Verdediging als statistiek in volleybal: digs per set en wat goed is | Koach Volleyball
Start 14 dagen gratis
Kennisbank · Wedstrijden & analyse

Verdediging als statistiek in volleybal: digs per set en wat goed is

Je libero heeft een uitstekende wedstrijd gespeeld. Hij haalde drie ballen die niemand haalbaar achtte, hield twee rally's levend die jullie daarna wonnen, en stond de hele middag stil op het moment dat het moest. Dan open je het wedstrijdrapport en staat hij onderaan met nul punten. Dat is geen fout in de app: verdediging maakt zelden zelf een punt. Wie dat werk toch wil wegen, moet het apart tellen — en dan is de vraag meteen: hoeveel is eigenlijk veel?

Leestijd: 7 min

De verdediger komt in geen enkele kolom voor

Elk wedstrijdrapport dat je op amateurniveau tegenkomt, telt hetzelfde: punten uit aanval, punten uit blok, punten uit service, en daarnaast de fouten. Die vier kolommen dekken alles wat een rally beëindigt. Verdediging beëindigt niets. Een dig maakt geen punt — hij maakt een kans. De rally gaat door, iemand zet, iemand slaat, en die iemand krijgt het punt op zijn naam.

Het gevolg zie je op elk spelersblad: de diagonaal staat bovenaan, de midden staat halverwege, en de libero staat onderaan op nul. Dat is de bekende blinde vlek van statistieken per speler lezen. Voor aanvallers is de kolom een spiegel, voor verdedigers is hij een leeg vel. En wat leeg blijft, verdwijnt uit de nabespreking — niet omdat je het niet waardeert, maar omdat er niets ligt waar je naar kunt wijzen.

De oplossing is niet ingewikkeld, maar hij is wel handwerk: je telt de verdediging zelf. Eén cijfer, één set per wedstrijd, met een afspraak vooraf over wat je meetelt. Vanaf daar wordt de rest — vergelijken, een doel stellen, een training kiezen — precies zo makkelijk als bij aanval en service.

Wat telt als dig en wat niet

Een dig is het redden van een aanval van de tegenstander: de bal komt hard of geplaatst jouw veld in, en jij houdt hem speelbaar in het spel. Dat is het hele idee. Maar rond die zin liggen vier randgevallen waar tellers structureel uit elkaar lopen, en die moet je vooraf dichttimmeren, anders vergelijk je volgende maand appels met peren.

Eén regel houdt het praktisch: de bal kwam vanaf de andere kant met aanvalsbedoeling, en na jouw aanraking kon een teamgenoot er nog iets mee. Kwam de bal wel, maar spatte hij van je armen de tribune in, dan is het geen dig — dat is een verdedigingspoging, en die tel je apart als je wilt weten hoe vaak je erbij was.

Digs per set: welke aantallen normaal zijn

Grove richtlijnen voor amateurvolleybal, en met nadruk op grof: een team komt in een set van 25 punten meestal uit op acht tot veertien digs. Daaronder betekent bijna altijd dat de aanvallen van de tegenstander direct doorkwamen; daarboven zie je vaak een team dat veel verdedigt omdat het weinig blokt.

Per positie liggen de verhoudingen ruwweg zo:

Het venijn zit in de vergelijkbaarheid. Digs zijn geen prestatie van jouw team alleen — ze zijn ook een functie van de tegenstander. Tegen een ploeg die twintig keer per set hard aanvalt, haal je meer digs dan tegen een ploeg die de bal netjes terugtikt, terwijl je verdediging identiek was. Daarom is het losse aantal alleen bruikbaar binnen dezelfde wedstrijd; over wedstrijden heen kijk je naar het aandeel: hoeveel van de aanvallen die binnen bereik kwamen, hield je in het spel? Tel per set de aanvallen die op een speler af kwamen en hoeveel daarvan speelbaar bleven. Een derde tot de helft is op amateurniveau een gezonde verhouding; kom je onder een kwart, dan wint de tegenstander de rally's die je op het veld had kunnen houden.

Spelersstatistieken in de Koach-app: per speler de punten uitgesplitst naar aanval, blok en service, met daaronder de libero op nul punten
Drie kolommen, drie manieren om een rally te beëindigen — en onderaan de libero op nul. Precies dat gat vul je met een eigen telling.

De helft die niemand telt: wat er ná de dig gebeurt

Een dig op zichzelf is een halve prestatie. De vraag die telt is wat je team met die geredde bal deed. Een bal die hoog in het midden van je eigen veld terechtkomt, geeft je spelverdeler tijd en je aanvaller een aanloop. Een bal die net over het net terugvalt of achter de achterlijn belandt, is formeel gered en praktisch weggegeven.

Noteer daarom naast elke dig of de rally daarna gewonnen werd. Dat kost je één streepje extra en levert het interessantste cijfer van het hele onderwerp op: je omzetting. Op amateurniveau win je ruwweg een derde van de rally's die met een dig beginnen — de tegenstander staat immers goed en jij speelt out of system. Zit je daar structureel onder, dan ligt het probleem zelden bij de verdedigers. Dan is het de eerste bal na de redding die niet aankomt, of de aanvaller die niet meer aan de aanloop toekomt omdat hij op de vloer stond te kijken.

Dat onderscheid verandert je training compleet. Meer digs train je met verdedigingswerk; meer omgezette digs train je met overgangsvormen waarin de bal na de redding meteen een aanval moet worden. Het cijfer vertelt je welke van de twee je nodig hebt, en dat is precies wat een statistiek hoort te doen.

Zo tel je het zonder de wedstrijd te missen

Niemand houdt vijftien kolommen bij terwijl hij coacht. Daarom drie versies, van licht naar zwaar — kies er één en houd hem het hele seizoen aan.

  1. Eén set, één cijfer. Tel alleen in de tweede set het totale aantal digs van je team. Vier wedstrijden later heb je een lijn. Dit kost je vrijwel geen aandacht en is genoeg om te zien of je verdediging beweegt.
  2. Eén set, per speler. Zet de namen van je achterlijn onder elkaar en zet een streepje per dig. Een schuine streep door het streepje betekent: rally gewonnen. Aan het eind van de set heb je aantal én omzetting, in één blik.
  3. Alles, gedelegeerd. Geef het lijstje aan een geblesseerde speler, een wisselspeler of een ouder die toch kijkt. Verdediging tellen is het makkelijkste dat je uit handen kunt geven: er is geen positiekennis voor nodig, alleen de vier afspraken uit de vorige paragraaf.

Wat je ook kiest: leg het op papier vast, niet in je hoofd. De handigste vorm en de valkuilen ervan staan in volleybalstatistieken op papier bijhouden. Digs zijn overigens geen kolom in Koach — de app registreert de acties die een rally beëindigen. Wil je de uitkomst toch bewaren zonder een tweede systeem te beginnen, zet hem dan na afloop in de notitie bij de speler: "12 digs in set 2, 5 omgezet" is over drie maanden nog steeds te lezen, en staat op dezelfde plek als de rest van je observaties over die speler.

Tel een set die ergens over gaat. De eerste set is warmdraaien en de laatste is vaak beslist. Tel altijd dezelfde set — bijvoorbeeld de tweede — dan vergelijk je wedstrijden waarin je team even scherp stond, en niet de ene keer een zenuwachtige opening met de andere keer een uitgespeelde slotset.

Wat je uit de cijfers kunt lezen — en wat niet

Vier patronen komen zo vaak terug dat je ze na drie wedstrijden herkent.

En de begrenzing, want die is hier groter dan bij andere cijfers: dit zijn kleine aantallen uit één set, met een menselijke teller die een paar ballen mist. Twaalf tegen negen digs is geen verschil. Twaalf tegen vier over drie wedstrijden wél. Gebruik het cijfer om je aandacht te richten, nooit om een speler een rapportcijfer te geven — en zeker niet om twee spelers op verschillende posities met elkaar te vergelijken. Een midden en een libero doen niet hetzelfde werk, dus hun kolommen mogen niet naast elkaar liggen.

Van cijfer naar training

Een gemeten verdediging is pas iets waard als er iets verandert. De vertaalslag is meestal een van deze drie.

Zijn het vooral de zachte ballen die vallen — tips, rolballen, ballen die halverwege het veld neerkomen — dan is dat geen kwestie van sneller kunnen. Dan staat je team te ver naar achteren of niet stil op het moment van de klap. Dat is houding en positie, en dat is snel te verbeteren: verdedigen: houding, positie en duiktechniek gaat daarover.

Zijn het vooral de harde ballen die je niet raakt, dan train je reactievormen en het lezen van de aanvaller. Kies je vormen daarop uit — verdedigingsoefeningen lopen van rustige houdingsvormen tot ballen die je pas op het laatste moment ziet komen.

En als de digs er wel zijn maar de rally's niet gewonnen worden, ligt het werk achter de verdediging. Dan hoort de overgang van redding naar aanval in je programma, en is het handig om er meteen naar te kijken via je side-outpercentage: dat vertelt of je hetzelfde probleem ook hebt op de ballen waar je wél tijd voor had. Is je side-out prima en je omzetting laag, dan is het echt de chaos na de dig. Zijn beide laag, dan zit het in je opbouw en niet in je verdediging.

Twee cijfers per wedstrijd, één set lang geteld, drie maanden volgehouden: dat is genoeg om de enige speler op het veld die nooit in een kolom voorkomt eindelijk iets te kunnen laten zien.

Veelgestelde vragen

Telt een bal die van het blok terugkomt als dig?

Ja. De bal komt met aanvalssnelheid je eigen veld in en jij houdt hem speelbaar — dat is precies wat een dig is. Het maakt niet uit of hij van het blok van de tegenstander of rechtstreeks van de aanvaller komt. Spreek dit vooraf af, want dit is het randgeval waar tellers het vaakst uit elkaar lopen.

Wat is het verschil tussen een dig en een receptie?

Een receptie is het ontvangen van een service, een dig is het redden van een aanval. Het onderscheid is niet formeel maar praktisch: bij een service weet je precies wanneer de bal komt en sta je klaar, bij een aanval reageer je in een fractie van een seconde. Houd ze daarom in twee aparte lijstjes bij, anders zegt geen van beide cijfers nog iets.

Hoeveel digs per set is goed voor een libero?

Drie tot zes per set is op amateurniveau een normaal bereik, maar het hangt sterk af van hoe vaak de tegenstander in zijn richting aanvalt. Een libero die de bal zelden krijgt omdat de tegenstander om hem heen speelt, kan een uitstekende wedstrijd hebben met twee digs. Vergelijk hem daarom vooral met zichzelf over meerdere wedstrijden.

Kan ik digs automatisch laten bijhouden?

Niet met de gebruikelijke wedstrijdregistratie: die legt vast wie het punt maakte, en een dig maakt geen punt. Video-analyse kan het wel, maar kost per wedstrijd meer tijd dan de meeste amateurcoaches hebben. Eén set per wedstrijd met de hand tellen levert in de praktijk vrijwel dezelfde conclusies op.

Mijn beste verdediger heeft de minste digs. Hoe kan dat?

Dat komt vaker voor dan je denkt, en er zijn twee verklaringen. Of tegenstanders spelen bewust om hem heen, of hij staat zo goed dat ballen die anderen duikend halen bij hem gewoon aankomen — en dat oogt onopvallend. Leg zijn aantal daarom altijd naast wat je zag, niet in plaats daarvan.

Hoe lang moet ik tellen voordat het iets zegt?

Reken op drie tot vier wedstrijden voordat er een lijn in zit. Eén set uit één wedstrijd is een momentopname met kleine aantallen: een verschil van twee of drie digs kan puur toeval zijn. Pas als hetzelfde patroon zich herhaalt, is het een gegeven waar je een trainingskeuze op baseert.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach