De eerste training: oefeningen die het niveau tonen
De eerste training van het seizoen is je enige moment met een schone lei: je weet nog niets, dus je ziet nog alles. Wie die avond gebruikt om te kijken in plaats van te trainen, heeft de rest van het jaar een voorsprong.
Waarom een test averechts werkt
De verleiding is groot om een meetprotocol af te draaien: tien services tellen, twintig passes scoren, sprongkracht meten. Het probleem is dat je dan meet hoe iemand presteert in een testsituatie op de eerste avond van het seizoen — met zenuwen, onbekende medespelers en drie maanden zomer in de benen. Dat cijfer zegt weinig over wat die speler in maart waard is.
Bovendien kost het je iets. Nieuwe spelers die zich op dag één beoordeeld voelen, gaan op zeker spelen: veilig serveren, niet in de weg lopen, geen risico. Precies het gedrag dat je níet wilt zien, want dan weet je nog steeds niet wat ze kunnen. Kies daarom oefeningen die vanzelf sorteren en zeg er niets over. Wat je uiteindelijk noteert, hoort thuis bij de speler zelf — zoals beschreven in spelersnotities bijhouden.
Vier oefeningen die vanzelf sorteren
1. Tweetallen opbouwend (12 min). Overspelen bovenhands, dan onderarms, dan aanval-verdediging op elkaar. Je ziet in vijf minuten wie een stabiel platform heeft, wie zijn vingers durft te gebruiken en wie na drie contacten de bal kwijt is. Loop rond en kijk naar de voeten, niet naar de armen: wie stilstaat en reikt, staat aan het begin.
2. Serviceserie van tien (10 min). Iedereen tien services vanaf de achterlijn, hardop tellend hoeveel er binnen vallen. Geen zones, geen druk. Dit is het enige onderdeel waar je een hard getal krijgt, en het is bruikbaar: onder de zes van de tien betekent dat servicetechniek de rest van het seizoen op het programma staat.
3. Aanval op aangooi (15 min). Vaste, hoge aangooi vanaf positie 3, iedereen vijf aanvallen vanaf positie 4. Je let op drie dingen: komt er een aanloop met drie passen, wordt er gesprongen, en raakt de hand de bal boven het hoofd. Dat zijn drie duidelijke ja-of-nee-vragen. De achterliggende techniek staat in het drie-pas ritme.
4. Drie tegen drie op half veld (25 min). De belangrijkste van de vier. In een klein spel zie je wat je in geen enkele oefening ziet: wie roept, wie de bal opeist, wie zich verstopt, wie een keuze maakt onder tijdsdruk en wie na een fout zijn schouders laat hangen. Wissel de teams elke vijf minuten door, zodat je iedereen naast iedereen ziet spelen.

Wat je precies noteert
Houd het kort en houd het gelijk voor iedereen, anders kun je het over vier maanden niet vergelijken. Drie regels per speler volstaan:
- Techniek: per onderdeel (pass, set, service, aanval, verdediging) een cijfer van 1 tot 3 — 1 is aanleren, 2 is werkt onder rust, 3 is werkt onder druk.
- Speleigenschap: één zin over wat je zag in het 3-tegen-3. "Roept niet, maar leest het spel goed" is bruikbaarder dan een cijfer.
- Vraag: wat je nog niet weet. "Kan hij ook links aanvallen?" of "hoe reageert hij op een tegenstander die beter is?"
Die derde regel is de nuttigste. Een eerste training beantwoordt nooit alles, en de vragen die je opschrijft sturen waar je de tweede en derde training naar kijkt.
De nulmeting terugpakken
Een nulmeting die je nooit meer openslaat, is verspilde moeite. Zet in je agenda een moment halverwege het seizoen — rond de winterstop is logisch — om de drie regels per speler naast je huidige beeld te leggen. Bijna altijd verrast dat: spelers van wie je dacht dat ze stilstonden, blijken twee onderdelen te hebben opgeschoven, en de speler die in september uitblonk is soms precies waar hij was. Voor het bredere gesprek dat daaruit volgt is het evaluatiegesprek de plek, en voor het samenstellen van je groepen de selectie samenstellen.
Drie valkuilen bij het beoordelen
- De lengte-illusie. Lange spelers zien er op een eerste training beter uit dan ze zijn, korte spelers slechter. Kijk naar de techniek van het balcontact, niet naar het bereik.
- De positieval. Iemand die als spelverdeler slecht oogt, kan een uitstekende passer zijn. Laat op de eerste avond niemand op een vaste positie staan.
- De eerste indruk die blijft plakken. Wie op avond één een slechte dag heeft, draagt dat maandenlang mee als je je oordeel niet herziet. Daarom die derde regel met de openstaande vraag.
Zeg gewoon dat je kijkt. "Vanavond speel ik weinig en kijk ik veel, zodat ik weet waar we in oktober aan gaan werken" is eerlijker dan doen alsof het een gewone training is — en het haalt de spanning eruit in plaats van hem op te bouwen.
Veelgestelde vragen
Moet ik op de eerste training al cijfers geven?
Cijfers voor jezelf wel, cijfers voor de spelers niet. Een schaal van 1 tot 3 per onderdeel helpt je later vergelijken; het delen van die cijfers op dag één levert vooral spanning op en geen betere training.
Hoeveel trainingen heb ik nodig om het niveau echt te kennen?
Drie tot vier. De eerste geeft een grove indeling, de volgende twee corrigeren je eerste indruk en laten zien hoe iemand reageert op correctie — dat laatste is voor een coach vaak waardevoller dan de techniek zelf.
Werkt dit ook bij een selectiedag met veel onbekende spelers?
Ja, maar houd de groepen dan klein en laat iedereen in wisselende samenstellingen spelen. Bij een echte selectiedag wil je bovendien met een tweede paar ogen kijken, zodat je je oordeel kunt toetsen.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach

