Blokkeren in volleybal: voetenwerk, timing en handen | Koach
Open de app
Kennisbank · Techniek

Blokkeren in volleybal: voetenwerk, timing en handen

Een goed blok is de meest demoraliserende actie in het volleybal: de aanvaller doet alles goed en krijgt de bal keihard terug voor zijn voeten. Toch wordt blokkeren op amateurniveau het minst getraind van alle technieken. Onterecht — want blok is vooral techniek en timing, en die zijn leerbaar.

Leestijd: 6 min

Wat een blok eigenlijk moet doen

Een blok heeft twee taken, en punten scoren is maar één ervan. Minstens zo belangrijk: het veld kleiner maken. Een goed geplaatst blok schermt een deel van het veld af, zodat je verdedigers weten waar de bal wél kan komen. Zelfs een blok dat de bal niet raakt, is geslaagd als de aanvaller moest sturen naar de plek waar jouw verdediging klaarstaat. Hoe blok en verdediging samenwerken, lees je in verdedigingssystemen en het blok organiseren.

De uitgangshouding aan het net

Sta op ongeveer een halve meter van het net, voeten op schouderbreedte, knieën licht gebogen. De handen zijn op schouderhoogte of hoger, vingers gespreid, klaar om direct omhoog te gaan — wie de handen laag laat hangen, raakt op weg naar boven het net. Kijk niet naar de bal alleen: lees pass, spelverdeler en aanvaller, in die volgorde.

Voetenwerk: zo verplaats je langs het net

Veelgemaakte fout: springen "in de breedte". Wie zijwaarts door de lucht zweeft, blokt met bewegende handen en landt gevaarlijk. Eerst verplaatsen, dan stilstaan, dan pas springen.

Timing: later dan je denkt

De gouden regel: de blokkeerder springt ná de aanvaller. Tegen een hoge bal buitenom spring je vlak nadat de aanvaller heeft afgezet; alleen tegen snelle aanvallen door het midden spring je vrijwel gelijktijdig. De meeste gemiste blokken op amateurniveau komen door té vroeg springen: de blokkeerder hangt al in de lucht terwijl de aanvaller nog kan kiezen. Kijk naar de slagarm van de aanvaller — die vertelt je wanneer en waarheen geslagen wordt.

De handen: over het net heen

Boven het net duw je beide handen actief over het net richting de bal — het zogenoemde "penetreren". Vingers wijd gespreid en aangespannen, duimen bijna tegen elkaar, polsen stevig. De schouders halen op, de buikspieren spannen aan, en je kijkt naar het contact. Handen die slap of recht omhoog staan, geven kaatsballen die bij de tegenstander alsnog raak vallen; handen óver het net sturen de bal omlaag het veld van de aanvaller in.

Let op de netfout: je mag over het net reiken, maar het net zelf niet raken tussen de antennes. En houd bij het terugkomen de handen hoog — de meeste netfouten gebeuren op de weg naar beneden.

Alleen of samen: het blok als samenwerking

Op amateurniveau blokkeer je zelden alleen. Bij een tweemansblok bepaalt de buitenste blokkeerder de plek — hij zet de lijn of de diagonaal dicht volgens de teamafspraak — en sluit de middenblokkeerder aan. "Aansluiten" betekent: schouder aan schouder, zonder gat waar de bal doorheen kan. Een blok met een gat ertussen is gevaarlijker dan geen blok, omdat de verdedigers erachter op een dichte muur rekenen. Spreek per wedstrijd af wat het blok afschermt en train het aansluiten net zo vaak als het springen; het is voetenwerk, geen toeval. Lukt het aansluiten niet op tijd, dan is de afspraak simpel: liever één goed geplaatst blok dan twee halve — de tweede blokkeerder blijft dan staan en verdedigt de korte bal.

Tip: train het blok eens zonder bal: laat tweetallen aan weerszijden van het net tegenover elkaar springen en boven het net handen 'high-fiven'. Zo automatiseer je penetreren en recht omhoog springen zonder dat de chaos van een rally erdoorheen zit.

Opbouw en oefenvormen

  1. Blokhouding en sprong ter plekke: aan het net, focus op handen over het net.
  2. Verplaatsen en blokkeren: schuif- en kruispassen langs het net, afgesloten met een sprong.
  3. Blok tegen aanval van een kist of verhoging: de trainer slaat voorspelbare ballen — ideaal om timing te isoleren.
  4. Blok in de rally: tweetallen als blok tegen echte aanvallers, met verdediging erachter.

Meer vormen vind je bij de blokoefeningen. En meet het effect niet alleen in killblocks: ook aanvallen die door het blok afgezwakt bij je verdediging vallen, tellen. Hoe je dat bijhoudt, lees je bij blokpunten meten.

Veelgestelde vragen

Telt het blokcontact als teamaanraking?

Nee. Een aanraking door het blok telt niet als één van de drie toegestane aanrakingen — na een blokaanraking mag het team de bal dus nog drie keer spelen, en de blokkeerder mag de bal zelf direct opnieuw spelen.

Mogen achterspelers blokkeren?

Nee. Alleen de drie voorspelers mogen blokkeren of aan een blokpoging deelnemen. Een achterspeler (of de libero) die aan het net een bal boven de netrand tegenhoudt, maakt een fout en het punt gaat naar de tegenstander.

Moet je bij het blokkeren naar de bal of naar de aanvaller kijken?

Beide, in volgorde: eerst de baan van de set (waar komt de aanval?), dan de aanloop en slagarm van de aanvaller (wanneer en waarheen slaat hij?). Wie alleen de bal volgt, springt te vroeg en op de verkeerde plek.

Wat is beter: hoog springen of goed staan?

Goed staan. Een blok op de juiste plek met gemiddelde sprong pakt meer ballen af dan een hoge sprong op de verkeerde plek. Voetenwerk en timing eerst; spronghoogte is de bonus, niet de basis.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach