Over de tweede helft van het coachvak: niet hoeveel tijd het kost, maar hoe je het volhoudt als je het naast je werk doet.
Elk seizoen staan er nieuwe vrijwilligers voor een team, en elk seizoen verdwijnt een deel van hen weer. Stoppen als volleybalcoach gaat zelden over de uren. Het gaat over de stapel die niemand van je overneemt, over de verliesreeks die je mee naar huis neemt, en over het gevoel dat je er in je eentje voor staat. Dennis Boekhout (28) kent dat punt.
Een gesprek over wat hij heeft weggegeven om zijn team niet kwijt te raken — een tweede trainer, het scoren, het rijden — en over wat hij bewust laat liggen in weken dat het even niet gaat.
“De uren wist ik van tevoren. Twee trainingen, zaterdag een wedstrijd, de rit ernaartoe — daar heb ik ja tegen gezegd. Wat ik niet wist, is dat het werk niet ophoudt als de zaal dicht gaat. Wie komt er dinsdag? Wie rijdt er zaterdag? Wie zet ik neer als het 12-12 staat in de vijfde? Dat loopt gewoon door in je hoofd, ook op maandag om half elf.
“En het ligt allemaal bij één iemand. Dat is het echte probleem. Niet dat het veel is, maar dat er niemand naast je staat als het tegenzit.”
“Ik ken er een paar, ja. Iemand zegt ja voor één seizoen, want anders is er geen team. In november is het nog leuk, in februari is het een verplichting, en in mei zegt diegene: ik doe het niet nog een jaar. En als je doorvraagt, gaat het er bijna nooit over dat volleybal niet leuk meer is. Het gaat erover dat ze er alleen voor stonden.”
“Die kruipt naar binnen. Na drie nederlagen op rij ben je jezelf aan het coachen in plaats van je team. Ik lag zondagochtend nog te malen over een wissel in de derde set. Dat is niet gezond, en het maakt je ook een slechtere coach: je gaat aan alles tegelijk trekken.
“Wat mij hielp, is de wedstrijd terugkijken in cijfers in plaats van in mijn hoofd. De momentumgrafiek en de side-out per rotatie vertellen een nuchterder verhaal dan mijn geheugen. Meestal blijkt het één rotatie te zijn die lekt, en niet een team dat het verleerd is. Daar kun je dinsdag iets mee. Met een slecht gevoel kun je niets.”
“Ja. En ik heb er veel te lang over gedaan om dat te durven. Ik dacht dat ik op elke vraag een antwoord moest hebben, anders zou ik ze kwijtraken. Het tegenovergestelde is waar. Toen ik een keer zei ‘jongens, ik zie het even niet, wat zien jullie?’, kwam er vanaf de bank een opmerking over hun blok waar ik zelf niet op was gekomen.
“Spelers vinden het niet eng dat jij het even niet weet. Ze vinden het eng als je doet alsof.”
“Een tweede trainer. Ik stuur een link door, en wie hem opent is trainer van dit team — ook als diegene nog helemaal geen account heeft. Daarna ziet hij precies wat ik zie: dezelfde spelers, dezelfde trainingen, dezelfde wedstrijden. Geen appjes meer met ‘kun jij even doorgeven dat…’.
“Met een Coach-abonnement kun je er één naast jezelf zetten, twee in totaal; een club heeft er onbeperkt. Twee was voor mij genoeg. Eén avond in de week waarop het niet aan mij ligt, verandert meer dan je denkt.”
“Nee. De eerste keer dat hij de opstelling anders neerzette dan ik zou doen, moest ik op mijn handen zitten. Ik zag precies waar het mis zou gaan.
“Het ging niet mis. We wonnen in vier sets. Daar heb ik meer van geleerd dan van tien wedstrijden waarin ik gelijk had.”
“Niet meer altijd. Onderaan het wedstrijdscherm staat het blok Score bijhouden, met een knop om een speler te machtigen. Je kiest een lid met een gekoppeld account, en diegene houdt op zijn eigen telefoon de score en de statistieken van die wedstrijd bij.
“Meestal is dat een geblesseerde speler die toch op de bank zit. Hij vindt het leuk om erbij te horen, en ik kijk een hele wedstrijd naar het veld in plaats van naar mijn telefoon. Na afloop staat de uitslag gewoon in de app. Eerlijk: de eerste keer heb ik twee keer over zijn schouder meegekeken. Daarna niet meer.”
“Het aanmelden. Vroeger vroeg ik in de groepsapp wie er dinsdag kwam, telde ik de duimpjes en vergat ik er altijd één. Nu meldt een speler zich zelf aan of af, en wie zich afmeldt kan er een bericht bij zetten. Ik hoef niets meer te vragen, ik kijk gewoon wie er staat.
“In hun eigen scherm staat bovenaan een knop ‘Aanmelden alle trainingen’. Dat kost ze tien seconden aan het begin van het seizoen. Bij mij scheelde het een half uur per week aan naroepen.”
“Dat ligt bij de ouders. Op het beginscherm zet ik een taak neer — ‘Wie kan er zaterdag rijden naar de uitwedstrijd?’ — met een knop ‘Ik doe het’ eronder. Zolang er niemand staat, staat er letterlijk ‘Nog niemand aangemeld’. Dat is een beetje ongemakkelijk, en precies daarom werkt het.
“Ouders hebben ook een eigen plek in het team. Ze zien de agenda en ze melden hun eigen kind af als het ziek is. En er zit een rijschema in dat bijhoudt hoeveel kilometers iemand al heeft gereden; wie het laagst staat, is het eerst aan de beurt. Dat scheelt me elke week dezelfde discussie.”
“Het live scoren. Dan houd ik geen punt voor punt bij, maar vul ik achteraf gewoon de setstanden in, desnoods twee dagen later. Ik mis dan de speeltijd en de foutverdeling van die wedstrijd. Jammer, maar niet erg.
“Dat vind ik belangrijker dan het klinkt. Een app die alleen werkt als je hem perfect bijhoudt, is een app die je in februari weggooit. Koach moet ook op halve kracht bruikbaar zijn. En hij doet lang niet alles: hij bedenkt je trainingen niet voor je en hij praat niet met je spelers. Dat blijft jouw werk, en dat hoort ook zo.”
“Ga niet minder doen — ga minder alléén doen. Vraag één iemand erbij. Leg het aanmelden bij de spelers en het rijden bij de ouders. Dat is geen zwakte. Dat is het verschil tussen één seizoen en vijf.
“En bedenk waarom je begonnen bent. Ik ben niet begonnen om aanwezigheidslijsten bij te houden. Ik ben begonnen omdat ik een team zag dat beter kon worden. Alles wat daar niet aan bijdraagt, mag weg of mag naar iemand anders.”
Zet je team in Koach, nodig een tweede trainer uit en leg het aanmelden bij je spelers. Gratis te proberen, en na tien minuten staat je selectie erin.
Probeer Koach gratis