Smashoefeningen volleybal: van aangooi tot aanvallen onder druk | Koach Volleyball
Start 14 dagen gratis
Kennisbank · Trainingen

Smashoefeningen volleybal: van aangooi tot aanvallen onder druk

De trainer op een bankje bij positie 3, een bak ballen en een rij van zes spelers die om de beurt zo hard mogelijk slaan: zo ziet de aanvalstraining er bij heel veel teams uit. Er wordt hard gewerkt, er wordt gelachen, en zaterdag staat de eerste smash weer in het net. Dit stuk laat zien hoe je datzelfde uur opbouwt in vijf treden, zodat wat er op donderdag lukt ook in de wedstrijd bestaat.

Leestijd: 7 min

Het uur dat bijna elk team draait

Een aangegooide bal is een prima startpunt. Het probleem is dat de meeste teams daar ook blijven staan. In een wedstrijd komt de bal nooit uit de handen van de trainer, staat er altijd iemand aan de overkant, en gaat het zelden om de hardste slag maar om de slag die op dat moment past. Een oefening waarin die drie dingen ontbreken, traint precies één ding: het balcontact.

Er is nog een tweede reden waarom dat uur weinig oplevert, en die is banaler. In een rij van zes bij één net slaat een speler in twintig minuten hooguit tien of twaalf ballen. Dat zijn er te weinig om iets te veranderen, en tegelijk staan er tien minuten wachttijd tegenover waarin niemand iets doet. Volume en echtheid zijn de twee knoppen waar je aan draait, en ze staan bij de klassieke aangooi-oefening allebei laag.

De oplossing is geen nieuwe oefening maar een volgorde. Hieronder staat een ladder van vijf treden. Elke trede haalt één stukje voorspelbaarheid weg, en pas als het op de ene trede loopt, ga je naar de volgende.

De ladder: vijf treden van aangooi naar druk

  1. Trede 1 — het contact. Slaan uit stand of uit eigen aangooi. Geen aanloop, geen tegenstander. Je traint de hand op de bal.
  2. Trede 2 — de aanloop. Volledige aanloop op een voorspelbare bal van de trainer. Je traint timing en sprong.
  3. Trede 3 — de echte set. De bal komt van je eigen spelverdeler, met alle onregelmatigheid die daarbij hoort.
  4. Trede 4 — tegenstand. Er staat een blokkeerder en een verdediger. De aanvaller moet kiezen in plaats van uitvoeren.
  5. Trede 5 — druk. Een telling, gevolgen en vermoeide benen. Hier blijkt wat er echt in zit.

De doorschuifregel is simpel en werkt met elk niveau: gaat meer dan zeventig procent goed, dan is de trede te makkelijk en ga je omhoog. Zakt het onder de veertig procent, dan ga je een trede terug — niet omdat de spelers het niet kunnen, maar omdat er onder die grens niets meer te leren valt en het alleen nog frustreert.

Belangrijker dan de treden zelf is dit: raak in elke aanvalstraining minstens drie treden aan, en eindig nooit op trede 1 of 2. Een team dat een heel seizoen op aangooi slaat, wordt goed in slaan op aangooi.

Trede 1 en 2: de slag en de aanloop op een bal die niets doet

Oefening: slagcontrole vanaf de driemeterlijn (8 min). Twee rijen tegenover elkaar aan weerszijden van het net, iedereen op de driemeterlijn, één bal per tweetal. Uit stand, eigen aangooi, met een gestrekte arm over het net slaan. De eis is niet kracht maar plaatsing: de bal moet vóór de driemeterlijn aan de overkant landen. Twintig slagen per speler, en dat kan in acht minuten omdat niemand wacht. Wat je corrigeert is de pols: een bal die vlak over het net vliegt en achterin uitgaat, is met een stijve hand geslagen. Wat er precies moet gebeuren, staat in de smashtechniek in vijf stappen.

Oefening: aanloop zonder bal (5 min). Acht aanlopen langs de zijlijn, met een volledige armzwaai en een landing op twee voeten. Dit voelt kinderachtig en het is de goedkoopste winst die er is: negen van de tien aanvalsproblemen bij amateurs zijn aanloopproblemen. Kijk naar de laatste twee passen — die moeten lang en laag zijn, niet kort en huppelend. De opbouw staat in het 3-pas ritme.

Oefening: aangooi met zone (10 min). Nu de complete aanval op een hoge bal van de trainer, maar met een eis erbij: de bal moet in de achterste helft van het veld landen. Tien ballen per speler, hardop tellen hoeveel er in de zone vallen. Die zone-eis is het verschil tussen "slaan" en "ergens naartoe slaan", en hij kost je niets.

Trede 3: de eerste echte set

Zodra de bal van een mens komt, verandert alles. Een spelverdeler zet nooit twee ballen precies gelijk, en dat is geen probleem dat je moet wegpoetsen — dat is de vaardigheid.

Oefening: vaste koppels, twaalf ballen (15 min). Zet de spelverdeler op positie 3 en werk met vaste koppels setter-aanvaller in plaats van een rij die steeds wisselt. Twaalf ballen achter elkaar per aanvaller, en pas daarna wisselen. Twee matten of pylonen op de vloer: één diep in de lijn, één kort diagonaal. De telling: mat is twee punten, bal in het veld één, fout nul. Vijftien punten en je bent klaar.

Waarom vaste koppels. Timing is geen algemene vaardigheid maar een afspraak tussen twee mensen. Een aanvaller die elke drie ballen een andere setter krijgt, leert niets over het moment waarop hij moet vertrekken. Reken op tien tot vijftien ballen achter elkaar voordat het begint te zitten — en accepteer dat de eerste vier daarvan lelijk zijn.

Variant voor gevorderden: de spelverdeler zet bewust afwisselend hoog en laag, zonder aan te kondigen. De aanvaller moet zijn aanloop aanpassen in plaats van hopen dat de bal klopt. Dit is de zwaarste vorm op deze trede en meteen de nuttigste.

Oefeningenbibliotheek in de Koach-app met het filter Aanval en de oefening Pass-aanval over 3 meter
Het filter Aanval in de oefeningenbibliotheek: bijna vijftig van de tweehonderd oefeningen staan onder die categorie, van eerste contact tot aanvallen tegen een dubbel blok.

Trede 4: er staat iemand aan de overkant

Eén blokkeerder verandert een aanvalsoefening volledig, omdat de aanvaller opeens ergens naartoe moet spelen in plaats van ergens vandaan.

Oefening: kiezen tegen een half blok (15 min). Een blokkeerder op positie 2 die per bal willekeurig de lijn of de diagonaal sluit, en één verdediger in het achterveld. De aanvaller krijgt een set van de spelverdeler en moet in de open ruimte spelen. Telling: punt in de open hoek twee, bal in het veld één, blok of uit min één. Eerste bij tien.

Wat je hier ziet gebeuren. De helft van je spelers kiest al tijdens de aanloop, kijkt naar de bal en niet naar het blok, en slaat dus per ongeluk goed of per ongeluk fout. De correctie is één zin: kijk in de lucht, niet op de grond. Dat kost weken, niet één training.

Fase 2: de tip erbij. De aanvaller mag ook net achter het blok prikken, wat twee punten oplevert als de bal binnen drie meter van het net valt en de verdediger hem niet haalt. Zodra de tip meetelt, gaat de blokkeerder anders staan en wordt het spel er meteen echter op. De technieken zelf staan in prikbal, tip en rol-shot.

Trede 5: aanvallen onder druk

Op deze trede voeg je geen techniek meer toe. Je voegt gevolgen toe — en vermoeidheid, want de aanval die zaterdag mislukt is zelden de eerste van de set.

Oefening: de serie van drie (15 min). Eén aanvaller draait drie ballen achter elkaar zonder pauze: eerst een aanval uit een gewone set, dan een noodbal die de spelverdeler bewust te ver van het net legt, dan een aanval nadat hij zelf een bal van de trainer heeft verdedigd. Alle drie moeten in het veld komen; één fout en de serie begint opnieuw. Maximaal vier pogingen, dan is de volgende aan de beurt. Reken op één of twee spelers per training die het halen — dat hoort erbij.

Oefening: aanvalsspel drie tegen drie (18 min). Een vaste spelverdeler aan beide kanten, twee aanvallers en een blokkeerder per kant, alleen aanvalspunten tellen. Een servicefout of een verloren rally op de pass levert niets op; een gescoorde aanval telt dubbel. Zo ligt alle aandacht op de derde bal terwijl er wel echt gespeeld wordt.

Wat beide vormen doen, is de knop "gevolgen" omzetten. Dat is de goedkoopste manier om een oefening op de wedstrijd te laten lijken, en de reden waarom hij werkt staat uitgebreider in wedstrijdechte oefeningen.

Laat de aanvaller nooit uit de bak slaan als hij moe is. De laatste tien ballen van een aanvalsblok zijn de ballen waarin de techniek instort en het risico op een schouder- of knieklacht toeneemt. Sluit je aanvalsuur af met een spelvorm, niet met nog een rij.

Twaalf spelers, één net en geen wachtrij

De beste aanvalsoefening is waardeloos als er acht mensen naar kijken. Met een normale groep en één veld werk je daarom in stations en niet in rijen:

Roteer elke zes minuten en houd de bak bij het net gevuld met minstens twaalf ballen, met één speler die alleen maar aangeeft. Twee regels houden het staand: maximaal drie mensen in een wachtrij, en de trainer praat tussen de ballen door, niet terwijl er geslagen wordt. Meer manieren om de stilstand uit je training te halen staan in stop met in de rij staan.

Reken voor een aanvalstraining op veertig tot zestig slagen per aanvaller. Onder de veertig gebeurt er te weinig om iets aan te leren; ver boven de zestig gaat de kwaliteit omlaag en de belasting omhoog.

Wat je meet, en hoeveel genoeg is

Tel in de oefening zelf niets ingewikkelders dan raak, veld of fout — dat kan een speler die net gewisseld is prima bijhouden op zijn vingers. Het cijfer dat over weken iets zegt, is het aanvalspercentage uit de wedstrijd: gescoorde aanvallen min fouten, gedeeld door het totaal. Noteer dat voor een blok van drie weken en erna. Stijgt het op training wel en in de wedstrijd niet, dan weet je dat je te lang op trede 2 of 3 bent blijven hangen.

Let ook op de belasting. Springen en slaan is de zwaarste combinatie in het spel voor knieën en schouders, en twee zware aanvalstrainingen vlak achter elkaar is voor een groeiende speler te veel. Wissel een aanvalsuur af met een training waarin de nadruk op pass, service of verdediging ligt, en besteed vijf minuten aan hoe er geland wordt — zie landingstechniek. Houdt een speler pijn in de schouder, de knie of de rug, laat het dan beoordelen door een arts of fysiotherapeut in plaats van het uit te zitten; met "even minder hard slaan" is een overbelaste pees niet geholpen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel smashes moet een speler per training slaan?

Veertig tot zestig volledige aanvalsslagen is voor een amateurtraining een goede bandbreedte. Daaronder zijn het er te weinig om iets aan te leren, daarboven zakt de techniek in en stijgt de belasting van schouder en knie. Bij jeugd in de groei zit je liever aan de onderkant en verdeel je het volume over twee trainingen.

Kan ik aanvalsoefeningen doen zonder een goede spelverdeler?

Ja, maar niet door de spelverdeler over te slaan. Laat de trainer of een speler met goede handen de set verzorgen vanaf een verhoging naast positie 3, zodat de bal in ieder geval consistent ligt. Zodra je eigen spelverdeler twaalf ballen achter elkaar kan zetten, neemt hij het over — de onregelmatigheid die hij toevoegt is onderdeel van de oefening.

Vanaf welke leeftijd kun je met echte smashoefeningen beginnen?

De slagbeweging en het aanloopritme leren kinderen spelenderwijs vanaf een jaar of acht, op een lager net en met een lichtere bal. De volledige aanval op wedstrijdhoogte, uit een set en tegen een blok, komt pas als kracht en coördinatie meegroeien. Begin altijd met plaatsing als eis en pas veel later met kracht.

Wat doe ik met een speler die elke bal uitslaat?

Verander de telling in plaats van de speler. Zolang een harde bal die erin valt evenveel oplevert als een geplaatste bal, blijft hij hard slaan. Laat een mat of zone dubbel tellen en een uitgeslagen bal een punt kosten; binnen twee trainingen zie je de hand op de bal veranderen, omdat hij nu topspin nodig heeft om te scoren.

Hoe train ik aanvallen met maar zes spelers?

Zet één spelverdeler vast, twee aanvallers aan het net, één blokkeerder aan de overkant en twee spelers die aangeven en verdedigen. Draai in blokken van vier minuten door. Met zes spelers hoef je geen stations te maken: de wachttijd is vanzelf kort, mits er genoeg ballen liggen om niet te hoeven rapen.

Moet ik aanvalsoefeningen per positie splitsen?

In de basis niet — de ladder hierboven geldt voor iedereen. Zodra spelers een vaste positie hebben, loont het om de laatste twintig minuten wel te splitsen, omdat een buitenaanvaller vooral hoge ballen uit een matige pass krijgt en een midden vooral snelle ballen. Positiegerichte vormen staan in oefeningen voor de buitenaanvaller.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach