Volleybalcoach Dennis Boekhout over het gesprek dat elke jeugdcoach een keer krijgt, en wat er verandert als je speeltijd kunt laten zien in plaats van herinneren.
De zaal is bijna leeg, de tassen staan al bij de deur, en dan komt er een ouder naar je toe. Mijn kind speelt te weinig. Elke jeugdcoach krijgt dat gesprek een keer, en bijna niemand heeft er een antwoord op dat verder komt dan een gevoel. Dennis Boekhout coachte jarenlang uit zijn hoofd en liep er elke keer op vast.
Een gesprek over speeltijd die je kunt laten zien in plaats van schatten, over rally's als eerlijker eenheid dan minuten, en over de keren dat de ouder aan de andere kant van de tafel gewoon gelijk had.
“Nooit tijdens de wedstrijd. Altijd erna, als de zaal bijna leeg is en de ouder heeft staan wachten tot ik alleen sta. Dat is op zichzelf al een teken: hij heeft het een paar weken opgespaard. En dan komt het er in één zin uit: mijn kind speelt te weinig.
“En dan sta ik daar met mijn tas over mijn schouder en moet ik iets zinnigs zeggen over drie wedstrijden waarvan ik hooguit de laatste anderhalve set nog scherp voor me zie.”
“Iets aardigs. ‘Hij heeft zaterdag toch aardig wat gespeeld’, of ‘vorige week stond hij de hele derde set binnen’. Dat was niet gelogen, maar het was ook geen antwoord. Het was mijn herinnering tegen die van hem, en dan wint niemand.”
“Omdat je als coach momenten onthoudt, geen tijd. Ik weet nog precies welke wissel ik bijna maakte en waarom ik hem uiteindelijk niet maakte. Wat ik niet weet, is hoeveel ballen die jongen daardoor niet heeft meegespeeld.
“En een ouder onthoudt het omgekeerde: de rally's waarin zijn kind op de bank zat. Dat zijn twee eerlijke herinneringen die elkaar tegenspreken. Daar praat je je niet uit.”
“Het blok Speeltijd onder een gespeelde wedstrijd. Per speler een balk, en erachter hoeveel rally's hij op het veld stond en in hoeveel sets. Geen mening, geen schatting, gewoon wat de app heeft meegeteld terwijl ik aan het scoren was.
“In de wedstrijd die ik hier openheb, staan de bovenste drie op 210 rally's in vijf sets, en onderaan staat iemand op 21 rally's in één set. Dat hoef je niemand uit te leggen. Dat zíé je.”
“Omdat volleybal geen klok heeft. De ene set gaat met 25-9 en is in twintig minuten klaar, de volgende sleept zich naar 31-29. Wie in die tweede set stond, heeft twee keer zoveel ballen meegespeeld als iemand uit die eerste set. In minuten zou dat bijna gelijk lijken.
“Rally's tellen wat een speler echt heeft meegemaakt. De sets ernaast zeggen hoe vaak hij er bij het begin van een set in stond. Die twee getallen naast elkaar vertellen je vrij precies wat voor wedstrijd het voor hem was.”
“Klopt, en daar gaat dat gesprek ook over. Daarom staat dezelfde meting ook op mijn beginscherm, maar dan opgeteld over alle wedstrijden van dit seizoen die ik live heb gescoord. Eronder staat in hoeveel wedstrijden het gemeten is, zodat ik weet hoe zwaar ik het mag wegen.
“En dat lijstje staat andersom dan je verwacht: de minste speeltijd bovenaan, met bij de eerste namen een klein label dat vraagt of die er de volgende keer niet in moeten starten. Ik hoef dus niets te verzinnen. Mijn volgorde ligt al klaar.”
“Meestal allebei. Over de volgorde heeft hij bijna altijd gelijk: zijn kind stáát onderaan. Over de omvang heeft hij bijna nooit gelijk. ‘Hij speelt nooit’ wordt dan ‘hij heeft ongeveer een derde gespeeld van de rally's die de vaste zes hebben gespeeld’.
“Dat is de zin die het gesprek kantelt. Die ouder had gelijk, alleen niet over het aantal. En dat mag je gerust hardop zeggen, want het is allebei waar.”
“Nee. [lacht] Dat dacht ik ook, maar zo werkt het niet. Het maakt het eerlijk, en dat is iets anders. Wat het cijfer doet, is de ruzie over de feiten weghalen. We hoeven niet meer te bekvechten over de vraag of het nou veel of weinig was.
“Wat er dan overblijft is de echte vraag: waarom staat mijn kind onderaan en wat moet hij doen om hogerop te komen. Dat is een coachvraag. Moeilijker, maar die kan ik tenminste beantwoorden.”
“Dan sta ik daar met mijn eigen scherm in mijn hand dat me ongelijk geeft. Dat is gebeurd. Je denkt dat je eerlijk verdeelt, en dan zie je dezelfde naam vier wedstrijden achter elkaar onderaan staan. Niet uit onwil — in een spannende set grijp je nu eenmaal naar de spelers die je vertrouwt.
“Het wisselblad laat tijdens de wedstrijd zien wie er nog op de bank zit en beschikbaar is, met naam en positie erbij. Ik heb geleerd dat ik daar bij 16-6 naar moet kijken en niet bij 22-24. Bewaar je het tot het eind, dan komt het er niet meer van.”
“Nee, en daar zit precies het misverstand. Aanwezigheid zegt wie er was, speeltijd zegt wie er speelde. Bij een wedstrijd staat achter elke speler aanwezig of afwezig, met bovenin hoeveel van de selectie er zijn.
“Een kind dat er elke zaterdag is en weinig speelt, is een heel ander gesprek dan een kind dat de helft van de wedstrijden niet komt opdagen. Haal je die twee lijsten door elkaar, dan praat je langs elkaar heen.”
“Nooit. Ik begin bij de opstelling, want daar begint elke vraag over speeltijd. Ik laat zien welk systeem we spelen, wie er als spelverdeler staat, wie libero is en welke zes er starten. Zodra een ouder dat ziet, snapt hij dat het geen loterij is.
“Het getal komt pas daarna. In die volgorde is het een uitleg. Andersom voelt het als een bewijsstuk waarmee je iemand de mond snoert, en dan heb je het gesprek verloren terwijl je gelijk hebt.”
“Score één wedstrijd live voordat het zover is. Eén. Dan heb je de volgende keer iets anders dan je geheugen, en dat scheelt meer dan je denkt. En beloof een ouder geen minuten. Beloof dat je kijkt, en dat je laat zien wat je ziet.”
Score één wedstrijd live in Koach en je hebt per speler de rally's en de sets staan. Het gesprek met een ouder begin je dan met een scherm in plaats van een gevoel.
Probeer Koach gratis