Coach Dennis Boekhout over het bezwaar dat hij het vaakst hoort — bij ons valt niets te meten — en over de drie cijfers die op recreatieniveau wél kloppen.
Het bezwaar komt bijna altijd in dezelfde vorm: bij ons is het niveau te laag, daar valt niets te meten. Statistieken bijhouden bij recreanten voelt voor veel coaches als een pak dat twee maten te groot is — aanvalspercentages van een team dat elke rally anders opbouwt, wie wordt daar wijzer van? Dennis Boekhout, coach en bouwer van Koach, geeft ze half gelijk.
Een gesprek over de drie dingen die op dat niveau wél iets opleveren, over wat hij bij een recreantenteam meteen zou laten liggen, en over de knop die niet in de app zit.
“Dat het niveau te laag is. Letterlijk: ‘Bij ons heeft dat geen zin, wij doen maar wat.’ Ik hoor het van recreantenteams, van dinsdagavondgroepen, van de coach van een zesde team. En ik snap het wel, want wat mensen in hun hoofd hebben bij het woord statistieken is een scoreformulier met vijftien kolommen en iemand die de hele avond niet naar het veld kijkt.”
“Voor de helft, ja. Aanvalspercentages zeggen weinig als de opbouw elke rally anders is. Als de pass de ene keer keurig bij de spelverdeler ligt en de keer erna drie meter uit het veld, dan meet je niet de aanvaller maar de toevalligheid ervoor. Daar heb je geen app voor nodig om dat te zien.
“Waar ik het niet mee eens ben, is de conclusie: dus houden we niets bij. Dat is springen van ‘dit ene cijfer klopt niet’ naar ‘geen enkel cijfer klopt’. Er zijn drie dingen die op élk niveau kloppen, en die kosten je bij elkaar geen twee minuten per avond.”
“Wie er was. Wie er speelde. En of de soort fout verschuift. Meer niet. Die eerste twee houd je toch al half in je hoofd bij, en de derde doe je een paar keer per seizoen.
“Het mooie is dat ze geen van drieën iets met niveau te maken hebben. Een aanwezigheidspercentage betekent bij een eerste team precies hetzelfde als bij een groep die op dinsdag komt om te zweten en te lachen: dit is hoe vaak jij er stond.”
“Omdat het de enige is die je sowieso al nodig hebt. Je moet weten of je zaterdag zes man hebt. Dat je er ondertussen een seizoenscijfer uit krijgt, is meegenomen — je doet er niets extra’s voor.
“En het levert het eerlijkste gesprek op dat er is. Als iemand moppert dat hij weinig speelt, kun je bij een recreantenteam twee dingen doen. Het gevoelsantwoord geven, of zeggen: kijk, je was er acht van de zestien keer. Dat is geen verwijt, dat is gewoon het scherm. Ik zet er ook af en toe ‘te laat’ bij, en daar zit vaak meer informatie in dan in welk aanvalspercentage dan ook.”
“Bij een prestatieteam noem je dat speeltijd. Bij recreanten is het iets anders: het is de controle op je eigen eerlijkheid. Iedereen zegt dat hij netjes rouleert. Bijna niemand controleert het.
“Na een wedstrijd zie ik gewoon staan wie er die dag bij was en wie niet. Dat is één tik bij het opslaan van de uitslag. Drie maanden later heb ik geen discussie meer over wie er ‘altijd op de bank zit’, want het staat er. En als blijkt dat diegene gelijk had, dan weet ik dat ook, en dat is de helft van de waarde.”
“Ja, en dat is ook de enige van de drie die ik niet elke week zou doen. De app kent zes soorten: servicefout, aanvalsfout, slechte pass, te laat, netfout en overige. Om die te vullen moet je punt voor punt meekijken, en dat is precies wat een recreantenteam niet nodig heeft.
“Mijn advies: doe het één set. Niet de hele wedstrijd, niet elke week. Eén set in oktober en één in februari. Je hoeft daarna niets met percentages te doen, je kijkt alleen of de stapel verschoven is. Waren het in oktober vooral servicefouten en in februari vooral netfouten, dan is er iets veranderd. Dat is een trainingsonderwerp, en het is er een die niemand op gevoel had aangewezen.”
“Het punt voor punt scoren. Dat scherm is gebouwd voor een wedstrijd waarin het ergens om gaat: je tikt wie scoorde, daarna hoe. Twee tikken per rally. Op een dinsdagavond ben je dan de hele avond naar je telefoon aan het kijken in plaats van naar je spelers, en daar heeft niemand om gevraagd.
“Ik zou ook de sterwaarderingen laten liggen. Techniek, spelinzicht, coachbaarheid, werkhouding, inzet — dat zijn vijf schuifjes per speler per training. Bij een selectieteam is dat een gesprek waard. Bij een groep die komt om lekker te ballen maak je er een beoordelingsavond van, en dan ben je precies de sfeer aan het slopen die je zou moeten bewaken. [lacht] Vraag me niet hoe ik dat weet.”
“Nee. Dat moet ik gewoon eerlijk zeggen: er is geen schakelaar waarmee je een team op licht zet. Wat je uitzet, zet je uit door het niet te doen. Registreer je geen punten, dan is er ook geen puntenlijst — er staat dan letterlijk niets. En zolang je je spelers geen uitnodiging stuurt, heeft ook niemand anders een scherm om naar te kijken.
“Wat wel bestaat, is de tussenweg. Je kunt de uitslag achteraf invullen, ook dagen later nog: setstanden erin, en daarna mág je per speler punten en fouten invullen. Mag, niet moet. Laat je die velden leeg, dan heb je een wedstrijd met een uitslag en een aanwezigheidslijst, en klaar. Eén ding moet je weten: fouten die je zo achteraf intikt, komen in de foutverdeling onder ‘Overige’ terecht. De soort ben je dan kwijt.”
“Alleen als er iets te verdelen valt. De prestatiebadges — MVP, Topscorer Aanval, De Muur, Ace Machine — hebben punten nodig. Registreer je die niet, dan verschijnen ze niet. Er wordt niets verzonnen.
“Wat wél blijft werken, zijn de badges over aanwezigheid en karakter: Op Rij, IJzeren Wil, Eerste Dag, Trouwe Speler. En eerlijk gezegd zijn dat op recreatieniveau de enige die ergens over gaan. Niemand op die dinsdagavond wordt topscorer van het jaar. Wel degene die er in januari nog steeds elke week staat, en dat mag best een keer opgemerkt worden.”
“Ja, en dat is het stuk dat coaches onderschatten. Mensen doen niet aan sport om niets te worden. Ook op de dinsdagavondgroep wil iemand weten of hij vooruitgaat. Alleen is ‘vooruitgaan’ daar iets anders dan een aanvalspercentage.
“Het is: ik sta er vaker dan vorig jaar. Ik sla er niet meer drie achter elkaar in het net. Ik durf nu te serveren als het 22-22 staat. Dat zijn geen statistieken, dat zijn zinnen. Maar twee van die drie kun je onderbouwen met wat je toch al bijhoudt, en dat maakt ze geloofwaardig in plaats van aardig bedoeld.”
“Acht weken alleen aanwezigheid. Verder niets. Geen scoreformulier, geen waarderingen, geen gesprek over data. Gewoon elke training aanvinken wie er is.
“Kijk er daarna één keer rustig naar. Denk je: hier had ik iets aan — prima, breid uit. Denk je: dit zegt me niks — ook prima, dan stop je ermee en heb je er acht keer dertig seconden aan verloren. Dat is een eerlijkere test dan mijn mening, of die van wie dan ook.”
Zet je team in Koach en vink acht weken lang alleen af wie er is. Geen scoreformulier, geen waarderingen. Kijk daarna zelf of het je iets oplevert.
Probeer Koach gratis