Osgood-Schlatter: mag deze volleyballer vanavond springen? | Koach
Open de app
Kennisbank · Jeugd & minivolleybal

Osgood-Schlatter: mag deze volleyballer vanavond springen?

Een speler van dertien wijst na de warming-up naar zijn knie. Het doet al drie weken zeer, hij heeft het niet gemeld omdat hij zaterdag wil spelen, en over acht minuten begint het aanvalsblok. Je hebt geen diagnose en die ga je ook niet stellen — je hebt een beslissing nodig voor vanavond. Dit artikel gaat over die beslissing.

Leestijd: 8 min

Twee klachten die op bijna dezelfde plek lijken te zitten

Veel coaches noteren "kniepijn" en denken meteen aan jumper's knee, want dat is de knieklacht die in de volleybalwereld het bekendst is. Bij een groeiend kind is dat vaak de verkeerde afslag. De twee liggen een paar centimeter uit elkaar, maar het zijn andere weefsels, een andere leeftijdsgroep en een ander tijdpad — wie ze door elkaar haalt, stuurt de belasting verkeerd bij.

Osgood-Schlatter zit op het bultje van het scheenbeen, twee tot drie centimeter onder de knieschijf, waar de kniepees aan het bot vastzit. Bij een kind dat nog groeit is dat aanhechtingspunt een groeikern en daarmee de zwakste schakel: de pees is er sterker dan het stukje bot waar hij aan trekt. De klacht ontstaat dus niet in de pees maar op het bot eronder. Jumper's knee zit in de pees zelf, direct onder de onderrand van de knieschijf, en komt op elke leeftijd voor — ook bij de uitgegroeide senior.

Vijf dingen waarmee je het verschil in de zaal kunt inschatten:

Dat laatste punt is waarom het onderscheid voor jou uitmaakt. Bij een groeiende speler met klachten op die aanhechting is de klok je bondgenoot en stel je de belasting bij tot het lichaam meekomt. Bij een peesklacht is tijd juist geen bondgenoot en moet er iets aan de opbouw veranderen; dat staat in blessurepreventie in volleybal. En meteen de belangrijkste beperking: dit onderscheid is bedoeld voor jouw planning, niet voor een diagnose. De twee kunnen naast elkaar bestaan en andere oorzaken zien er in de zaal precies zo uit. Vaststellen wat het is, doet een arts of fysiotherapeut.

Waarom juist volleyballers hiermee zitten

Deze klacht is geen pech maar een dosering die verkeerd staat, en sportende kinderen krijgen hem veel vaker. Kujala e.a. vonden in het American Journal of Sports Medicine (1985) bij sportende adolescenten 21 procent tegenover 4,5 procent bij niet-sportende leeftijdgenoten — bijna vijf keer zoveel. Geen argument om kinderen te laten stoppen met sport, wel om te weten wat je doet zodra het speelt: in een sprongsport zit je per definitie in de risicogroep.

Bij volleybal komt de aard van de belasting daarbij. Een training met aanvals- en blokreeksen stapelt de maximale sprongen sneller op dan je denkt — verderop tel je per oefening na hoe snel — en elke aanloop eindigt met een remstap waarin de bovenbeenspier het hele lichaam moet afremmen; die spier trekt via de kniepees precies aan het bultje waar het pijn doet. Het venijn is dat dit samenvalt met de maanden waarin het kind hard groeit en de aansturing achterloopt op de lengte; wat er dan nog meer verandert, staat in wat een groeispurt met een jeugdspeler doet. En het gaat om de hele week, niet om jouw training: de selectietraining op woensdag, het toernooi van zondag en de gymles tellen even hard mee, zoals uitgerekend in hoe vaak jeugd van 10 tot 14 kan trainen.

De vraag van dinsdagavond: drie zinnen en een cijfer

Je hebt geen protocol nodig maar een vaste routine van twintig seconden. Drie vragen, letterlijk uit te spreken:

  1. "Wijs met één vinger aan waar het zit."
  2. "Van nul tot tien: hoeveel doet het nu, terwijl je stilstaat?"
  3. "En hoeveel deed het vanochtend toen je uit bed stapte?"

Op dat cijfer hang je vooraf drie zones, afgesproken met speler en ouders voordat je ze nodig hebt. Let op: dit is een werkafspraak om de avond in te delen, geen medische grens. Is er een fysiotherapeut of arts bij betrokken, dan gelden diens grenzen.

Twee regels gaan boven het cijfer. Hinkt de speler of loopt hij zichtbaar anders, dan is de score irrelevant en is het rood. En loopt de pijn tijdens de training op — begonnen op 3, halverwege 6 — dan stop je met springen op dat moment, ongeacht waar je begon.

De volgende ochtend is je echte meetmoment

Wat een training kost, weet je niet na afloop maar de dag erna. De regel: de score bij het opstaan moet terug zijn op het niveau van vóór de training. Is hij hoger, dan was gisteren te veel en zakt het sprongplafond de volgende keer met ongeveer een derde — van vijftien naar tien. Gebeurt dat twee keer op rij, dan ga je terug naar rood en verwijs je door.

Het is de enige meting waar je als coach echt iets aan hebt, en dan nog alleen als je hem elke keer op dezelfde manier doet: dezelfde vraag, hetzelfde moment. Improviseer je hem, dan gaat de speler schatten. Zet het dus vast in je routine: bij het binnenkomen, samen met de aanwezigheidsregistratie.

Welke oefeningen in jouw training het duurst zijn

Wie gaat doseren moet weten waar de rekening staat, en die staat zelden waar coaches hem verwachten.

Bijna alles is om te ruilen zonder dat de speler iets mist. In plaats van de aanvalsrij: aanvallen vanuit stand met een hoog aangegooide bal — slag, timing en richting blijven, alleen de sprong verdwijnt. In plaats van de blokdoorgang: blokvoetenwerk langs het net, met alleen op de laatste stap de handen boven het net. In plaats van de sprongservice: bovenhands serveren vanaf de grond op een doelvak. In plaats van het plyometrieblok: rompstabiliteit, balans op één been en landingstechniek uit krachttraining voor volleyballers. De speler traint niet minder, hij traint anders — en dat is uit te leggen zonder dat het als straf klinkt.

Een avond op oranje, uitgeschreven

Zo ziet negentig minuten eruit voor de speler die op vier of vijf staat, terwijl de rest doortraint:

  1. 0 tot 15 minuten — warming-up. Volledig meedoen, alleen geen sprongreeksen aan het einde. De opbouw daarvan staat in een warming-up opbouwen.
  2. 15 tot 35 minuten — techniekblok op de grond. Passen, bovenhands spelen, serveren. Nul maximale sprongen, en voor deze speler het meest waardevolle deel van de avond.
  3. 35 tot 55 minuten — aanvalsblok. Twee rondes van vier ballen meedoen, dus acht sprongen, en daarna omruilen naar aanvallen vanuit stand.
  4. 55 tot 80 minuten — spelvorm zes tegen zes. Hier zitten de sprongen die je niet stuurt. Zet hem achterin of laat hem twee van de vier rally-blokken spelen: reken op zeven sprongen.
  5. 80 tot 90 minuten — uitloop. Gewoon meedoen.

Onder de streep: vijftien maximale sprongen tegenover de veertig tot vijftig van zijn teamgenoten, met alle balcontact intact. Dat is het verschil tussen doortrainen en doorstrompelen. En nogmaals: dit is een trainingsindeling, geen behandelplan — loopt er een fysiotherapeut mee, dan is dit het overzicht waarmee je vraagt of het plafond klopt.

Notitiescherm met per speler een korte aantekening na de training
Het cijfer vooraf, het cijfer de volgende ochtend en het aantal maximale sprongen: noteer je dat per training, dan wordt een onderbuikgevoel een lijn die je kunt lezen.

De doorverwijsgrens: waar jouw oordeel ophoudt

Jij stelt niets vast. De naam Osgood-Schlatter hoort in de mond van een arts of fysiotherapeut, niet in de jouwe en niet in de teamapp. Wat je wel doet, is de grens kennen waarop je niet meer afwacht. Stuur de speler door bij een van deze signalen:

Hoe je bij zo'n professional komt, verschilt per land en soms per verzekering: rechtstreeks naar een fysiotherapeut, via de huisarts, of via een club- of sportarts. Vraag dat aan de ouders in plaats van het te veronderstellen. Geef mee wat je hebt genoteerd — sinds wanneer, waar de vinger wijst, welke cijfers, hoeveel sprongen — en geen oordeel. Is er eenmaal iemand bij betrokken, dan wint diens plafond van het jouwe. Verzin er zelf geen oefeningen, tape of hulpmiddelen bij: dat is niet jouw vak.

Wat je tegen de speler en de ouders zegt

Het grootste risico bij deze klacht is niet de knie maar het zwijgen: een dertienjarige die denkt dat melden hem zijn plek kost, traint door tot het niet meer gaat. Haal die angst er in drie zinnen uit, bij voorkeur voordat er iets speelt:

Tegen de ouders houd je dezelfde lijn, maar feitelijker: wat je hebt gezien, sinds wanneer, wat je hebt aangepast, en dat je geen diagnose stelt. Vraag of ze langs een fysiotherapeut of huisarts willen en zeg er expliciet bij dat de plek in het team niet van deze weken afhangt. Dat is geen vriendelijkheid maar noodzaak: zonder die toezegging krijg je geen eerlijke cijfers meer. Vraag ook standaard naar eerdere knieklachten bij het uitvragen van de spelersgegevens die je echt nodig hebt. En houd het perspectief erin: wie op zijn dertiende drie maanden verstandig doseert, speelt op zijn achttiende nog — de redenering achter langetermijnontwikkeling van een speler.

Wat je noteert, en wat je in die lijn zoekt

Zonder registratie wordt dit een gevoelskwestie, en gevoel is hier onbetrouwbaar: je onthoudt de avond waarop het misging en vergeet de vijf waarop het goed ging. Noteer per training vijf dingen: datum, cijfer vooraf, cijfer de volgende ochtend, aantal maximale sprongen en wat je aanpaste. In Koach zet je zo'n aantekening bij de speler zelf, naast de aanwezigheid, zodat het overzicht meegaat naar het gesprek met de ouders of de fysiotherapeut.

Wat je in die lijn zoekt is niet of de pijn weg is, maar of het plafond omhoog kan. Blijft de ochtendscore drie weken op rij gelijk of lager bij hetzelfde aantal sprongen, dan verhoog je met vijf sprongen per keer, niet meer. Schiet hij omhoog, dan weet je bij welk getal het misging. Ingewikkelder is het niet.

Kernpunt: je stelt geen diagnose en je geeft geen behandeling — je stelt de dosering bij. Laat de plek aanwijzen, vraag het cijfer, tel de maximale sprongen en kijk de volgende ochtend of de score terug is op het oude niveau. Blijft hij hoger, of staat er één signaal uit de doorverwijslijst, dan is een arts of fysiotherapeut aan zet.

Veelgestelde vragen

Mag een speler met Osgood-Schlatter blijven volleyballen?

Of er gespeeld mag worden, bepaalt de behandelend arts of fysiotherapeut — dat is geen coachbeslissing. Wat jij regelt is de dosering binnen die ruimte: het aantal maximale sprongen per training, welke oefeningen je omruilt en of de pijnscore de volgende ochtend terug is op het oude niveau.

Wat is het verschil tussen Osgood-Schlatter en jumper's knee?

Osgood-Schlatter zit op het bultje van het scheenbeen, twee tot drie centimeter onder de knieschijf, waar de kniepees aan het bot vastzit, en speelt bij kinderen die nog groeien. Jumper's knee zit hoger, in de pees direct onder de knieschijf, en komt op elke leeftijd voor. Laat de speler het met één vinger aanwijzen; dat onderscheidt de twee sneller dan welke vraag ook.

Hoe lang duurt het voordat de klacht over is?

Dat verschilt per speler en is niet in weken te plannen. Ladenhauf e.a. (Current Opinion in Pediatrics, 2020) beschrijven de klacht als samenhangend met de groei, waarbij hij afloopt naarmate het skelet uitgroeit. Reken dus in maanden en stuur ondertussen op de belasting; het bultje zelf kan overigens zichtbaar blijven, ook als de pijn allang weg is.

Hoe weet ik of een training te veel was?

Aan de score bij het opstaan de volgende ochtend, niet aan hoe de speler er na afloop bij loopt. Is die ochtendscore hoger dan vóór de training, dan was het te veel en verlaag je het sprongplafond de volgende keer met ongeveer een derde. Gebeurt dat twee keer op rij, dan stop je met springen en verwijs je door.

Moet ik zo'n speler uit de selectie of het eerste team halen?

Nee, en zeg dat ook hardop. Een kind dat denkt dat melden zijn plek kost, houdt de pijn verborgen en traint door tot het niet meer gaat — dan ben je hem veel langer kwijt. Koppel de plek in het team los van deze periode en beoordeel pas opnieuw als de belasting weer normaal is.

Helpt een bandje of tape onder de knieschijf?

Alles wat op of om de knie komt is een keuze van de behandelend fysiotherapeut of arts, niet van de coach. Neem zo'n vraag van ouders serieus maar verwijs hem door, en verzin er zelf geen oefeningen of hulpmiddelen bij. Jouw instrument is de dosering in de zaal.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach