Hoger springen bij volleybal: sprongtechniek en plyometrie | Koach Volleyball
Start 14 dagen gratis
Kennisbank · Coachvak & fysiek

Hoger springen bij volleybal: sprongtechniek en plyometrie

"Hoe kom ik hoger?" is de vraag die je als volleybalcoach het vaakst krijgt, en het antwoord is meestal "meer squats". Zes weken later springt niemand meetbaar hoger, omdat niemand ooit gemeten heeft. Hoger springen is geen mysterie, maar wel een rekensom: waar zitten de centimeters, wat kosten ze aan tijd en wat lever je ervoor in?

Leestijd: 7 min

Waar spronghoogte vandaan komt

Een sprong is kracht maal snelheid, maar de tijd waarin je die kracht kwijt moet is belachelijk kort. Bij een aanvalssprong staat de voet ongeveer twee tot drie tienden van een seconde op de grond. Wat er in die tijd niet aan kracht uit komt, telt niet mee. Daarom zijn er drie verschillende knoppen, en werkt draaien aan de verkeerde knop maandenlang niet.

De volgorde waarin je die knoppen aanpakt, is bijna altijd omgekeerd aan de volgorde waarin spelers erover praten. Techniek is het goedkoopst: het kost weken en geen zaalmateriaal. Reactief springvermogen kost een blok van drie maanden. Kracht kost een seizoen. Wie in september met kracht begint terwijl zijn aanvaller nog met twee gelijke passen aanloopt, laat de makkelijkste centimeters liggen.

Eerst meten: vier getallen tegen de muur

Zonder nulmeting is elk sprongprogramma een geloofskwestie, en geloof houdt het in november niet vol. Je hebt niets nodig behalve een muur, een rolmaat en een stukje krijt of een bordstift op de vingertoppen.

  1. Staande reikhoogte. Voeten plat, één arm zo hoog mogelijk, markeren.
  2. Blokreik. Twee handen, sprong uit stand zonder aanloop, hoogste punt markeren.
  3. Aanvalsreik. Één hand, volledige aanloop, hoogste punt markeren.
  4. De twee verschillen. Blokreik min staande reik is de sprong uit stand. Aanvalsreik min staande reik is de sprong met aanloop. Het verschil tussen die twee is de aanloopwinst.

Drie pogingen per meting, de beste telt. Meet altijd op hetzelfde moment: direct na de warming-up, vóór het zware werk, met dezelfde schoenen. Een meting aan het eind van een training is geen meting maar een vermoeidheidstest.

Die aanloopwinst is meteen je diagnose. Blijft hij onder de acht centimeter, dan heeft die speler geen krachtprobleem maar een aanloopprobleem — daar zit tien tot twintig centimeter te wachten en de winst komt in weken, niet in maanden. Is de aanloopwinst juist ruim vijftien centimeter maar zijn de absolute getallen laag, dan is de techniek in orde en is de motor aan de beurt. En een speler die uit stand nauwelijks loskomt maar met aanloop prima meekomt, mist vooral reactief vermogen.

Spelersnotities in de Koach-app met per datum een observatie uit een training, wedstrijd of gesprek
Drie metingen per seizoen zeggen alleen iets als ze met datum bij de speler staan — in de spelersnotities of in een schriftje met vijf kolommen.

Meet drie keer per seizoen: bij de start van de voorbereiding, halverwege het seizoen en aan het eind. Vaker meten levert vooral ruis op, want dagvorm scheelt makkelijk twee centimeter. Schrijf per speler alle vier de getallen op met de datum erbij; over een heel seizoen is de lijn interessanter dan elk los getal.

Praktisch: plak een strook tape verticaal op de muur en zet er om de vijf centimeter een streepje op, van 220 tot 340 centimeter. Dan meet je een heel team in een kwartier in plaats van een halve training, en heb je in januari precies dezelfde meetopstelling terug.

Wat het echt kost aan tijd

Dit is het deel dat meestal wordt overgeslagen, en precies het deel waarop programma's sneuvelen. Een eerlijke rekening voor een clubspeler die twee keer per week traint:

Bij elkaar: een speler die alle drie een half seizoen consequent volhoudt, komt vaak vijf tot tien centimeter hoger. Groeiende jeugd en spelers die vanaf nul beginnen doen daar soms fors overheen; getrainde seniorspelers halen minder. Beloof daarom nooit een aantal centimeters — beloof een meting in week dertien.

De andere helft van de rekening is wat je inlevert. Twintig minuten sprongwerk in een training van negentig minuten is ruim een vijfde van je avond, en die tijd gaat af van balcontacten. Dat is een verdedigbare keuze in de voorbereiding en een twijfelachtige in maart. Weeg het per periode: sprongwerk is trainingsinhoud met een prijskaartje, geen extraatje.

En het loopt terug. Reactief vermogen is het eerst weg: na een week of vier zonder sprongwerk is een deel van de winst verdwenen, terwijl opgebouwde kracht veel langer blijft hangen. Onderhouden kost ongeveer een derde van opbouwen — dat is precies waarom één blok per week in het seizoen zoveel oplevert.

Plyometrie: tel contacten, geen herhalingen

Plyometrie is niet "sprongen doen". Het is het benutten van de veerwerking van spier en pees: het weefsel wordt bij de landing snel uitgerekt en geeft die energie direct terug — mits het contact met de vloer kort blijft. Duurt de landing te lang, dan lekt de energie weg en doe je gewoon krachttraining met je eigen gewicht.

Daarom is de maat niet de hoogte maar de grondcontacttijd. De coachaanwijzing die het beste werkt is "de vloer is heet": weg van de grond voordat je erover na kunt denken. Wie zichtbaar doorzakt en dan pas omhoog komt, doet iets anders dan hij denkt.

Het volume tel je in contacten: elke landing is één contact. Voor een beginnend team zijn zestig tot tachtig contacten per sessie genoeg, voor gevorderden honderd tot honderdveertig. Twee sessies per week, nooit op opeenvolgende dagen, met echte rust tussen de series — drie kwartier hijgen is conditietraining, en die hoort in een ander blok thuis.

De opbouw gaat in vijf treden, en je slaat er geen over:

  1. Landen en stilstaan. Van een lage verhoging afstappen, landen en bevriezen. Wie hier wiebelt, is niet toe aan trede twee — de details staan bij landingstechniek.
  2. Lage hops. Over een lijn heen en weer, op twee benen, laag en snel. Doel: korte contacttijd, niet hoogte.
  3. Maximale sprongen met tegenbeweging. Zakken en meteen exploderen, volle armzwaai, volledige rust ertussen.
  4. Sprong-tot-sprong. Lage hordehops en huppelsprongen, waarbij elke landing direct de volgende sprong is.
  5. Depth jumps. Van een kist afstappen, landen en meteen maximaal omhoog. Pas na drie maanden schone opbouw, alleen voor uitgegroeide spelers, en beginnen bij twintig tot dertig centimeter kisthoogte — niet hoger dan de hoogte waarbij het contact nog kort blijft.

Twaalf weken in drie blokken

Een opbouw die in een gewone clubweek past, twee keer per week na de warming-up:

Week dertien is meetweek: dezelfde muur, dezelfde tape, dezelfde vier getallen. Daarna kies je: nog een blok, of overschakelen op onderhoud.

Vier regels houden het schema overeind. Sprongwerk staat vooraan, direct na de warming-up en nooit na een zwaar spelblok. De dag vóór een wedstrijd doe je het niet. Bij pijnlijke of loodzware benen slaat een speler het over — dat is geen zwakte maar het schema dat werkt zoals bedoeld. En je verzwaart pas als de vorige stap er drie sessies achter elkaar netjes uitzag.

Inpassen in het seizoen zonder je training te slopen

In de voorbereiding kan het volledige blok twee keer per week. Zodra de competitie loopt, is één blok van twaalf tot vijftien minuten per week genoeg om vast te houden wat je hebt opgebouwd. In een week met twee wedstrijden schrap je het zonder discussie.

Let daarbij op het totaal. Die sprongen komen er niet bij de bestaande belasting bovenop zonder gevolgen: aan het net wordt al gesprongen bij blokwerk, aanvalsrijen en het inslaan. Een sprongprogramma dat in september wordt toegevoegd zonder dat er iets af gaat, is de meest voorkomende route naar peesklachten in november. Hoe je die sprongen telt en verdeelt, staat uitgewerkt bij de springersknie en het sprongbudget — die rekensom is ook zinvol als niemand klachten heeft.

De vijf fouten die de winst opeten

  1. Volume in plaats van kwaliteit. Tweehonderd sprongetjes met lange contacttijd trainen uithoudingsvermogen, geen explosiviteit. Minder en scherper wint altijd.
  2. Depth jumps te vroeg. De meest gekopieerde oefening uit filmpjes en de minst geschikte om mee te beginnen. Ze horen op trede vijf, niet op trede één.
  3. Sprongwerk aan het eind van de training. Vermoeide benen zetten traag af, en traag afzetten is precies wat je dan inslijpt.
  4. Alleen de sprong trainen, niet de aanloop. Voor de helft van de clubspelers zit de grootste winst nog altijd in de laatste twee passen en de armzwaai.
  5. Nooit meten. Zonder nulmeting weet niemand of het werkte, en programma's zonder zichtbaar resultaat sneuvelen binnen twee maanden.

Jeugd, groei en geduld

Kinderen springen uit zichzelf, en dat is de beste basis die er is. Bij jonge jeugd houd je het spelend: hinkelen, touwtjespringen, sprongvormen in tikspelen, over lijnen en lage voorwerpen. Gestructureerde plyometrie kan prima vanaf een jaar of twaalf, mits de landing schoon is en het volume laag begint.

Tijdens een groeispurt verandert het beeld. Spelers worden langer terwijl coördinatie en belastbaarheid achterblijven; het is niet gek als de gemeten spronghoogte een half jaar stilstaat of zelfs iets zakt terwijl de reikhoogte omhoog gaat. Dat is geen reden om harder te trainen — het is een reden om het volume te verlagen en op techniek te blijven zitten. Bij aanhoudende pijn onder of net onder de knieschijf hoort een speler bij een arts of (sport)fysiotherapeut, en die bepaalt ook wanneer er weer volledig gesprongen mag worden.

En voor de speler die vraagt of hij ooit boven het blok uitkomt: spronghoogte is één van de knoppen, niet de enige. Timing, slagrichting en balverwerking wegen zwaarder dan tien centimeter, en daar gaat effectief aanvallen als je klein bent over. De sprong is het middel, niet het doel.

Veelgestelde vragen

Hoeveel centimeter kun je erbij springen?

Dat verschilt sterk per speler en niemand kan het vooraf voorspellen. Voor een clubspeler die een half seizoen consequent techniek, plyometrie en kracht combineert, is vijf tot tien centimeter een reëel resultaat. Wie de aanloop nog moet leren, wint vaak meer en sneller; getrainde spelers minder.

Hoe vaak per week moet je sprongtraining doen?

Twee keer per week is de norm in een opbouwblok, met minstens één dag ertussen. In het competitieseizoen is één blok van twaalf tot vijftien minuten per week genoeg om de opgebouwde winst vast te houden. Meer sessies leveren zelden meer op en verhogen wel de belasting op knieën en pezen.

Hoe meet ik spronghoogte zonder apparatuur?

Met een muur, een rolmaat en krijt op de vingertoppen. Meet de staande reikhoogte, dan de blokreik uit stand en de aanvalsreik met aanloop; de verschillen zijn de spronghoogtes. Drie pogingen, beste telt, altijd op hetzelfde moment in de training en met dezelfde schoenen.

Zijn depth jumps nodig om hoger te springen?

Nee. Ze zijn de zwaarste vorm van plyometrie en horen pas na maanden schone opbouw, bij uitgegroeide spelers met een betrouwbare landingstechniek. Lagere sprongvormen met korte grondcontacttijd leveren voor de meeste clubspelers hetzelfde op tegen een fractie van het blessurerisico.

Vanaf welke leeftijd mag een jeugdspeler sprongtraining doen?

Speels springen kan op elke leeftijd en is voor jonge kinderen de beste vorm. Gestructureerde plyometrie past vanaf ongeveer twaalf jaar, mits de landingstechniek staat en het volume laag begint. Tijdens een groeispurt verlaag je het volume in plaats van het te verhogen, en bij aanhoudende kniepijn beslist een arts of fysiotherapeut.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach