Waarom Dennis Boekhout de tweehonderd oefeningen in Koach niet op een plaatje beoordeelde maar op de lopende animatie, en wat die omslag aan het licht bracht.
Tweehonderd volleybaloefeningen met animatie zitten standaard in Koach, verdeeld over negen categorieën: van warming-up en pass tot blok, service en wedstrijdvormen. Ze zagen er goed uit. Tot Dennis Boekhout ze ging meten en bleek dat 194 van de 200 minstens één echte fout bevatten. De grootste soort was ook de simpelste: de bal lag over een speler heen.
Een gesprek over drie verbeterrondes die vastliepen op een cijfer, over de vijf ja-nee-vragen die ervoor in de plaats kwamen, en over de les die eronder ligt: een stilstaand beeld verbergt precies de fout die je zoekt.
“Omdat ze nét niet klopten. Dat is het vervelendste soort fout, want je kunt hem niet aanwijzen. Ik keek naar een oefening en dacht: dit is goed genoeg. Maar een coach staat om kwart over acht in de zaal met zijn telefoon in zijn hand en tien spelers die staan te wachten. Die heeft drie seconden om te snappen wat er moet gebeuren. Goed genoeg is dan niet goed genoeg.”
“Daar schrok ik wel van. 194 van de 200 oefeningen had minstens één echte fout. En de allergrootste groep was de simpelste die je kunt bedenken: de bal lag over een speler heen. Ruim duizend balposities, verspreid over 173 oefeningen.
“Dat klinkt als een schoonheidsfoutje, maar het is het tegenovergestelde. De bal is het enige wat je volgt in zo'n animatie. Ligt hij onder een poppetje, dan is precies dat ene moment weg waar de oefening om draait.”
“Omdat het poppetje niet meeschaalt met het veld. Het is een vaste grootte op je scherm. Op een telefoon van 375 pixels breed is zo'n figuurtje dus ruim twee meter lang — gemeten in de maten van het veld. Een afstand die op papier keurig klopt, is op het scherm één vlek.
“Dat was een van de dingen die ik moest afleren. Ik rekende in meters, terwijl de coach in pixels kijkt. Sindsdien meet ik allebei.”
“Drie rondes lang gaf ik mezelf een zeven. [lacht] Niet letterlijk een cijfer op papier, maar zo voelde het wel: ik keek, ik noteerde wat er nog niet klopte, ik repareerde, ik keek opnieuw — en het bleef een zeven. Eén oefening werd er zelfs slechter van.
“Twee dingen zaten fout. Ik beoordeelde stilstaande beelden terwijl het product een animatie is. En als je jezelf vraagt om op te noemen wat er nog niet klopt, dan komt er altijd een lijst. Een cijfer kan dan nooit omhoog, want er is altijd wel iets.”
“De animatie zelf, afgespeeld met exact de tijdregels die de app gebruikt. En daarop vijf vragen die alleen ja of nee kunnen zijn. Is elke fase één gebeurtenis? Klopt de fasetekst met wat je ziet? Is de bal altijd te volgen, nooit onder een poppetje en nooit uit het niets? Springt er iets als de oefening opnieuw begint? En duurt elke beweging in verhouding tot de afstand die wordt afgelegd?
“Vijf keer ja en je bent klaar. Eén keer nee en die oefening gaat terug. Geen cijfers meer. Dat klinkt saai, maar het was het verschil tussen blijven ronddraaien en klaar zijn.”
“Omdat de meeste fouten tússen twee fases in zitten. De app tekent de tussenliggende beweging zelf, in een rechte lijn. Twee spelers die in fase drie netjes uit elkaar staan en in fase vier ook, kunnen halverwege dwars door elkaar heen lopen. Op geen van beide plaatjes zie je dat.
“Daarom kijk ik nu naar twaalf beelden uit de lopende animatie, juist ook de momenten midden in een overgang. Alleen die ene toets vond meteen dertig oefeningen die op papier in orde waren.”
“De simpelste: een bal die te dicht bij een speler ligt, schuift naar ongeveer een meter, in de richting waar hij naartoe gaat. Dan lees je de bedoeling meteen. Ligt daar ook iemand, dan draait hij door tot hij vrij ligt.
“De lastigste is het rondlopen. Een oefening die eindigt in een andere opstelling dan waarin hij begint, klapt terug op het moment dat hij opnieuw start. Dat oogt als een hapering in de app, maar het is de oefening zelf. Die kregen er een slotfase bij, zodat op elke beginplek weer iemand van hetzelfde soort staat. Gemiddeld ging een oefening daardoor van zes naar zeven à acht fases. Iets langer, maar je kunt hem volgen.”
“Ja, en dat vond ik het leerzaamst. Zodra je een controle hebt die een grens trekt, ga je onbewust op die grens sturen. Er is een keer een bal precies op het randje van het meetbereik gelegd: de melding verdween, het beeld werd geen haar beter. Nu wordt juist alles wat precies op zo'n grens ligt apart gemeld.
“Hetzelfde zat in de tekstcontrole. Ik zocht op 'sla' en kreeg 'slalom' terug, ik zocht op 'set' en kreeg 'setter'. Dan ga je coachtaal herschrijven om een controle tevreden te stellen. Nu kijk ik op hele woorden.”
“85 van de 200. De andere 115 zijn precies gebleven zoals ze waren. Dat vind ik het belangrijkste getal van het hele project, want 'vijf keer ja, niets aangepast' moest een goed antwoord zijn. Anders gaat iedereen iets verzinnen om nuttig te lijken. Juist doordat er 115 ongemoeid bleven, geloof ik die 85 reparaties.
“De meting staat nu op tweehonderd oefeningen, nul fouten. Dat is geen cijfer meer, dat is een telling.”
“Zeker. Er zijn drie wedstrijdvormen die in de tekst zes tegen zes zeggen en in beeld zes tegen drie tonen. Dat is geen fout, dat is een schema dat vereenvoudigt — je gaat geen twaalf poppetjes op een telefoonscherm proppen om te laten zien hoe een oefening loopt.
“En bij een paar oefeningen staat de kist onzichtbaar onder de coach. In bovenaanzicht klopt dat gewoon. Ik vind het eerlijker om te zeggen: het is niet dat alles perfect is, het is dat ik nu weet waar het niet perfect is.”
“Dat hij een oefening opent, op afspelen tikt en binnen een halve minuut weet of dit past bij wat hij vanavond wil trainen. Hij kan filteren op categorie, de Koach-oefeningen uitzetten als hij alleen zijn eigen werk wil zien, en sorteren op het aantal spelers dat vanavond komt.
“En moet een speler iets blijven herhalen, dan geef je diezelfde oefening als huiswerk mee. Hij krijgt hem thuis op zijn eigen telefoon te zien, met dezelfde animatie. Dat is precies waarom het beeld moest kloppen: daar staat geen coach naast om het uit te leggen.”
“Eén gebeurtenis per fase. Dat is de hele truc. De verleiding is om alles in één beeld te proppen: de pass, de set, de aanval en de dekking. Dan bewegen er acht dingen tegelijk en weet niemand meer waar hij moet kijken. Zet het in drie fases en het leest zichzelf.
“En laat de bal doen wat je in de tekst belooft. Staat er dat er gepast wordt, dan moet die bal ook echt bewegen. Die twee regels samen halen er meer fouten uit dan welke controle dan ook.”
De hele bibliotheek zit in Koach, in negen categorieën en in zes talen. Open er een, speel de animatie af en geef hem als huiswerk mee aan je spelers.
Bekijk de oefeningen