Volleybal oefeningen jeugd: trainen met 12- tot 14-jarigen
Bij twaalf jaar houdt de oefenstof op. Wat op het kleine veld werkte is te makkelijk geworden, en de seniorenoefeningen die je op internet vindt zijn te groot, te hard en te lang. Deze leeftijd krijgt vier veranderingen tegelijk over zich heen, en elk daarvan vraagt om andere oefeningen dan vorig seizoen. Dit is die oefenstof: negen vormen met telling, plus de fout die je bij elke vorm gaat zien.
Wat er in deze twee jaar tegelijk verandert — en waar je verder leest
Het veld wordt groter. Van vier spelers op een klein veld naar zes op negen bij negen meter, met een hoger net en sets tot 25. Wat er organisatorisch en mentaal bij die overstap komt kijken, staat in van CMV naar het grote veld. Dit artikel gaat alleen over wat je erna in de zaal doet.
Het lijf verandert. In deze jaren zit bij de meesten de piek van de groeisnelheid, en een speler die hard groeit mist maandenlang zijn eigen timing. Waarom dat gebeurt en wat je dan níét moet corrigeren, staat in wat een groeispurt met een jeugdspeler doet.
De belasting loopt op. Twee trainingen worden er drie, er komt een wedstrijd bij en de sprongen tellen dubbel zo zwaar als de uren. De richtlijnen per leeftijd, de rustdagen en de signalen dat het te veel wordt, staan in hoe vaak trainen jeugdspelers.
Er ontstaat druk om te specialiseren. De langste wordt midden, de kleinste passer, en binnen twee maanden ligt het vast. Wat dat kost en wanneer je die keuze wél maakt, staat in wanneer kies je een vaste positie. In de oefeningen hieronder blijven de rollen daarom wisselen.
In de zaal vertaalt zich dat naar vier overgangen, en die vier vormen de rest van dit artikel: meer vloer per speler, serveren vanaf de volle achterlijn, drie keer spelen, en rotatie zonder positiefout. Alle vormen draai je met één trainer, één net en twaalf tot zestien spelers.
Overgang 1: vijftig procent meer vloer per speler
Reken het door, want dit getal verklaart het halve seizoen. In de meeste miniprogramma's staan vier kinderen op ongeveer zes bij zes meter: negen vierkante meter per kind. Op het grote veld staan zes spelers op eenentachtig vierkante meter: dertienenhalf per speler. Dat is de helft meer vloer, en die helft valt precies daar waar niemand staat: diep in de hoeken en kort achter het blok.
Wat je traint is dus niet passen maar verplaatsen. Het verschil zit in de telling: een bal telt alleen als het kind hem speelde mét de voeten eronder.
Oefening 1 — Diep-kort-diep (12 minuten, per speler drie rondes). Jij staat op een verhoging aan de andere kant van het net en gooit of slaat drie ballen achter elkaar: diep in de hoek bij positie 5, kort net achter de driemeterlijn, weer diep bij positie 1. De speler moet alle drie in een doelvak van twee bij twee meter op de spelverdelersplek krijgen. Telling: per ronde maximaal 3 punten, drie rondes, negen is de topscore. De fout die je gaat zien: de derde bal wordt niet gelopen maar gereikt — geen conditieprobleem, maar een gewoonte van het kleine veld, waar reiken genoeg was.
Oefening 2 — Terug naar de basis in drie tellen (10 minuten, zes spelers in het veld). Het team speelt een vrije bal uit. Zodra de rally klaar is, raakt iedereen zijn basispositie aan — leg er de eerste weken pionnen neer — en jij gooit de volgende bal in binnen drie tellen, hardop geteld. Telling: is er bij de inworp iemand niet op zijn plek, dan telt de rally niet. Tien geldige rally's op rij is klaar. De fout die je gaat zien: spelers blijven staan waar de vorige actie eindigde. Op negen bij negen is dat precies het gat waar de volgende bal in valt.
Oefening 3 — Drie tegen drie op het hele veld (10 minuten). Twee keer drie spelers op een compleet veld, alleen zachte ballen: tippen, prikken, rustig plaatsen. Ieder kind verdedigt nu zevenentwintig vierkante meter en kan zich nergens verstoppen. Telling: een rally levert pas een punt op als er minstens zes contacten zijn geweest — anders krijgt de tegenstander het punt. Dat draait de logica om: winnen doe je door de bal in het spel te houden en de ander te laten lopen.
Overgang 2: serveren vanaf de volle achterlijn
In veel miniprogramma's mag er van dichterbij geserveerd worden; op het grote veld staat het kind ineens negen meter van het net. Een bal die net achter de driemeterlijn van de tegenstander moet landen, legt twaalf meter af; een bal tot achter in het veld achttien. Daar komt bij dat het net omhooggaat; hoeveel precies verschilt per bond en per leeftijdscategorie, dus zoek dat op in de reglementen van je eigen bond.
Het gevolg: wie vorig jaar bovenhands serveerde, valt terug op onderhands of slaat een boog die het net niet haalt. De reflex is meer volume, maar het probleem is afstand, geen herhaling. Je lost het op met een ladder.
Oefening 4 — De achterlijnladder (10 minuten, elke training). Iedereen begint drie meter vóór de achterlijn. Wie van acht services er zes in het veld krijgt, schuift een meter naar achteren; wie er minder dan vier raakt, een meter naar voren. Telling: noteer per speler waar hij aan het eind van de training staat en begin de volgende keer op die plek. Na acht weken zie je zwart-op-wit wie er is opgeschoven. De fout die je gaat zien: een kind dat vanaf de achterlijn ineens harder gaat slaan om de afstand te halen. Laat de opgooi en de armzwaai gelijk; alleen de raakhoogte mag omhoog.
Oefening 5 — Serie van drie (8 minuten). Iedere speler serveert drie ballen achter elkaar vanaf zijn eigen ladderplek. Het team telt hardop hoeveel spelers een schone serie halen. Telling: het teamdoel is twee derde van de groep; halen jullie dat, dan speelt het laatste blok vrij. Waarom geen strafrondje bij een misser: deze leeftijd is gevoelig voor falen waar de groep bij is, en straf leert ze precies het verkeerde — veilig serveren zodat er niets misgaat. Een teamtelling maakt een misser duur zonder hem beschamend te maken.
Overgang 3: drie keer spelen wordt de standaard
Op het kleine veld gaat de bal vaak in één of twee contacten terug, en dat wint ook nog. Tegen zes tegenstanders verliest die gewoonte. Zolang de tweede bal punten oplevert, blijven ze hem overspelen; met woorden leren ze dat niet af. Je regelt het in de telling.
Oefening 6 — De vrije bal in drieën (12 minuten, zes tegen zes of zes spelers zonder tegenstander). Jij gooit een hoge, makkelijke bal in. Het team moet pass, set-up en aanval maken — in die volgorde, met drie verschillende spelers. Telling: tien geslaagde reeksen achter elkaar; bij twee contacten begin je opnieuw bij nul. Dat terug naar nul doet het werk: na twee keer roept de groep zelf om de tweede bal. De fout die je gaat zien: de tweede bal wordt gespeeld door wie het dichtst bij staat, en de aanvaller staat te wachten ónder het net in plaats van drie meter erachter. Spreek één zin af — "de tweede bal is van één iemand, en die roept" — en handhaaf hem de hele training.
Oefening 7 — Het dubbele punt (20 minuten, partijvorm). Gewoon spelen, met één regel: een punt na drie contacten telt dubbel. Een wisselspeler turft hoeveel punten enkel en hoeveel dubbel waren. Telling: aan het eind reken je het percentage uit en schrijf je het op. Doe dat drie weken achter elkaar en je hebt de enige grafiek die op deze leeftijd echt iets zegt.
Overgang 4: rotatie leren zonder positiefout
Dit is de nieuwste vaardigheid van de vier, en de enige waar de scheidsrechter meteen voor fluit. De regel zelf ga ik hier niet uitleggen: de volgorde staat in de rotatievolgorde en wanneer een team precies fout staat in de positiefout. Wat hier telt is hoe je het erin krijgt zonder er drie trainingen aan te verliezen.
De kern: kinderen halen twee dingen door elkaar. Waar ze moeten stáán bij de opslag, en waar ze naartoe gáán zodra de bal geraakt is. Bijna elke positiefout van een jeugdteam komt daarvandaan. Train die twee dus apart, in die volgorde.
Oefening 8 — Droge rotatie met roep (4 minuten, de eerste zes trainingen elke keer). Zes spelers in het veld, geen bal. Jij fluit, iedereen draait één plek en roept zijn nieuwe positienummer hardop. Na twee minuten roep jij erbij wie er serveert: bij "wij serveren" nemen ze de opstelling voor de eigen opslag in, bij "zij serveren" die voor de receptie. Telling: twaalf foutloze rotaties op rij. Waarom hardop: wie zijn nummer moet zeggen, kan het niet van zijn buurman aflezen.
Oefening 9 — Pionnen voor de opslagopstelling (10 minuten). Leg per rotatie zes pionnen op de plek waar iedereen bij de opslag moet staan, één kleur per rotatie. De spelers zoeken hun pion, jij controleert, dan pas gaat de bal in het spel. Telling: zes rotaties foutloos, daarna nog een keer zonder pionnen. De fout die je gaat zien: de buitenaanvaller die al bij het net staat voordat er geserveerd is. Eén zin volstaat: wachten tot de bal geráákt is, daarna mag je overal heen.
Geef daarnaast een taak weg. Wijs per set één speler aan als opstellingscontroleur: voor elke service kijkt hij links en rechts en zegt hardop "klopt". Roteer die taak, zodat er niet één kind is dat het snapt en vijf die meelopen. Twijfel je zelf of een nieuwe opstelling door alle zes rotaties heen klopt, loop hem dan in Koach na voordat je hem op zaterdag gebruikt.
Eén training van 90 minuten waarin alle vier terugkomen
Losse oefeningen zijn nog geen programma. Zo ziet een avond eruit waarin alle vier langskomen:
- 0-10 minuten — warming-up met verplaatsing. Geen rondje lopen, maar tikspelen over de volle veldbreedte.
- 10-14 minuten — droge rotatie met roep (oefening 8). Kort, elke training, zonder bal.
- 14-24 minuten — de achterlijnladder (oefening 4). Vroeg op de avond, als de armen fris zijn.
- 24-36 minuten — diep-kort-diep (oefening 1). In twee groepen aan weerszijden van het net.
- 36-46 minuten — terug naar de basis (oefening 2).
- 46-58 minuten — de vrije bal in drieën (oefening 6). Het technische hart van de avond.
- 58-78 minuten — het dubbele punt (oefening 7), met de opstellingscontroleur erin.
- 78-88 minuten — drie tegen drie op het hele veld (oefening 3). Zachte ballen, veel lopen.
- 88-90 minuten — afsluiten. Eén zin over wat er beter ging dan vorige week.
Heb je maar 75 minuten zaal, schrap dan oefening 3 en kort de partijvorm in tot twaalf minuten. Nooit schrappen: de vier minuten droge rotatie en de vrije bal in drieën — dat zijn de blokken waarvan je op zaterdag iets terugziet. Let ook op de sprongen; deze training bevat er bewust weinig, want twee zware sprongtrainingen op opeenvolgende dagen belasten in de groeijaren precies de knie die het toch al zwaar heeft.
Eén geboortejaar, vijfendertig centimeter verschil
In een team van dertienjarigen staat een speler van 1,80 m naast een van 1,45 m, geboren in hetzelfde jaar. Dat is geen niveauverschil maar een rijpingsverschil. De algemene manieren om binnen één oefening met verschillende eisen te werken staan in één training, zes niveaus; hier gaat het om de twee vallen die bij deze leeftijd horen.
De lange die net gegroeid is, heeft geen krachtprobleem maar een timingprobleem. Geef hem minder sprongvolume en meer aanloopherhalingen zonder bal: drie passen, afzet, arm omhoog, landen — twintig keer, zonder aangooi. Vraag hem niet om harder te slaan, maar om later af te zetten, en zet de set-up tijdelijk een halve meter hoger zodat de bal op hem wacht.
De kleine die nog niet gegroeid is, wordt in twee maanden vaste passer als je niet oplet. Dat wint zelfs wedstrijden, maar het is de vroege specialisatie die je op zijn zestiende terugziet als een speler die nooit leerde aanvallen. Houd in oefening 6 en 7 de rollen wisselend: iedereen speelt per blok minstens één keer de tweede bal en één keer de aanval, ongeacht lengte.
Meng in partijvormen bewust: zet niet de vier langste in één team. Twee ongelijke teams leveren een vorm op waarin de ene helft niets leert en de andere afhaakt.
Wat je na zes weken zou moeten zien
Deze vier overgangen kosten een half seizoen, geen maand. Toch is er na zes weken iets meetbaars te zien — en dat is meteen wat je aan een ouder of aan de technische commissie laat zien:
- Het aandeel dubbele punten stijgt. Wat je startgetal in week 1 ook is, het moet in week 6 hoger liggen; de cijfers van oefening 7 heb je al liggen.
- De achterlijnladder is opgeschoven. Mik op twee derde van de groep vanaf de volle achterlijn; wie er nog niet is, staat minstens een meter verder naar achteren dan in week 1.
- Minder dan één positiefout per set. Nul is geen realistisch doel bij een net doorgestroomd team, één per set wel.
- De ballen die vallen, vallen ergens anders. In week 1 in de hoeken en achter het blok; vallen ze in week 6 vooral nog op de naad tussen twee spelers, dan ben je een niveau opgeschoven.
Blijft er één van de vier hangen, kijk dan eerst of je diagnose klopt voordat je méér gaat trainen: de bredere lijn per leeftijdsgroep staat in jeugdvolleybal trainen per leeftijdsgroep.
Kernpunt: een team van twaalf- tot veertienjarigen leert niet van méér oefeningen, maar van dezelfde negen oefeningen, zes weken lang, met een telling erop. De telling verandert de gewoonte — niet jouw uitleg langs de kant.
Veelgestelde vragen
Hoeveel keer per week traint een team van 12 tot 14 jaar?
Twee tot drie keer plus een wedstrijd is voor deze leeftijd gangbaar, maar reken liever in uren en in sprongen dan in trainingen. Juist in de groeijaren is het aantal maximale sprongen per week de grens die er echt toe doet, niet het aantal avonden in de zaal.
Mijn spelers gooien de tweede bal het liefst meteen over. Hoe doorbreek ik dat?
Niet met uitleg, maar met een telling waarin twee contacten geld kosten. Laat een punt na drie contacten dubbel tellen en een reeks bij twee contacten teruggaan naar nul. Na twee of drie trainingen roept de groep zelf om de tweede bal.
Moet ik op deze leeftijd al een vaste spelverdeler aanwijzen?
Je mag iemand een wedstrijd lang spelverdeler maken, zolang diezelfde speler op de training alles blijft doen. Leid er bij voorkeur twee op in plaats van één, want de spelverdeler heeft het grootste aantal herhalingen nodig en een blessure of een teamwissel legt anders je hele opbouw stil.
Hoe lang duurt het voordat de rotatie er echt in zit?
Reken op zes tot acht weken met vier minuten droge rotatie aan het begin van elke training. Wat langer duurt, is het onderscheid tussen waar je staat bij de opslag en waar je daarna heen gaat — daar komen bijna alle positiefouten vandaan, en dat slijt pas in de wedstrijd zelf.
Wat doe ik met een speler die sinds zijn groeispurt alles mist?
Corrigeer zijn techniek niet, maar geef hem herhalingen op halve snelheid: aanloop zonder bal, pass op een aangegooide bal in plaats van op een service. Zijn spelinzicht blijft meestal intact, dus geef hem taken waarin dat telt — coachen, aanwijzen, de opstelling controleren — zodat hij zichtbaar blijft terwijl de timing terugkomt.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach