Oefeningen middenaanvaller: vijf vormen voor de drukste speler
Je middenaanvaller springt per set dertig tot veertig keer en slaat er vijf. Op een gemiddelde training keert die verhouding niet om, maar wordt hij nog schever: de spelverdeler zet naar de kanten, de partijvorm loopt door, en de midden staat er vooral bij. Vijf oefeningen die hem terugbrengen in het spel.
Waarom de midden op de meeste trainingen te weinig ballen krijgt
Tel op een willekeurige dinsdagavond eens hoeveel aanvallen elke speler slaat. In een groep van twaalf komt daar meestal hetzelfde uit: de buitenaanvallers halen er dertig tot vijftig, de middens vijftien. Dat is geen onwil, maar het gevolg van hoe een training in elkaar zit. Aangooien vanaf de kant komen bijna altijd bij positie 4 terecht, de spelverdeler kiest onder druk de veiligste bal, en in een partijvorm eindigt de rally al voordat de eerste tempo aan de beurt is.
Het probleem is dat juist deze positie herhaling nodig heeft. Een quick is een afspraak op een halve meter nauwkeurig tussen twee spelers, en die afspraak verdampt in twee weken zonder oefening. Wat de midden in de wedstrijd allemaal doet, staat in de taken van de middenaanvaller; hier gaat het over de vraag hoe je die taken op training aan bod laat komen. Houd daarbij deze volgorde aan, want elke stap leunt op de vorige:
- De quick op één vast punt — zonder blok, zonder druk, tot hij saai wordt.
- Meer dan één aanvalspunt — vóór de spelverdeler, erachter, en de verplaatsingsbal.
- De keten blok–landen–aanloop — de fase waarin hij in de wedstrijd verdwijnt.
- Afwerken van dichtbij — tegen een blok dat er meestal al staat.
- De wedstrijdvorm — waarin de dreiging pas geld waard wordt.
De blokverplaatsing zelf laat ik hier weg: die heeft zijn eigen opbouw en staat compleet in de blokoefeningen voor je middens.
Oefening 1: de quick op één punt (12 min)
Opstelling: spelverdeler op zijn gewone plek bij het net, midden start op positie 3 op ongeveer drie meter van het net, één speler gooit vanaf positie 6 met een boog aan alsof het een pass is. Ballen aan de kant, geen blok.
Verloop: vijftien ballen achter elkaar met hetzelfde duo, allemaal naar precies hetzelfde punt — ongeveer een meter links van de spelverdeler, een halve meter boven de netband. De midden vertrekt op de aangooi, niet op de set: zijn slagarm hoort al gestrekt te zijn op het moment dat de spelverdeler de bal raakt.
Telling: hoeveel van de vijftien ballen hij raakt zonder in de lucht te wachten en zonder zijn arm te buigen. Onder de acht heeft het geen zin om verder te gaan naar oefening 2. Twaalf is goed.
Correcties: wacht hij in de lucht, dan is de set te hoog of vertrekt hij te vroeg. Moet hij de bal achterna reiken, dan zet de spelverdeler te ver van zichzelf af. Laat het duo pas wisselen na de hele serie — timing bouw je in reeksen op, niet per bal. Welke snelheden er verder bestaan en hoe je ze benoemt, staat in aanvalstempo's van hoge bal tot eerste tempo.
Film één serie vanaf de zijlijn, op kniehoogte. Zet het beeld stil op het moment dat de spelverdeler de bal raakt. Staat de slagarm van de midden dan al gestrekt boven het net, dan klopt de timing. Hangt hij nog met beide armen laag, dan vertrekt hij te laat — en dat zie je vanaf de kant met het blote oog bijna nooit.
Oefening 2: drie punten aan het net (15 min)
Een midden die altijd op dezelfde plek aanvalt, is na één set doorzien. Deze oefening voegt twee alternatieven toe aan de vaste quick.
De drie punten: A is de gewone quick, ongeveer een meter vóór de spelverdeler. B ligt direct achter de spelverdeler, waarbij die de bal over zijn hoofd zet en de midden zijn aanloop tot twee passen inkort. C is de verplaatsingsbal: de midden loopt langs het net richting de linkerantenne en zet af terwijl hij nog in beweging is.
Verloop: drie series van vijf, elk met één vast punt, zodat het duo weet wat er komt. Daarna vijf ballen waarbij de aangooi bewust een meter naast de spelverdeler valt: de midden moet nu zelf kiezen, want een pass die te ver naar rechts ligt maakt C onmogelijk.
Telling: geraakt binnen een meter van het afgesproken punt telt. Bij de vrije ballen telt alleen of aanvaller en spelverdeler dezelfde keuze maakten — dat is wat je hier traint, niet de kill.
Correcties: bij C vertrekken de meeste spelers te vroeg, waardoor ze onder de bal doorlopen; laat ze pas starten als de pass boven de spelverdeler is. Bij B blijft de aanloop vaak te lang, waardoor de midden achter de spelverdeler tegen hem aan loopt.
Oefening 3: blok, landen, opnieuw aanlopen (12 min)
Verloop: de midden staat op positie 3, verplaatst zich naar positie 4 en blokt daar, landt, komt twee stappen los van het net en maakt meteen zijn aanloop voor een quick. Bij ongeveer een op de drie herhalingen krijgt hij die bal ook echt — jij gooit onvoorspelbaar. Acht herhalingen zonder pauze, dan wisselen, drie series per speler.
Telling: laat een niet-spelende speler turven hoeveel van de acht aanlopen nog uit drie volledige passen bestaan. Bij vrijwel iedereen zakt dat vanaf herhaling vijf, en precies daar zit het verschil met de wedstrijd, waar de vijfde bal van een lange rally ook de belangrijkste is.
Correcties: wie na het blok met de neus naar het net landt en dan achteruit schuifelt, verliest een halve seconde en daarmee zijn hele aanloop. De landing draait al een kwartslag naar binnen, zodat de eerste stap achteruit een gewone looppas is. Let daarbij ook op de landing zelf: op twee voeten, met gebogen knieën, en niet op de lijn — dat is de sprong die je middens het vaakst maken en dus de plek waar hun knieën het meeste te verduren krijgen. De bredere omschakeling van verdedigen naar aanvallen, voor alle posities tegelijk, staat in de transitie-oefeningen.
Oefening 4: afwerken van dichtbij (12 min)
Een midden slaat een bal die maar een halve meter boven de band ligt, vanaf dertig tot vijftig centimeter van het net, meestal tegen een blokkeerder die al staat. Vol slaan naar de diepte kan dan simpelweg niet: de hoek is te steil. Hij heeft dus drie oplossingen nodig in plaats van één.
Opstelling: één blokkeerder tegenover de midden, twee matten of pionnenvakken in de achterhoeken op ongeveer vijf meter van het net, verder een leeg veld.
Verloop: twaalf quicks. De blokkeerder kiest willekeurig of hij links of rechts van de aanvaller springt en houdt zijn handen echt boven het net. De midden mag hard door de opening slaan, over de handen naar de diepte spelen, of achter het blok prikken.
Telling: mat is twee punten, veld één, blok of uit nul. Onder de twaalf punten uit twaalf ballen leunt de speler op één oplossing — kijk dan welke twee hij nooit gebruikt. De technieken voor die zachte ballen staan in prikbal en tip.
Correctie: de midden die elke bal hard door het midden ramt scoort in deze oefening prima zolang het blok fout gokt, maar in de wedstrijd is dat precies de bal die de tegenstander graag ziet. Geef hem daarom een serie waarin hard slaan één punt oplevert en de mat drie.
Oefening 5: side-out met een verplichte middenaanval (20 min)
Verloop: gewone side-outvorm zes tegen zes — service, pass, set, aanval — met één extra regel: het ontvangende team krijgt alleen een punt als de midden zijn aanloop volledig heeft gemaakt. Een speler langs de kant beoordeelt dat en heeft het laatste woord.
Fase 2: elke derde side-out moet ook echt via de midden gespeeld worden. Nu moet de spelverdeler kiezen onder druk, en dat is een vaardigheid die je niet in een aanvalsrijtje traint.
Telling: tien pogingen per rotatie, zeven geslaagde side-outs en het team draait door. Bij een pass die verder dan drie meter van het net valt vervalt de eis — anders leer je je spelverdeler een bal forceren die er niet is. Wat je in die gebroken situaties wél doet, staat in out of system spelen.
Waarom deze vorm het belangrijkst is: hier merkt de tegenstander de midden voor het eerst. Zolang hij op training alleen in geïsoleerde series aanvalt, blijft de dreiging theorie, en op zaterdag vertrekt de blokkeerder van de tegenstander gewoon meteen naar de zijkant.
Zo past het in een training van negentig minuten
Je hoeft hier geen hele avond voor vrij te maken. Tien tot vijftien minuten per training is genoeg, mits het elke week gebeurt. Een werkbare verdeling van negentig minuten: tien minuten warming-up, twintig minuten een techniekblok waarin de middens oefening 1 of 2 draaien terwijl de kanten hun eigen aanvalsserie doen, vijftien minuten blokverplaatsing voor iedereen, en de resterende vijfentwintig minuten de wedstrijdvorm uit oefening 5. Oefening 3 en 4 wissel je om de week af met het techniekblok.
Heb je maar één midden, laat dan een buitenaanvaller de tweede rol spelen: hij leert er de blokverplaatsing bij en jouw midden krijgt een tegenstander. Is de groep kleiner dan acht spelers, sla oefening 5 dan over en verleng oefening 3 — de keten blok–landen–aanloop heeft geen tegenstander nodig en is toch de zwaarste.
Springbelasting en wat je meet
Deze oefeningen zijn zwaar. Een midden maakt in een set al dertig tot veertig sprongen, en een avond met twee quickseries en een blokketen komt daar makkelijk overheen. Spreid dat over de week: geen twee zware sprongavonden achter elkaar, en na een wedstrijddag een training waarin de middens vooral aan de tweede en vierde oefening werken in plaats van aan de derde. Klachten aan knie, rug of schouder die na een paar trainingen niet weg zijn, horen bij een fysiotherapeut of arts en niet bij een aangepast oefenschema — vooral bij jonge spelers die in de groei zitten. Meer over dat specifieke patroon in knieklachten en de springersknie.
Wat vooruitgang betreft: kijk niet naar het aantal punten van je midden, want dat cijfer hangt af van hoe vaak de spelverdeler hem kiest. Vier maatstaven die wel iets zeggen:
- Aandeel middenaanvallen. Hoeveel procent van alle aanvallen van je team ging via het midden? Op amateurniveau is vijftien tot vijfentwintig procent een realistisch doel; onder de tien procent bestaat de dreiging niet.
- Aanvalspercentage. Van een midden mag dit hóger liggen dan van je buitenaanvallers, want hij slaat van dichtbij en vaak tegen minder blok. Ligt het lager, dan krijgt hij verkeerde ballen of gebruikt hij maar één oplossing. Wat het cijfer precies meet, staat in het aanvalspercentage.
- Blokaanrakingen, niet alleen blokpunten. Een blok dat de aanval afremt tot een verdedigbare bal telt nergens mee en wint wel rally's. Turf ze een wedstrijd lang met de hand.
- Aanlopen zonder bal. Tel één set lang hoe vaak hij vertrekt terwijl de bal ergens anders heen gaat. Dat getal verandert het snelst van alles en het bepaalt of alle vorige punten überhaupt kunnen werken.
Houd je de punttypes per speler bij — in Koach zit dat in de puntregistratie tijdens de wedstrijd — dan heb je die eerste twee cijfers na drie wedstrijden vanzelf, en zie je na een blok van zes weken of het oefenen ergens toe heeft geleid.
Veelgestelde vragen
Hoeveel aanvallen krijgt een middenaanvaller per set?
Op amateurniveau vaak vier tot zeven, terwijl hij in diezelfde set dertig tot veertig keer springt. Dat scheve getal is normaal voor de positie: zijn aanloop houdt de blokkeerder van de tegenstander in het centrum, ook op de keren dat hij de bal niet krijgt.
Hoe train ik de quick met een midden die hem nog niet kan?
Begin zonder net en zonder blok, met de spelverdeler en de midden alleen, en altijd op hetzelfde punt. Laat de midden eerst tien ballen vangen op zijn hoogste punt voordat hij mag slaan, zodat het over timing gaat en niet over kracht. Pas als tien van de twaalf ballen op dezelfde plek komen, voeg je een blokkeerder toe.
Wat doe ik als mijn spelverdeler de midden nooit kiest?
Dat is bijna altijd een vertrouwenskwestie en geen tactische keuze. Maak het in een oefening verplicht — elke derde bal via het midden — en laat het duo apart series draaien, zodat de spelverdeler weet waar de bal aankomt. Verplicht hem niets bij een pass verder dan drie meter van het net.
Kan ik middenoefeningen doen met maar één midden in de groep?
Ja. Zet een buitenaanvaller in als tweede midden: hij leert er de blokverplaatsing bij en jouw eigen midden heeft een tegenstander om tegen te oefenen. Voor de quickserie heb je sowieso alleen een spelverdeler, een aangooier en een bal nodig.
Hoe vaak per week kan een midden dit soort oefeningen doen?
Twee keer per week met minstens een dag ertussen werkt voor de meeste teams, omdat de sprongbelasting hoog is. Plan de zware blok-transitieoefening niet op de dag na een wedstrijd, en houd bij aanhoudende knie- of schouderklachten eerst het oordeel van een fysiotherapeut of arts aan.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met Koach

