Relatief leeftijdseffect: de jongste van je jeugdteam | Koach
Open de app
Kennisbank · Jeugd & minivolleybal

Relatief leeftijdseffect: de jongste van je jeugdteam

Twee kinderen in hetzelfde team, elf maanden verschil. De een springt hoger, staat steviger en raakt de bal boven de netrand; de ander komt er net onder. Dat noteer je makkelijk als verschil in talent, terwijl het vooral verschil in leeftijd is. En het bepaalt jarenlang wie er getraind, opgesteld en opgemerkt wordt.

Leestijd: 8 min

De peildatum is een keuze, geen natuurwet

Jeugdteams worden ingedeeld op geboortejaar, en de grens tussen twee jaargroepen heet de peildatum. Die datum lijkt een gegeven, maar bonden kiezen hem zelf: sommige rekenen vanaf 1 januari, andere vanaf de start van het sportjaar in de zomer of het najaar. Welke datum voor jouw teams geldt, staat in het competitiereglement van je eigen bond — kijk het na, want het verschilt per land en soms per categorie.

Waarom dat meer is dan een administratief detail: wie de jongste is, verandert met de peildatum. Een kind dat in november geboren is, is bij een peildatum van 1 januari bijna de jongste van zijn groep. Bij een peildatum van 1 oktober is datzelfde kind, met exact hetzelfde lijf, bijna de oudste. Er verandert niets aan de speler; er verandert iets aan de meetlat.

Nog scherper wordt het aan de grens. Twee kinderen die een week na elkaar geboren zijn, kunnen in twee verschillende jaargroepen terechtkomen. De ene is dan de allerjongste van de oudere lichting, de andere de oudste van de jongere. Zeven dagen verschil wordt zo bijna een heel jaar verschil in relatieve positie. Wie dat weet, zegt niet langer dat een speler "nu eenmaal jong is voor zijn jaar" alsof het een eigenschap van het kind is. Het is een eigenschap van de kalender.

Wat elf maanden verschil op de volleybalvloer waard is

Binnen één jaargroep zit maximaal elf maanden en dertig dagen verschil. Voor een elfjarige is dat bijna een tiende van zijn hele leven. Reken het door in centimeters en het wordt concreter:

Tel de eerste drie bij elkaar op en je zit al gauw op tien centimeter verschil in aanvalsreikhoogte tussen de oudste en de jongste van dezelfde jaargroep. Bij een jeugdnet van rond de 2,10 meter — de exacte hoogte per categorie verschilt per bond — is dat het verschil tussen de bal boven de netrand raken en er tegenaan slaan. Op de training zie je het ene kind aanvallen en het andere prikken, en dat ziet iedereen, ook de ouders langs de kant.

Dat dit geen indruk is, is goed beschreven. Barnsley, Thompson en Barnsley (1985) toonden de scheve geboortemaandverdeling voor het eerst systematisch aan, in het Canadese ijshockey: van de juniorencompetities tot de NHL zaten er veel meer spelers met een geboortedatum vroeg in het jaar. De meta-analyse van Cobley en collega's (2009) in Sports Medicine bracht achtendertig onderzoeken met ruim tweehonderdvijftig steekproeven bijeen en vond het effect over vrijwel alle onderzochte sporten heen, het sterkst bij jongens tussen ongeveer vijftien en achttien jaar en op de hoogste niveaus. Musch en Grondin (2001) lieten zien wat het versterkt: hoe groter de vijver en hoe strenger de selectie, hoe schever de geboortemaanden gaan liggen.

Waarom volleybal er gevoeliger voor is dan de meeste sporten

In elke sport helpt het om groter en sterker te zijn, maar volleybal heeft twee eigenschappen die het effect uitvergroten.

Het net maakt lengte binair. In veel sporten is groter zijn een gradueel voordeel. Bij volleybal ligt er een harde drempel op vaste hoogte: je komt erboven of je komt er niet boven. Een speler die er vijf centimeter onder zit, kan niet vijf procent minder goed aanvallen — hij kan het niet. Dat maakt het verschil tussen de oudste en de jongste van een lichting op de trainingsvloer extreem zichtbaar.

Techniek laat zich pas veel later zien. De vaardigheden waarin een jonger kind wél kan uitblinken — een stabiel passplatform, lezen waar de bal komt, positiekeuze in de verdediging, timing van een blok — worden zichtbaar over maanden, niet over een selectieavond. Elke korte beoordelingssituatie weegt daardoor systematisch in het voordeel van de oudste kinderen.

En zodra de keuze gemaakt is, versterkt hij zichzelf: het geselecteerde kind krijgt betere trainers, meer wedstrijdminuten en sterkere tegenstand, en wordt daar daadwerkelijk beter van. Na twee seizoenen ís het verschil er ook echt — alleen niet om de reden die je destijds noteerde. Precies daarom is het riskant om op jonge leeftijd al een vaste positie vast te leggen.

Tel je eigen lichting: de kwartaalcheck

Je hoeft niet te geloven dat je er last van hebt. Je kunt het tellen, en het kost tien minuten.

  1. Pak de peildatum van je bond. Noem de eerste drie maanden ná die datum kwartaal 1, de volgende drie kwartaal 2, enzovoort. Kwartaal 4 bevat dus de jongste kinderen van de groep.
  2. Zet elke speler van je selectie in het juiste kwartaal. De geboortedatum staat in het spelersprofiel, dus je hoeft niemand iets te vragen.
  3. Vergelijk met wat je bij toeval zou verwachten: vier keer vijfentwintig procent. Geboorten zijn niet exact gelijk over het jaar verdeeld, maar die afwijking is een paar procent — geen tientallen.

Bij twaalf spelers verwacht je drie per kwartaal. Zie je 5-4-2-1, dan kan dat nog toeval zijn; twaalf is te klein om iets uit te concluderen. Tel daarom door: de hele lichting van je club, of drie jaargangen bij elkaar. Vanaf ongeveer zestig tot tachtig spelers gaat de verdeling pas iets zeggen: is het eerste kwartaal dan ruim twee keer zo groot als het vierde, dan is dat een signaal dat je serieus moet nemen. Dan kijk je niet naar een curiositeit maar naar je eigen selectiebeleid.

Doe daarna dezelfde telling voor de spelers die je hebt afgewezen of die naar een lager team zijn gegaan. Als je selectie scheef naar kwartaal 1 loopt en je afvallers scheef naar kwartaal 4, heb je het antwoord. Dan heb je niet op talent geselecteerd maar op geboortedatum, hoe zorgvuldig het proces ook voelde.

Spelerslijst in de Koach-app met per speler de geboortedatum, positie en aanwezigheid naast elkaar
De geboortedatum staat er al. Zet hem naast de speeltijd en de scheefheid springt er binnen een minuut uit.

Het tweede signaal: geboortemaand naast speeltijd

De teamindeling is maar de helft van het verhaal: binnen een keurig gemengd team kan het effect doorlopen in wie er speelt. Tel per speler het aantal gespeelde sets over de laatste tien wedstrijden en zet dat naast zijn kwartaal. Spelen de kinderen uit kwartaal 4 structureel minder sets dan de rest — niet één wedstrijd, maar wedstrijd na wedstrijd — dan is het verschil dat je bij de seizoensstart zag intussen een verschil dat je zelf onderhoudt. Daarvoor moet je de speeltijd wel vastleggen; hoe je dat doet staat in speeltijd bijhouden.

Er is een derde plek waar het effect stilletjes doorwerkt: het doorstroomadvies in het voorjaar. Wie de jongste van zijn lichting is en tegelijk nog vóór zijn groeispurt zit, wordt op precies het verkeerde moment beoordeeld. Zet in die vergadering de geboortemaand naast elk advies, hardop. Eén zin is genoeg: "deze is van november, en dat weegt mee".

Selectiedag: blind scoren, en pas daarna de datum erbij

De grootste winst zit niet in een ingewikkeld correctiemodel, maar in de volgorde van kijken en weten. Op een selectiedag werkt dit:

En de eenvoudigste maatregel: nodig twijfelgevallen uit voor twee gewone trainingen. Eén avond meet wie er nu al ver is; twee trainingen meten hoe snel iemand iets oppikt — en dat is het enige wat over vier jaar nog iets zegt.

Kernpunt: tel één keer per jaar de geboortemaanden van je selectie én van je afvallers, verdeeld in vier kwartalen vanaf de peildatum van je bond. Loopt de selectie scheef naar het eerste kwartaal en de afvallerslijst naar het vierde, dan selecteer je niet op talent maar op geboortedatum — en dat is het enige onderdeel van dit verhaal dat je zelf in de hand hebt.

Trainen op rijping in plaats van op jaartal

De inhoudelijke oplossing heet bio-banding: groepen maken op rijping in plaats van op kalenderleeftijd. Cumming en collega's (2017) beschreven die aanpak voor jeugdsport, waarbij spelers worden ingedeeld naar het percentage van hun voorspelde volwassen lengte dat ze al bereikt hebben. Twee dertienjarigen die allebei op vijfentachtig procent zitten, trainen dan samen — ook al schelen ze tien maanden en twaalf centimeter. Voor een gemiddelde club is dat in volle omvang te zwaar. Wat wel haalbaar is:

Bij de teamindeling zelf gaat het om dezelfde afweging in het groot: verdeel je op geboortejaar of op niveau, en waar leg je de grens. Die keuze en de gevolgen ervan staan uitgewerkt in teamindeling bij jeugdvolleybal.

De omkering: wat de jongste er uiteindelijk aan overhoudt

Er zit een kant aan dit verhaal die coaches zelden vertellen. Een kind dat jarenlang tegen oudere, grotere tegenstanders speelt en toch overeind blijft, ontwikkelt precies de dingen waar het later op aankomt: slimmer spelen, sneller lezen, technisch schoner werken, omgaan met tegenslag. Bij ijshockeyprofs is dat omgekeerde effect beschreven door Gibbs, Jarvis en Dufur (2012): spelers die relatief jong waren in hun jaargroep en het tóch tot de NHL haalden, hadden gemiddeld langere carrières en waren oververtegenwoordigd in de absolute top.

Wat dat voor jou betekent: de najaarskinderen die na twee seizoenen nog in je selectie zitten, hebben meer laten zien dan hun plek op de ranglijst suggereert. Behandel ze ook zo — geef ze niet de bijrol maar de moeilijke taak.

Wat je tegen ouders en spelers zegt

Dit onderwerp legt zich prettig uit, omdat het niemand de schuld geeft. Drie situaties, met zinnen die je letterlijk kunt gebruiken.

Tegen de ouder van een najaarskind dat achterloopt: "Sanne is in november geboren en speelt met kinderen die tot elf maanden ouder zijn. Op deze leeftijd is dat vijf tot zes centimeter en bijna een jaar coördinatie. Dat verschil groeit er bij de meeste kinderen vanzelf uit, ergens rond hun zestiende. Wat niet vanzelf verdwijnt, is hoeveel ballen ze in de tussentijd heeft geraakt — en daar let ik op. Ik ga haar niet ontzien, ik ga haar de moeilijke ballen geven."

Tegen de ouder van een januarikind dat vooroploopt: "Tim is nu een van de grootsten en dat helpt hem enorm. Over drie jaar is dat voordeel weg, en dan moet hij het van zijn techniek hebben. Daarom laat ik hem óók passen en verdedigen, ook als hij daar niet de beste in is." Dat is dezelfde boodschap als bij een brede jeugdopleiding, alleen met een reden erbij die ouders meteen begrijpen.

Tegen het kind zelf: kort en feitelijk, zonder troostende ondertoon. "Jij bent de jongste van dit team, bijna een jaar. Dat merk je aan het net. Over een paar jaar merk je er niets meer van, en dan heb jij meer geleerd dan zij — want jij hebt het al die tijd tegen grotere spelers moeten doen." Een verklaring die klopt, landt bij kinderen meestal beter dan een compliment dat dat niet doet.

Zet de kwartaaltelling van de hele club ten slotte één keer per jaar op de agenda van je technische commissie. Dat is vaak al genoeg om te voorkomen dat vijf trainers los van elkaar dezelfde onbewuste keuze maken.

Veelgestelde vragen

Wat is het relatief leeftijdseffect precies?

Het is de systematische oververtegenwoordiging van kinderen die vroeg in de jaargroep geboren zijn in selecties, teams en opleidingen. Binnen één leeftijdscategorie kan bijna een jaar verschil zitten, en dat verschil in lengte, kracht en coördinatie wordt bij de beoordeling verward met talent. Het werd voor het eerst systematisch beschreven door Barnsley en collega's in 1985.

Welke peildatum geldt voor mijn jeugdteams?

Dat verschilt per bond en soms per categorie: sommige rekenen vanaf 1 januari, andere vanaf de start van het sportjaar in de zomer of het najaar. Kijk het na in het competitiereglement van je eigen bond en ga niet af op wat je bij een vorige club gewend was. Welk kind de jongste van de groep is, verandert namelijk mee met die datum.

Hoeveel spelers heb ik nodig om de kwartaaltelling te kunnen vertrouwen?

Eén team van twaalf is te klein: daar is een verdeling van 5-4-2-1 nog gewoon toeval. Tel de hele lichting van je club of drie jaargangen bij elkaar. Vanaf ongeveer zestig tot tachtig spelers gaat de verdeling pas iets zeggen: is het eerste kwartaal dan ruim twee keer zo groot als het vierde, dan is dat een signaal dat je serieus moet nemen.

Moet ik een jonge speler dan maar een jaar laten zakken?

Zelden. Een speler terugzetten haalt hem weg bij zijn leeftijdsgenoten en levert vooral sociaal verlies op. Effectiever is om binnen dezelfde groep te differentiëren: een blok per training in vaardigheidsgroepen, twee nethoogtes, en bij de selectie een afgesproken regel dat gelijke scores in het voordeel van de jongste uitvallen.

Verdwijnt het verschil vanzelf?

Het fysieke verschil wel, bij de meeste kinderen ergens rond het zestiende jaar, wanneer ze door hun groeispurt heen zijn. Wat niet vanzelf verdwijnt is het verschil in trainingsuren, wedstrijdminuten en aandacht dat in de jaren daarvoor is opgebouwd. Dat deel is geen biologie maar beleid, en daar kun je als coach wel iets aan doen.

Mag ik de geboortedatum van spelers gebruiken bij een selectie?

Ja, mits je hem gebruikt om te corrigeren en niet om te voorspellen. Houd de geboortedata weg bij de beoordelaars zolang zij aan het kijken zijn, en leg ze er pas bij tijdens de eindafweging. Zo voorkom je dat de kennis het scoren beïnvloedt en gebruik je hem alleen waar hij thuishoort: bij het besluit.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach