Over de rotatie-check vóór de eerste service, de zes side-outbalkjes erna, en waarom Koach bewust niet vertelt in welke rotatie je moet beginnen.
Een uur voor de eerste service staat de opstelling op het briefje, en dan begint het rekenen. In welke rotatie staan je twee beste aanvallers samen voorin? Als hoeveelste komt je beste server aan bod? De meeste coaches doen dat op gevoel, of helemaal niet. In Koach zit er een blad voor dat je zwakste rotatie aanwijst — en verder niets zegt.
Een gesprek met Dennis Boekhout over wat er wél en niet op dat blad staat, over de zes balkjes die na afloop laten zien waar je set weglekt, en over de regel die hij zichzelf oplegde: aanwijzen mag, voorschrijven niet.
“Ik tik op Rotatie-check. Dat is een knopje onder het veld op het opzetscherm, en het doet pas iets als alle zes de plekken gevuld zijn — anders valt er niets te rekenen. Wat ik zoek is simpel: waar staat mijn spelverdeler, en wat rolt daaruit. Want zodra je hem ergens neerzet, liggen de andere vijf rotaties vast. Dat is geen keuze meer, dat is rekenwerk.
“En rekenwerk doe ik liever niet op een bierviltje in een rumoerige zaal.”
“Drie regels. Wie je beste server is en als hoeveelste hij aan bod komt. In hoeveel van de zes rotaties je twee sterkste aanvallers samen voorin staan. En: zwakste rotatie R-zoveel, laagste aanvalskracht voorlijn. Daaronder de zes rotaties als mini-veldjes met een balkje voor de sterkte. Tik je er een aan, dan zie je wie er serveert en wie er voor en achter staat.
“Dat is het. Drie regels en zes plaatjes. Ik heb er ooit een vierde regel bij gehad en die heb ik er weer uit gesloopt.”
“Omdat de app dat niet weet. Zij kent de cijfers; ik ken de week. Mijn diagonaal heeft dinsdag zijn enkel verzwikt, mijn midden komt net terug van de griep, en tegen deze tegenstander wil ik mijn beste passer vroeg aan service hebben. Daar staat niets van in de statistiek.
“En zegt de app tóch ‘begin in R4’, dan doe je één van twee dingen: je volgt hem blind, of je vertrouwt hem nooit meer. Allebei fout. Aanwijzen mag, voorschrijven niet.”
“Van je spelverdeler. De app zoekt op welke plek hij staat en leidt daar het rotatienummer uit af. Dat is precies hoe coaches het onderling ook doen: ‘we zitten in de rotatie waarin de spelverdeler serveert’. Niemand telt zones.
“Er zit ook een keerzijde aan. Wijs je geen spelverdeler aan, dan weet de app niet in welke rotatie je zat. De cijfers van die set komen dan bij een streepje terecht, en dat streepje staat gewoon in de lijst. Liever een eerlijk streepje dan een verzonnen R3.”
“Dan staat er letterlijk: nog geen spelersstats, inzichten groeien mee met gescoorde wedstrijden. De zes veldjes zie je wel — wie waar staat is pure rekenkunde, daar heb je geen data voor nodig. Maar de drie regels en de sterktebalkjes blijven weg.
“Dat vond ik belangrijk. Een leeg scherm dat doet alsof het iets weet, is erger dan een leeg scherm dat zegt dat het niets weet.”
“Op de time-outkaart. Je neemt time-out, het blad schuift omhoog en er staat: sinds het begin van de set, zoveel rally’s, zoveel punten voor en tegen, meeste fouten, zwakste rotatie. Daar betekent ‘zwakste’ iets anders dan vooraf: het is de rotatie waarin je sinds de start de meeste punten hebt weggegeven, met het aantal erachter.
“Bij 7-7 na veertien rally’s staat er R1 met een twee erachter. Twee punten. Dat is geen conclusie, dat is een richting om even naar te kijken in de dertig seconden die je hebt.”
“Dan staat in het wedstrijddetail het blok Side-out per rotatie. Zes balkjes, R1 tot en met R6, met het aantal en het percentage erachter. Side-out is de gewonnen rally op service van de tegenstander — de belangrijkste teamgraadmeter die er in volleybal is, want elke rally die je daar niet pakt, mag de tegenstander opnieuw serveren.
“Onderaan staat het totaal. In het voorbeeld dat ik altijd laat zien: 41 van de 100. Eenenveertig procent. Dat is het cijfer dat niets zegt.”
“Omdat er zes verschillende verhalen in zitten. In dat voorbeeld doet R2 vijftig procent en R3 drieëndertig. Dat is geen ruis, dat is een halve set verschil. Maar je gemiddelde is netjes eenenveertig, en op dat getal ga je niets veranderen. Je verandert pas iets als je weet dat het in één specifieke rotatie weglekt.
“Eén gemiddelde verbergt precies het probleem dat je zoekt. Daarom zijn het zes balkjes en niet één.”
“Meer dan je denkt. Daarom staat het aantal er altijd bij: 9 van de 23, 6 van de 18. Niet alleen het percentage. Zes van de achttien is drieëndertig procent, maar het zijn ook maar achttien rally’s — dat kan één goede serveerbeurt van de tegenstander zijn.
“Ik reken zelf pas ergens op als ik het over een paar wedstrijden heen zie terugkomen. De app zet het aantal erbij zodat je die afweging zelf kunt maken; ze maakt hem niet voor je.”
“Meestal niets tijdens de wedstrijd. [lacht] Ik kijk eerst waarom het daar weglekt. Staat mijn zwakste passer in die rotatie achterin? Staat mijn midden voorin met alleen een buitenaanvaller naast zich? Dat zie je op datzelfde rotatieblad, want daar staat wie er voor en wie er achter staat.
“Soms is het een wissel — één speler eruit, één erin, en de hele voorlijn van die rotatie schuift op. Maar vaker is het de training van dinsdag: die rotatie een halfuur lang serveerdruk geven. Zes wissels heb je per set; dinsdagen heb je er meer.”
“Het advies. Geen ‘begin in R4’, geen melding die zegt dat je iets moet doen, geen sterretje bij de beste opstelling. De app wijst je zwakste rotatie aan en houdt daarna haar mond.
“Dat is geen bescheidenheid. Een coach die zijn eigen zes rotaties kent, is beter dan een coach die een app gelooft. Het blad is er om die eerste coach sneller te maken, niet om hem te vervangen.”
Zet je opstelling in Koach, wijs je spelverdeler aan en open de rotatie-check vóór de eerste service. Na een paar getelde wedstrijden staan de zes side-outbalkjes er vanzelf bij.
Probeer Koach gratis