Volleybalcoach Dennis Boekhout over meten bij de jeugd: wat hij vastlegt, wat hij bewust weglaat en waarom dat twee verschillende beslissingen zijn.
Bij de eerste jeugdwedstrijd van het seizoen staat er altijd een ouder langs de lijn die vraagt hoe zijn dochter het doet. Statistieken bijhouden in jeugdvolleybal is verleidelijk: de telefoon ligt er toch al, de app telt toch al mee. Alleen kan een getal dat klopt voor een speler van zeventien een kind van tien uit het spel jagen.
Dennis Boekhout coacht zelf een jeugdteam en bouwde Koach. Hij legt uit waar hij de grens trekt: op leeftijd, en op hoeveel een speler van zijn eigen cijfers ooit te zien krijgt.
“Dat is één vraag te weinig. Er zitten er twee in. Wat leg je vast, en wat krijgt het kind daarvan te zien? Dat zijn twee losse beslissingen, en ik zie coaches ze bijna altijd in één keer nemen. Je kunt alles vastleggen en bijna niets laten zien. Dat is precies wat ik doe.”
“Aanwezigheid. Verder niets. Bij de jongste categorie — in de app heet die Volleystars, alles tot en met elf jaar — vink ik af wie er is, wie zich heeft afgemeld en wie er zonder bericht niet staat. Drie knoppen per naam, klaar in twintig seconden.
“En onderschat dat niet. Na een half seizoen weet ik wie er elke donderdag staat, ook in november als het regent. Dat zegt me meer over een kind van tien dan welk aanvalspercentage ook.”
“Nee. Bij een kind van tien of elf meet je de groeispurt, niet de speler. Wie in februari tien centimeter groeit, ziet zijn cijfers instorten omdat zijn timing weg is. Dat is geen terugval, dat is een lichaam. Op een grafiek ziet het er alleen wél uit als een terugval, en zo gaat een kind het ook lezen.
“Bovendien weet ik heus wel wie er goed serveert. Daar heb ik geen percentage voor nodig, ik sta er elke week bij.”
“Bij ons kantelt het rond Jeugd C, twaalf en dertien jaar. De app leidt die categorie zelf af uit de geboortedatum, dus ik hoef niets uit te rekenen. Op die leeftijd gaan ze zichzelf toch al vergelijken. Dat gebeurt in de kleedkamer, met of zonder app.
“Vanaf dat moment helpt het juist om iets te hebben dat klopt. Anders wint het gevoel van de kleedkamer, en dat gevoel gaat bijna altijd over de laatste wedstrijd.”
“Ja, maar niet om te meten. Ik tik tijdens de rally’s per punt aan wie hem maakte en hoe, omdat ik daar mijn wissel en mijn time-out uit haal. Dat de cijfers achteraf blijven staan is bijvangst.
“En let op wát er blijft staan: tellingen. Twaalf aanvalspunten is geen oordeel over een kind, dat is gewoon wat er is gebeurd.”
“Minder dan ik. Dat is geen instelling die ik heb aangezet, zo is de app gebouwd. Op mijn scherm staat zijn profiel: positie, leeftijd, persoonlijk doel, de seizoenscijfers, de fouten. Op zijn scherm staat zijn eigen aanwezigheid, zijn eigen punten en de eerstvolgende training.
“Het verschil zit in wat er wegvalt. Hij ziet mijn inzetbeoordeling niet, hij ziet mijn notities niet, hij ziet de leeftijd van zijn teamgenoten niet, en hij kan het profiel van een teamgenoot niet eens openen. Vergelijken kan alleen ik.”
“Omdat een ster een oordeel is en een punt een telling. Na de training tik ik op een naam en geef ik sterren voor de inzet. Dat is wat ík ervan vond, op een donderdagavond, misschien na een rotdag op mijn werk. Zoiets hoort niet ongefilterd op de telefoon van een kind van dertien.
“Punten per wedstrijd laat ik wel staan, grafiek en al. Daar valt weinig over te ruziën. Dat verschil tussen een oordeel en een telling is eigenlijk de hele regel.”
“Die vraag krijg ik elk seizoen, en hij is terecht. Een ouder kan in Koach aan zijn kind gekoppeld worden. Wat hij dan ziet, is wat er van zijn kind gevraagd wordt: de eerstvolgende training, het huiswerk dat ik heb meegegeven, de bardienst, of hij moet rijden. Geen cijfers over zijn kind.
“Dat is een keuze. Zodra een ouder een cijfer ziet, gaat het in de auto naar huis over dat cijfer. En de auto naar huis is de plek waar het plezier in deze sport het vaakst sneuvelt.”
“Dan laat ik het zien. Samen, op mijn telefoon, met mijn stem erbij. Dat is iets heel anders dan een dashboard dat elke avond in zijn broekzak zit.
“En er is één cijfer dat echt van hem is: zijn persoonlijk doel. Dat staat bovenaan zijn profiel en hij mag het zelf aanpassen. Bij een speler van zeventien staat daar zoiets als ‘aanvalspercentage naar 45 procent’. Bij een speler van twaalf staat er meestal ‘alle trainingen halen’. Ook goed.”
“Nee. Die zit er niet in, en ik ga hem ook niet verzinnen omdat het goed klinkt in een interview. Wat ik niet vastleg, bestaat niet — dat is mijn enige knop. Score ik een jeugdwedstrijd niet live mee, dan staat er achteraf ook niets.
“Of dat een gat is? Misschien. Er heeft nog nooit een coach om gevraagd. Als het er ooit komt, wil ik eerst weten wat iemand precies wil afschermen: het vastleggen of het tonen. Weer diezelfde twee.”
“Begin met aanwezigheid en doe een seizoen lang niets anders. [lacht] Dat meen ik. Een heel seizoen aanwezigheid vertelt je meer dan een half seizoen aanvalspercentages met gaten erin, en het kost je twintig seconden per training.
“En ga je daarna tellen, vraag je dan bij elk getal af of je het aan het kind zou laten zien. Kun je het niet in één zin uitleggen, dan hoort het bij jou te blijven.”
Koach houdt aanwezigheid, inzet en statistieken per speler bij, en laat een speler alleen zijn eigen cijfers zien. Zet je team in tien minuten op en bepaal zelf hoe ver je gaat.
Probeer Koach gratis