afspreekt, staat in blessurepreventie bij volleybal.

Notitiescherm in de Koach-app met een korte aantekening per speler, met datum
Noteer dezelfde avond welke vinger het was, wat je zag en wat je deed. Bij de volgende keer is dat het verschil tussen gokken en weten.

Wat er in je tas hoort

Voor vingers tapen bij volleybal heb je weinig nodig, maar wel het juiste.

Twee vingers samen meten rond de onderste kootjes ongeveer tien centimeter, dus reken op stripjes van een centimeter of twintig: dan kom je twee keer rond. Je scheurt ze allebei uit hetzelfde stuk tape, dus één buddytape kost je twintig centimeter van de rol — een rol van tien meter is daarmee goed voor ongeveer vijftig keer. Controleer aan het begin van het seizoen of de tape nog plakt; een rol die een zomer in een warme auto heeft gelegen, plakt vaak niet meer. Plak nooit op een natte of bezwete hand: eerst droogdeppen, anders zit je halverwege de training opnieuw te tapen.

Buddytape stap voor stap

  1. Kies de buurvinger. Altijd de directe buurman: wijsvinger aan middelvinger, pink aan ringvinger. Is de ringvinger zelf het probleem, dan heb je de keuze tussen pink en middelvinger — neem de middelvinger, want die is langer en sterker en geeft meer steun. Sla nooit een vinger over en koppel nooit aan de duim.
  2. Leg iets tussen de vingers. Een strookje schuimrubber of een gevouwen gaasje. Huid op huid gaat schuren, en bij zweet levert dat binnen één training een rauwe plek op.
  3. Scheur twee stripjes van ongeveer twintig centimeter, halve breedte.
  4. Plak de eerste strip bóven het pijnlijke gewricht en de tweede eronder. Dit is de stap waar het meestal misgaat: tape nooit over het gewricht zelf. Dan zet je het vast in plaats van dat je het steunt, en kan de speler de vinger niet meer buigen.
  5. Twee slagen rond beide vingers, de tweede een halve breedte naast de eerste, en niet strakker dan nodig om de vingers tegen elkaar te houden.
  6. Controleer meteen. Laat een vuist maken: beide vingers moeten samen tot in de handpalm kunnen buigen. Druk daarna op de nagel tot hij wit wordt — binnen twee seconden hoort de kleur terug te zijn. Vraag na een minuut of het klopt of tintelt.

Doe daarna nog één ding: kijk na de warming-up opnieuw. Handen zwellen op zodra ze warm worden, en een tape die om zeven uur goed zat, knelt om twintig over zeven. Besef ook wat buddytape níét doet: het beschermt niet tegen een nieuwe klap recht op de vingertop. Wie de vinger opliep bij het blok, is met tape niet ineens weer klaar voor precies die actie — daar helpt alleen andere handstand en betere timing, zie blokkeren.

Het duimanker voor de duimbasis

De duim is een ander verhaal dan een vinger. Pijn aan de binnenkant van de duimbasis, na een duim die naar buiten is weggeklapt bij een blok of een val, hoort in de uitsluitingslijst hierboven: dat laat je nakijken. Het duimanker is er voor de duim die de drie vragen wél doorstaat — gevoelig, maar recht, sterk en bruikbaar — of voor de speler die eerder een duim heeft overstrekt en steun wil bij het blokkeren.

  1. Polsanker. Eén baan van 3,8 cm rond de pols, losjes: er moet een vinger tussen kunnen. Laat de uiteinden elkaar twee tot drie centimeter overlappen, trek de baan niet strak dicht.
  2. Zet de duim in de stand die je wilt vasthouden: licht naar de handpalm toe, alsof de speler een bal vasthoudt. Nooit tapen in de uiterste stand, want dan fixeer je precies de houding die je wilt vermijden.
  3. Strip één (2,5 cm, halve breedte): van het anker aan de duimzijde van de pols, over de rug van de duimbasis, rond het onderste duimkootje en terug naar het anker.
  4. Strip twee volgt dezelfde route langs de andere kant, zodat de twee elkaar bij de duimbasis kruisen in een X.
  5. Strip drie loopt als een halve acht rond het zwemvlies tussen duim en wijsvinger. Dit is de strip die het wegklappen naar buiten echt tegenhoudt. Maak nooit een gesloten ring rond de duim zelf.
  6. Sluit af met een tweede polsanker over alle uiteinden heen.

De test is functioneel: de speler moet de duimtop nog tegen de top van de pink kunnen zetten en een bal kunnen omvatten. Lukt dat niet, dan zit het te strak of te ver naar buiten. Tegelijk moet de duim duidelijk minder ver opzij te bewegen zijn dan aan de andere hand — anders heb je hem versierd, niet gesteund.

Hoe strak, hoe lang, en wanneer het eraf gaat

Strak genoeg is: de vingers blijven tegen elkaar, de nagel kleurt binnen twee seconden terug en er is geen tinteling. Klaagt een speler halverwege over een doof gevoel, dan gaat de tape eraf — niet losser getrokken, eraf. Na de training of wedstrijd haal je hem sowieso weg; met tape slapen is nergens goed voor. Trek hem los in de lengterichting van de vinger, niet met een ruk dwars, en gebruik een onderlaagje bij een rode of gevoelige huid.

Hoe lang je blijft tapen, bepaalt de behandelaar en niet de kalender. De lijn is: alleen tijdens het sporten tapen, en afbouwen zodra de vinger het zonder aankan. Wordt de pijn na een week niet minder, dan is dat een reden om alsnog te laten kijken. Let op één misverstand: een verstuikt vingergewricht kan nog weken tot maanden dikker aanvoelen dan zijn buurman. Dat op zichzelf is geen reden om te blijven tapen.

Nog iets voor de wedstrijddag: wat een speler aan de hand mag dragen, verschilt per bond en per competitie. Tape geeft meestal geen probleem; hard materiaal zoals een spalkje, een brace met metaal of een ring vaak wel. Controleer dat bij je eigen bond voordat een speler gespalkt het veld in stapt, en spreek vooraf af hoe je omgaat met een speler die niet volledig fit is — daarover gaat een geblesseerde speler tijdens de wedstrijd.

De vinger die elke week terugkomt, verbergt een techniekfout

Tot slot het punt dat verder reikt dan deze ene avond. Tape is verzorging van een incident. Wordt het routine, dan meet je iets anders: een pass- of settechniek die niet klopt, of een organisatie die de fout uitlokt. Hanteer een simpele grens. Dezelfde speler drie keer in zes weken, of drie spelers uit één team in één maand — dan ga je niet meer tapen, dan ga je kijken.

Kijken doe je op het moment zelf: bij welke actie gaat het mis? Een vinger die omgaat bij het bovenhands ontvangen van een harde bal wijst naar de handen en het contactmoment, en dat repareer je via de bovenhandse techniek, niet via een rol tape. Bij jeugd ligt de oorzaak vaak in de opbouw en het materiaal; die vier oorzaken en de opbouw in zes stappen staan uitgewerkt in bovenhands spelen leren aan kinderen. Gaat het vooral mis bij het blok, dan is het een kwestie van handstand, spanning in de vingers en het moment van springen.

Om zo'n patroon te zien heb je geheugen nodig dat verder reikt dan drie weken. Noteer per speler de datum, welke vinger en wat je deed — in een schriftje of bij de speler in Koach, zolang het maar op één plek staat. Zie spelersnotities bijhouden voor hoe je dat kort houdt. En wees terughoudend met preventief alle vingers dichttapen: dat maakt handen stijver in een sport waarin de vingers juist moeten veren, en het haalt de aanleiding weg om de echte oorzaak op te lossen.

Wat je vóór het seizoen regelt

Belangrijk: dit artikel beschrijft algemene principes en verzorging langs de lijn, geen behandeladvies. Tape houdt een vinger recht, het geneest niets. Bij een vinger die scheef staat, niet actief te strekken is, gevoelloos aanvoelt of na een week nog pijn doet: laat de speler naar een (sport)fysiotherapeut of arts gaan, en laat die bepalen wanneer hij weer volledig meedoet.

Veelgestelde vragen

Welke tape gebruik ik om vingers te tapen?

Niet-elastische sporttape van 2,5 cm breed, in de lengte doormidden gescheurd tot ongeveer 1,2 cm. Alleen die soort begrenst het doorbuigen. Elastische tape rekt mee en houdt dus niets tegen; die gebruik je hooguit om iets op zijn plek te houden.

Mag een speler met een getapete vinger gewoon meedoen?

Alleen als de vinger recht staat, zelf te strekken en te buigen is, er kracht in de knijp zit en de speler drie ballen rustig bovenhands kan spelen zonder terug te trekken. Ontbreekt een van die vier, dan is tape niet de oplossing maar uitstel. Laat de vinger dan dezelfde dag nakijken.

Hoe lang moet ik een vinger buddytapen?

Alleen tijdens het sporten, en je bouwt af zodra de vinger het zonder aankan. Hoe lang dat duurt, bepaalt de behandelend arts of fysiotherapeut en niet de kalender. Haal de tape na elke training eraf en slaap er nooit mee. Pijn die na een week niet afneemt, is een reden om alsnog te laten kijken.

Mijn speler heeft pijn aan de duimbasis en kan niet knijpen — kan ik dat tapen?

Nee. Pijn aan de binnenkant van de duimbasis in combinatie met een zwakke knijp of een duim die los aanvoelt, hoort bij een arts en niet bij een rol tape. Het duimanker is bedoeld voor een duim die gevoelig maar verder recht, sterk en bruikbaar is, of als steun voor iemand die eerder een duim overstrekte.

Hoe weet ik of ik te strak heb getapet?

Druk op de nagel tot hij wit wordt: binnen twee seconden hoort de kleur terug te zijn. Verder moeten beide vingers samen tot in de handpalm kunnen buigen. Tintelingen, een doof gevoel of een verkleurd topje betekenen: tape eraf, niet losser trekken. Controleer altijd nog een keer na de warming-up, want warme handen zwellen op.

Mag een spalkje of een brace aan de vinger tijdens een wedstrijd?

Dat verschilt per bond en per competitie. Tape geeft meestal geen probleem; hard materiaal zoals een spalk, metaal of een ring vaak wel. Controleer het bij je eigen bond voordat de wedstrijddag er is, zodat je speler niet bij de opstelling wordt teruggestuurd.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach