Pubers coachen: een team dat niks doet weer aan het werk
Je zet een oefening neer, je legt hem uit, en er gebeurt niets. Dertien veertienjarigen kijken naar de grond, naar elkaar, naar hun schoenen. Wie je aanspreekt haalt zijn schouders op; wie je harder aanspreekt haalt ze nog een keer op. Dat is geen luiheid, en het is ook geen kwestie van een strengere hand.
Niks doen is geen luiheid, het is statusangst
Tussen ongeveer dertien en zestien verschuift het publiek. Tot die leeftijd traint een kind voor de trainer; daarna traint hij voor de twaalf leeftijdsgenoten om hem heen. En voor dat publiek kost meedoen iets. De speler die als eerste sprint, die hardop "ja" zegt, die een aanwijzing letterlijk uitvoert terwijl de rest nog staat — die neemt een risico dat verder niemand neemt. Gaat het mis, dan is hij de uitslover. Doet hij niks, dan kan hij niet afgaan. Stilstaan is simpelweg de goedkoopste keuze in de zaal.
Dat bepaalt wat werkt. Als niks doen de veilige keuze is, pakt meer druk averechts uit: je voegt publiek toe, en daarmee wordt meedoen nóg duurder. Wat wél helpt, is de rekensom omdraaien — meedoen goedkoop maken en niks doen onmogelijk.
Doe eerst één training lang een observatie. Let niet op wie er beweegt na jouw opdracht, maar op wie er naar wie kijkt in de twee seconden daarna. Vaak blijkt dan dat een paar spelers eerst naar dezelfde speler kijken — meestal niet de beste, maar degene met de meeste status — en pas in beweging komen als die beweegt. Dat is het echte startsignaal, en het is niet dat van jou.
Eén ding wordt hier vaak mee verward: de speler die nu over zijn eigen voeten struikelt, doet daarom niet minder zijn best — dat kan net zo goed een groeispurt zijn. Dit artikel gaat over de andere helft: het gedrag en de verhouding.
Gezag zonder machtsstrijd
Een puber test meestal niet jou als persoon. Hij test waar de grens ligt, en vooral: wie er kijkt. Daarom is elke correctie waar de groep bij is een openbare krachtmeting, en die kun je alleen verliezen. Verlies je, dan ben je je gezag kwijt; win je, dan heb je een veertienjarige klein gemaakt waar zijn hele publiek bij stond. Hoe je een correctie formuleert zodat er informatie in zit in plaats van een oordeel, staat in corrigeren zonder schreeuwen.
- Zeg het één keer en zeg daarna niets. Herhalen op een hogere toon is de openingszet van het gevecht. Blijf staan, kijk, wacht. Een coach die zwijgt is ongemakkelijker dan een coach die schreeuwt.
- Stel geen vraag als "nee" geen geldig antwoord is. "Zullen we beginnen?" nodigt uit tot onderhandelen. "We beginnen, jij staat aan die kant" niet. Bewaar je vragen voor de momenten waarop het antwoord er echt toe doet.
- Kondig nooit een consequentie aan die je niet uitvoert. Eén die volgt, kost je één moeilijk moment. Eén die niet volgt, kost je de rest van het seizoen — ook bij kleine dingen als te laat komen op de training.
Nog iets wat clubs verkeerd inschatten: een trainer van negentien voor een jeugdteam geldt vaak als noodgreep, maar is hier eerder een voordeel. Hij heeft geen volwassen gezag te verliezen en hoeft niet te winnen van een veertienjarige, want hij is zijn ouder niet. Daardoor staat hij makkelijker naast de speler in plaats van erboven. De valkuil is het spiegelbeeld: de groep proberen te winnen door aardig te zijn, of meelachen om een grap ten koste van een teamgenoot. De grens is simpel — je mag alles delen behalve je oordeel over gedrag. Wie meelacht, kan de week erna niets meer corrigeren, zeker niet bij de speler die de toon zet; hoe je die aanpakt staat in omgaan met een dominante speler.
Hij doet niet wat je zegt, wel waar hij ja tegen zei
Dit is het bruikbaarste mechanisme van deze leeftijd. Een opdracht van een volwassene is voor een puber iets om je toe te verhouden: uitvoeren betekent iets, weigeren betekent iets, en beide worden gezien. Een afspraak die hij zelf hardop heeft bevestigd, is van hem — daar valt niets tegen te rebelleren.
Bouw daarom in elke training twee of drie momenten waarop iemand hardop ja zegt. Niet over óf er getraind wordt — dat staat niet ter discussie — maar over hóe:
- Laat ze de norm kiezen, niet het doel. "Deze vorm stopt zodra jullie hem goed doen. Drie keer achter elkaar of vijf keer achter elkaar?" Beide antwoorden zijn jouw plan; de keuze is echt.
- Laat de speler zijn aandachtspunt teruggeven. "Wat ga jij deze serie doen?" Hij zegt het, jij knikt. Vijf seconden, en de aanwijzing is van hem geworden.
- Sluit af met een check. "Afgesproken dat we het volgende week weer zo doen?" Een ja op dinsdag is een week later nog steeds een ja — mits jij hem hebt onthouden.
Bied nooit een volledig open keuze. "Wat willen jullie doen?" levert het antwoord op dat de groep het minst kost. Twee opties die allebei goed zijn werken; bij drie krijg je een discussie. En schrijf de ja op — twee regels achter op het teamblad volstaan — want een ja die nergens staat bestond volgende week niet. Kom er de eerstvolgende training op terug, ook als het goed ging: pas als het een paar keer is teruggekomen, merken ze dat hun ja bij jou echt iets betekent.
Afspraken maken in plaats van regels opleggen
Een regel is van jou, een afspraak is van hen. Dat verschil telt op elke leeftijd, maar bij pubers merk je het het hardst. De brede opzet van zo'n bijeenkomst — agenda, onderwerpen en vastlegging — staat in de eerste teambijeenkomst; bij een puberteam knip je die op in korte stukken. Drie keer vijf minuten aan het begin van een training is genoeg, en je kunt er op elk moment in het seizoen mee beginnen. Wat er bij deze leeftijd anders gaat:
- Jij zet de onderwerpen neer, zij kiezen de woorden. Vier onderwerpen is genoeg, en bij deze leeftijd zijn het andere dan bij een seniorenteam: aanwezigheid en afmelden, de telefoon, hoe we reageren op een fout van een teamgenoot, en wat er gebeurt als iemand zich er niet aan houdt. Schrijf letterlijk op wat ze zeggen. "Niet zeuren als iemand een bal mist" is een betere afspraak dan de keurige variant die jij ervan zou maken, want deze is van hen.
- Maximaal vijf afspraken in totaal. Meer onthouden zij niet en handhaaf jij niet. Een lijst van tien is een lijst van nul.
- De consequentie stellen zij vooraf vast. Jij hebt vetorecht op alles wat over speeltijd gaat — waarom, staat hieronder.
- Zij schrijven het op, jij niet. Laat een van hen de lijst noteren en rondsturen. Een lijst in jouw handschrift is weer een regel; dezelfde lijst in die van hen is een afspraak.
Wie per training vastlegt wie er stond en welke inzet hij zag — in Koach of gewoon in een schrift — voert het gesprek zes weken later met een feit in plaats van met een indruk. Bij pubers is dat doorslaggevend: "je bent er de laatste tijd vaak niet" wordt moeiteloos ontkend, "je hebt van de laatste acht trainingen er drie gemist, allemaal op dinsdag" niet.
De valkuil: "wie slecht traint, speelt niet"
Het is de eerste maatregel waar bijna elke coach naar grijpt, en bij 13- tot 16-jarigen werkt hij vier keer averechts.
- Je straft precies de reden waarom hij komt. De wedstrijd op zaterdag met zijn vrienden is vaak het laatste wat hem bindt. Wat er dan gebeurt zie je vaker: eerst een wedstrijd op de bank, dan twee afmeldingen zonder reden, dan een bericht van een ouder — zie een kind dat wil stoppen met volleybal.
- Je levert hem status. Een speler die zichtbaar gestraft wordt door de coach, is voor zijn publiek geen afschrikwekkend voorbeeld maar een held. Je geeft hem gratis wat hij zocht.
- Je kunt het niet uitvoeren. Op de zaterdag dat je hem wilt toepassen zijn er twee geblesseerd en is je tweede spelverdeler op vakantie — en dan is de speler die je wilde straffen ineens degene die je nodig hebt. Dus voer je het niet uit, en dan is de regel binnen twee weken folklore — en je woord erbij.
- Het klopt meestal niet. Slecht trainen is op deze leeftijd lang niet altijd onwil. Het kan de groeispurt zijn, een rotweek op school, of exact de statusangst uit de eerste paragraaf.
Wat wél werkt is een consequentie die binnen de training blijft en meteen volgt. De vorm gaat door zonder hem: "je staat erbuiten tot je meedoet", en dan ga je echt door zonder hem aandacht te geven — terugkomen mag altijd, zonder gesprek, en meestal staat hij er sneller weer in dan je verwacht. De tijd loopt door: moet de uitleg drie keer opnieuw, dan gaat dat van de spelvorm aan het eind af. Geen straf maar een rekensom, en die leg je één keer uit. En de consequentie die ze zelf vaststelden, want die hoef jij niet te verdedigen.
Oefeningen waarin niet-meedoen onmogelijk is
Hier zit de meeste winst, en het kost je geen enkel gesprek. De ontwerpregel: hoe kleiner het spel, hoe duurder het wordt om niets te doen. Drie balcontacten per kant verdeeld over zes spelers is een halve bal per speler per rally; dezelfde drie contacten over drie spelers is er één, en in een 2 tegen 2 anderhalf. In een zes-tegen-zes kun je een half uur onzichtbaar blijven; in een drie-tegen-drie niet. Vijf regels waarmee je elke bestaande oefening ombouwt:
- Nooit meer dan vier spelers aan één kant van het net in de kern van je training. Meerdere kleine velden naast elkaar mag; één grote kant met zes wachtende spelers niet.
- Korte beurten met een harde klok. Negentig seconden, dan doorschuiven. Zo lang verstopt niemand zich, en zo lang is het ook op te brengen.
- Nooit meer dan drie in een rij. Een rij van zes is een uitnodiging om te praten, en die neemt de groep aan.
- Een score die aftikt. Punten verzamelen laat toe dat je even niets doet, punten verliezen niet. Geef elk team acht punten en trek er één af bij elke bal die aan hun kant valt.
- Jij deelt de teams in. Spelers zelf teams laten kiezen is op deze leeftijd geen vrijheid maar een openbare rangorde.
Drie vormen die daaruit volgen, met tijden:
- Aftellen, 3 tegen 3 (12 minuten). Half veld, vier teams van drie: twee spelen, twee wachten. Komt het aantal niet uit, dan telt één team vier spelers die onderling wisselen. Elk team start op acht punten. Elke bal die aan jouw kant valt kost een punt, ook bij een eigen fout. Wie op nul komt gaat eraf en het eerstvolgende wachtende team komt erin; wie blijft staan houdt zijn resterende punten. Er valt niets te verzamelen, alleen te verliezen — en daarmee telt elke bal voor iedereen.
- Negentig seconden (9 minuten). 2 tegen 2 op smalle veldjes van ongeveer drie meter breed; drie ervan passen naast elkaar onder hetzelfde net. Zes ronden van negentig seconden, en na elke ronde schuift iedereen één veldje door. Blijft er iemand over, dan houdt die één ronde de klok bij en stapt de ronde daarna in. Tel niets op het bord; de klok is de druk.
- Drie namen (10 minuten). 4 tegen 4, gewone telling, maar een punt telt dubbel als er in die rally drie verschillende spelers aan de bal zijn geweest. Na een paar rally's zoeken ze elkaar op in plaats van de bal te ontwijken.
De techniek die je erin stopt verandert niet; alleen de vorm eromheen, en die bepaalt of ze meedoen. Bouw daarnaast één moment per training in waarop ze wél mogen kiezen: welke van twee vormen jullie afsluiten. Dat kost je niets en levert een ja op.
Het gesprek van twee minuten met de twee die wél willen
In elke groep van dertien zitten er twee of drie die het wel willen maar niet als eerste durven. Je herkent ze niet aan hun niveau: na jouw uitleg kijken zij als eerste naar de bal, terwijl de rest naar elkaar kijkt. Zij zijn je hefboom. Spreek ze afzonderlijk aan, vóór de training, buiten de kleedkamer:
"Ik zag vorige week dat jij als eerste doorhad wat er moest gebeuren, en dat je toch wachtte. Dat snap ik. Ik ga je vragen om vanaf nu bij het opzetten als eerste te beginnen. Dan ben jij niet degene die zich uitslooft — dan doe je gewoon wat ik heb gevraagd. Is dat goed?"
Wat je hem geeft is dekking: hij kan meedoen zonder de prijs te betalen, want het was jouw opdracht en dat ziet iedereen. Precies de rekensom uit de eerste paragraaf, en jij verandert er één kant van. Doe dit met maximaal drie spelers; bij vier of meer is het geen dekking meer maar een clubje.
Twee dingen die je niet doet. Noem deze spelers nooit als voorbeeld in de groep — "kijk, Sanne doet het wel" verbrandt haar in één zin. En laat het niet bij dat ene gesprek: kom er per speler kort op terug, twee zinnen na de training. Wie één regel per speler noteert, in Koach of in een schrift, weet drie weken later nog waar het over ging.
De telefoon, de stemming en de dag dat er niets lukt
Over de telefoon één afspraak, en verder geen jacht: hij blijft in de tas vanaf het moment dat je de zaal in loopt tot na de laatste bal. Wat je niet doet is afpakken — dat is een machtsstrijd waarin jij het eigendom van iemand anders vasthoudt. Leg je eigen telefoon zichtbaar weg: een coach die tussen twee vormen door zijn scherm checkt, heeft de afspraak zelf ingetrokken.
De kleedkamer is de grijze zone, en daar zit het probleem niet in appen maar in filmen. Spreek dat expliciet af: in de kleedkamer gaat er geen camera aan, nooit, door niemand. Wat clubs en bonden hierover formeel hebben vastgelegd verschilt per land en per vereniging — vraag bij je bestuur na welke gedragsregels bij jullie gelden en verwijs daarnaar, want een afspraak die op papier staat hoef jij niet alleen te verdedigen.
Dan de stemming. Die wisselt op deze leeftijd binnen één training, en dat is normaal; het wordt pas jouw zaak als het gedrag wordt. Houd daarom deze regel aan: gedrag corrigeer je, stemming niet. Je hoeft niet te weten waarom iemand chagrijnig is, alleen te zeggen wat er wél moet: "Je hoeft niks te zeggen. Meedoen op het niveau dat vandaag lukt, is genoeg." Vraag nooit "wat is er?" waar de groep bij staat — het antwoord is altijd "niks", en daarna kan hij niet meer terug zonder gezichtsverlies. Vraag het na afloop, lopend naar buiten, naast hem. En houd je conclusies klein: één slechte training is één meting, pas drie weken hetzelfde is een patroon.
Van dertien individuen een groep maken
Een jeugdteam is nog geen groep omdat het een naam en een tenue heeft. Wat je meestal ziet, zijn drie kliekjes van vier en één speler die er alleen bij hoort omdat hij toevallig zo is ingedeeld. Kliekjes zijn niet het probleem, die zijn er altijd. Die ene speler wel: dat is degene die als eerste weg is.
- Vaste duo's die jij indeelt en per maand roteert. Bij een oneven aantal maak je er één trio van. Iedereen met iedereen laten werken lukt in één seizoen niet — bij dertien spelers zijn dat twaalf ronden — maar na een paar maanden is niemand meer aangewezen op zijn eigen kliekje. Het goedkoopste middel dat er is, en het valt niemand op.
- Taken die status opleveren en niet over niveau gaan. Wie zet het net op, wie houdt de score bij, wie stuurt de opstelling rond, wie doet vandaag de warming-up. Roteer ze, en geef ze niet als beloning aan de beste speler.
- Samen iets zwaars doen. In de praktijk levert een gedeelde inspanning meer op dan een gedeeld feestje: een toernooi op zondag, of een training die eindigt met dertig ballen achter elkaar over het net waarna pas iedereen naar huis mag. Kies wel een aantal dat écht haalbaar is.
- De laatste drie minuten in een kring, staand, iedereen één ding. Altijd dezelfde vorm, elke training. Een vast ritueel hoeft niemand te beginnen, en dus kan niemand er de uitslover van zijn.
Wat zelden werkt, is de teambuildingavond als reparatie ná een conflict — dan is het zichtbaar een ingreep, en dat stoot deze leeftijd af. Werkvormen die wel iets opleveren staan in teambuildingoefeningen voor een sportteam, en hoe deze groep zich verhoudt tot wat je daarvoor en daarna traint in jeugdvolleybal trainen per leeftijdsgroep. En de eerlijkheid erbij: je maakt van dertien pubers geen vriendengroep, en dat hoeft ook niet. Het doel is haalbaarder — dat iedereen met iedereen kan werken, en dat er niemand alleen staat.
Kernpunt: meedoen moet goedkoper zijn dan niks doen. Elke keer dat je de druk opvoert waar de hele groep bij is, maak je meedoen juist duurder — en krijg je precies het gedrag terug dat je wilde weghalen. Verander dus de oefening en het publiek, niet je toon.
Veelgestelde vragen
Vanaf welke leeftijd loop je hiertegenaan?
In de praktijk vanaf een jaar of twaalf, dertien, met de scherpste periode tussen dertien en zestien. Ga uit van de leeftijd en niet van de categorieletter: hoe die groepen heten verschilt per bond, dus wat bij de ene vereniging B-jeugd is, heet elders anders.
Moet ik strenger worden als een hele groep niks doet?
Strenger worden voegt publiek toe aan een probleem dat door publiek veroorzaakt wordt. Verander eerst de vorm van je oefening — kleinere teams, kortere beurten, een aftikkende score — en pas daarna je toon. Blijft het gedrag daarna nog steeds hangen, dan gaat het over afspraken en niet over strengheid.
Wat doe ik met een speler die alleen komt omdat zijn ouders hem sturen?
Vraag het hem, apart en zonder oordeel: wat zou het voor jou wel de moeite waard maken? Geef hem daarna één rol of taak waar hij zelf ja tegen zegt en spreek een termijn af, bijvoorbeeld tot de winterstop. Wie niets kiest, stopt meestal alsnog — maar dan met een eerlijk gesprek in plaats van in stilte.
Werkt straffen met conditie of rondjes lopen?
Niet bij deze leeftijd, om twee redenen. Het maakt van inspanning een straf terwijl je diezelfde inspanning de rest van het seizoen nodig hebt, en het levert de gestrafte speler status op bij zijn publiek. Een consequentie die binnen de oefening blijft en meteen volgt, doet meer.
Hoe ga ik om met telefoons in de kleedkamer?
Maak één afspraak in plaats van er jacht op te maken: telefoons in de tas vanaf de zaal, en in de kleedkamer gaat er nooit een camera aan. Pak nooit een telefoon af. Welke gedragsregels je club of bond hierover formeel heeft vastgelegd verschilt per land en vereniging — vraag dat na bij je bestuur en verwijs ernaar.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach