Oefeningen buitenaanvaller: aanloop, timing en die ene slag | Koach
Open de app
Kennisbank · Trainingen

Oefeningen buitenaanvaller: aanloop, timing en die ene slag

De buitenaanvaller krijgt in een gemiddelde wedstrijd zo'n veertig procent van alle aanvallen, en een groot deel daarvan uit een pass die niet klopt. Zijn training zou dat moeten weerspiegelen — en dat doet hij bij de meeste teams niet.

Leestijd: 7 min

Wat de buitenaanvaller in de wedstrijd echt moet doen

Voordat je oefeningen kiest, is het nuttig om te weten hoe zijn ballen eruitzien. Een buitenaanvaller op amateurniveau krijgt grofweg drie soorten:

Als je dat naast een gemiddelde aanvalstraining legt — twintig hoge ballen uit een perfecte aangooi vanaf positie 3, zonder blok — zie je meteen waar de mismatch zit. Bijna de helft van zijn wedstrijdballen komt in de training nooit voor. In Koach kun je een trainingsblok bouwen dat alleen je buitenaanvallers draaien en de juiste oefeningen er meteen in zetten.

Oefening 1: de aanloop los (10 min)

Verloop: zonder bal, tien aanlopen langs de zijlijn met het drie-pas ritme (links-rechts-links voor een rechtshandige, eindigend met de laatste twee passen snel en laag). Daarna tien aanlopen met een armzwaai die eindigt in de sprong. Correctie: de laatste pas te kort en te hoog, waardoor de speler recht omhoog springt in plaats van door de bal. Kijk naar de hakken: bij een goede laatste pas komt de hiel neer voordat de afzet begint. De volledige beschrijving staat in het drie-pas ritme.

Oefening 2: timing op de hoge bal (15 min)

Opstelling: spelverdeler op positie 3, aanvaller op positie 4, ballen aan de kant. Verloop: vijftien sets, waarbij de aanvaller pas mag vertrekken op het moment dat de spelverdeler de bal raakt — daarna vijftien waarbij hij op de pass vertrekt. Het verschil voelt hij zelf. Telling: hoeveel ballen hij op zijn hoogste punt raakt met een gestrekte arm. Waarom: te laat vertrekken is de meest voorkomende fout, en de moeilijkste om af te leren omdat hij veilig aanvoelt.

Trainingsprogramma in de Koach-app met een blok dat aan een specifieke groep spelers is toegewezen
Een blok dat alleen je buitenspelers draaien: zet de positiegerichte oefeningen erin en de rest van de groep werkt ondertussen door.

Oefening 3: de noodbal (15 min)

Verloop: de spelverdeler zet bewust slecht — te ver van het net, te ver naar achteren, of te laag. De aanvaller moet er iets van maken. Telling: geen fout is één punt, bal in het veld twee punten, aanvalspunt drie punten. Correcties: bij een bal ver van het net niet vol slaan maar hoog en diep spelen; bij een lage bal de aanloop inkorten in plaats van te wachten; bij een bal achter het hoofd de schouders draaien en over de zijlijn afwerken. Waarom: dit is bijna de helft van zijn wedstrijdballen, en de enige oefening waarin hij leert dat een noodbal niet automatisch een verloren rally is. Meer over die situaties in out of system spelen.

Oefening 4: slaghoeken en de tipbal (15 min)

Opstelling: een blokkeerder die willekeurig de lijn of de diagonaal sluit, twee matten op de vloer (lijn diep en diagonaal kort). Verloop: de aanvaller moet in de open ruimte spelen. Telling: mat is twee punten, veld is één, blok of uit is nul. Fase 2: de tipbal erbij — de aanvaller mag ook net achter het blok prikken, wat twee punten oplevert als de bal binnen drie meter van het net valt. Correctie: aanvallers die hun keuze al maken tijdens de aanloop. De blokkeerder moet gelezen worden in de lucht, niet vanaf de grond. De technieken staan in prikbal en tip.

Oefening 5: aanvallen na eigen receptie (18 min)

Verloop: service van de overkant, de buitenaanvaller past zelf en loopt daarna zijn eigen aanval. Twaalf ballen per speler. Telling: alleen de rally's tellen waarin zowel de pass speelbaar was als de aanval in het veld kwam. Waarom: dit is de zwaarste en meest wedstrijdechte combinatie voor deze positie, en de plek waar op zaterdag de meeste punten verloren gaan. Correctie: spelers die na de pass blijven kijken naar de bal in plaats van meteen weg te lopen naar hun aanloopstart — die halve seconde bepaalt of de aanval bestaat.

Hoe je vooruitgang meet

Het cijfer dat er voor een buitenaanvaller toe doet, is niet het aantal kills maar het aanvalspercentage: gescoorde aanvallen min fouten, gedeeld door het totaal. Een aanvaller die veel scoort maar evenveel de bal uitslaat, kost zijn team punten. Noteer dat percentage voor en na een blok van drie weken, en kijk daarnaast naar zijn aandeel in het totale aantal aanvallen — een speler die in oktober veertig procent van de ballen kreeg en in maart vijfentwintig, is niet slechter geworden maar krijgt minder ballen. Achtergrond in het aanvalspercentage.

Train de noodbal het vaakst. De hoge bal na een perfecte pass komt in een wedstrijd het minst voor en op training het meest. Draai die verhouding om en je aanvalspercentage stijgt zonder dat er één slag harder wordt geslagen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel aanvallen krijgt een buitenaanvaller per wedstrijd?

Op amateurniveau vaak dertig tot veertig procent van alle aanvallen van het team, wat neerkomt op vijftien tot vijfentwintig ballen per gespeelde set. Een groot deel daarvan komt uit een pass die niet perfect is.

Moet een buitenaanvaller ook achteraanvallen trainen?

Ja, zodra hij in het achterveld staat en het team vanuit positie 6 of 1 wil aanvallen. Begin met een hoge bal vanaf de driemeterlijn en let vooral op de afzet: die moet volledig achter de lijn plaatsvinden.

Wat doe ik met een aanvaller die alleen maar hard slaat?

Geef hem een telling waarin plaatsing meer oplevert dan kracht: matten op de vloer die dubbel tellen, en een blok dat willekeurig een hoek sluit. Zolang hard slaan de meeste punten oplevert in je oefening, verandert er niets.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach