De slide-aanval in volleybal: achter de spelverdeler langs, afzet van één been | Koach Volleyball
Start 14 dagen gratis
Kennisbank · Techniek

De slide-aanval in volleybal: achter de spelverdeler langs, afzet van één been

Je midden slaat elke wedstrijd dezelfde quick op dezelfde plek, en de middenblokkeerder aan de overkant weet dat na één set. Vanaf dat moment vertrekt hij vroeg naar je buitenaanvaller en staat daar met z'n tweeën. De slide is de goedkoopste manier om die blokkeerder weer aan het twijfelen te krijgen: je hebt er geen extra speler voor nodig, alleen een andere aanloop en een andere set.

Leestijd: 7 min

Wat een slide precies is

Bij vrijwel elke aanval loopt de aanvaller naar het net toe, remt af met zijn laatste twee passen en springt recht omhoog. De slide werkt andersom. De middenaanvaller loopt evenwijdig aan het net, achter de rug van de spelverdeler langs, en zet in volle beweging af van één been — dezelfde beweging als een lay-up bij basketbal, tot en met de knie die omhoogzwaait.

Hij begint links van de spelverdeler, rond het midden van het net, en eindigt rechts van hem, ergens tussen zone 2 en de antenne. De set gaat achterwaarts over het hoofd van de spelverdeler heen: vlak, meelopend, neerkomend op het punt waar de aanvaller naartoe rent. Waar de bal precies geraakt wordt, ligt niet vast — dat kan anderhalve meter voorbij de schouder van de spelverdeler zijn, en het kan vier meter zijn.

Precies dat losse eind is het wapen. Elke andere aanval van je team heeft een adres: de quick wordt geslagen op één punt boven de spelverdeler, de hoge bal buiten komt bij de antenne naar beneden. Bij een slide is het adres een strook net van een paar meter, en de blokkeerder weet pas welk stuk het wordt als de aanvaller al in de lucht hangt.

Waarom het blok er zo veel moeite mee heeft

Een blokkeerder doet twee dingen tegelijk: hij leest waar de bal heen gaat en hij zoekt de plek waar hij moet staan. Tegen een quick is dat tweede deel simpel. Je midden staat op één punt en springt op één punt, dus de blokkeerder hoeft alleen te kiezen of hij meegaat of afwacht — precies de keuze die in read of commit blokkeren uit elkaar wordt gehaald.

Tegen een slide klopt die som niet meer. De aanvaller beweegt zijwaarts terwijl de bal dezelfde kant op reist, dus de blokkeerder moet niet naar een plek maar naar een bewegend doel — en wel op het moment dat hij normaal al zou springen. Wie op de quick heeft gegokt, springt op de plek waar de slide níet is. Wie afwacht, komt te laat bij de antenne.

De tweede winst zie je niet terug in de telling. Hun middenblokkeerder moet nu ook de vier meter rechts van zich in de gaten houden. Hij komt dus later los naar je buitenaanvaller, of hij vertrekt te vroeg en laat de slide open. Dezelfde ruil als bij een quick-dreiging, maar over een veel bredere strook net; hoe de tempo's zich onderling verhouden staat in aanvalstempo's: van hoge bal tot eerste tempo.

Eén misverstand alvast uit de weg: qua timing zit de slide dichter bij het tweede tempo dan bij de quick. De midden loopt nog terwijl de spelverdeler de bal speelt. Het is dus geen snellere aanval, het is een minder voorspelbare.

De afzet van één been is een aparte vaardigheid

De gewone aanloop van drie of vier passen is in feite een remsysteem: je zet snelheid om in hoogte door de laatste twee passen af te remmen en met twee voeten tegelijk af te zetten. Bij een slide doe je het omgekeerde. Je remt niet, je neemt de snelheid mee de lucht in. Voor een rechtshandige midden die naar rechts loopt, ziet dat er zo uit:

Twee dingen gaan de eerste trainingen altijd mis. Het eerste is remmen: de midden wil net zo hoog springen als bij zijn quick, zet toch twee voeten neer en staat stil onder een bal die doorloopt. Het tweede is te krap langs de spelverdeler. Wie zijwaarts springt heeft geen stuur meer, dus wie te dicht op het net begint, raakt het net of stapt over de middenlijn — allebei een fout, ook als de bal binnen valt.

En dan de belasting. Een eenbenige afzet met een landing in beweging legt het werk op één been in plaats van twee. Bouw het op zoals je elke nieuwe sprongvorm opbouwt: korte series, verdeeld over de avond, en niet dertig keer achter elkaar op de training waarop het eindelijk begint te lukken. Hoe je de landing zelf aanleert staat in landingstechniek trainen. Houdt een speler klachten aan knie, enkel of rug, dan hoort dat bij een fysiotherapeut of arts en niet bij een oefenvorm — ook niet als hij zelf zegt dat het meevalt.

De set is de moeilijkste helft van de afspraak

De meeste coaches steken hun eerste weken in de aanvaller. In de praktijk zit het probleem bij de spelverdeler, want een slide-set is een achterwaartse bal over het hoofd, vlak, naar een doelwit dat beweegt — een andere opgave dan een backset naar iemand die stilstaat te wachten.

De maten die voor de meeste teams werken: de bal komt een halve tot een hele meter boven de netrand uit, reist twee tot vier meter langs het net en valt ongeveer een halve meter van het net vandaan, ver genoeg dat de aanvaller er niet met zijn schouder tegenaan loopt. Belangrijker dan alle maten is de plek. De bal moet vóór de aanvaller neerkomen, in zijn looprichting. Valt hij achter hem, dan is er niets meer te redden — tijdens een zijwaartse sprong kun je niet terugreiken. Hoe het er van de kant ook uitziet: dat is nooit een aanloopfout.

Drie standaardfouten, in volgorde van hoe vaak je ze ziet:

  1. Te hoog. De aanvaller moet wachten, dus remmen, en de beweging valt stil. Een slide die je moet afwachten is een gewone aanval geworden en het blok staat er alsnog.
  2. Te dicht op het net. De aanvaller heeft geen ruimte om zichzelf uit te lopen en eindigt tegen het net of over de middenlijn.
  3. Te ver door. De bal loopt de antenne in en je midden rent zich klem in de hoek waar hij niets meer kan.

Spreek het bovendien uit. De slide is een afspraak tussen twee mensen die elkaar op dat moment niet aankijken: de midden roept zijn call tijdens de pass, en de spelverdeler weet zonder omkijken wie er achter hem langs komt. Eén woord is genoeg, en het moet er zijn vóórdat hij onder de bal staat.

In welke rotaties hij het meeste oplevert

Hier zit de reden dat teams die met het 5-1-systeem spelen zo aan de slide hechten. Staat je spelverdeler achterin, dan heb je drie aanvallers aan het net: buiten op zone 4, midden op zone 3 en je diagonaal op zone 2. Precies die diagonaal staat in de ruimte waar de slide heen wil. Een korte slide kan dan nog steeds, anderhalve meter voorbij de schouder van de spelverdeler, maar de lange versie botst met je eigen speler.

Draait je spelverdeler naar voren, dan kantelt het beeld. In die drie rotaties staan er nog maar twee echte aanvallers aan het net: je buiten en je midden. Iedereen in de zaal weet dan waar de bal heen gaat, en dat merk je aan het dubbelblok dat elke rally op je buitenaanvaller klaarstaat. Maar de rechterkant van het net is in die standen leeg, want daar staat alleen de spelverdeler, en die zet. De slide vult die ruimte zonder dat er een speler bij hoeft.

Dat maakt hem een goede metgezel van de pipe, die hetzelfde gat vanaf de achterkant dichtloopt. Het verschil is praktisch: een pipe vraagt een buitenaanvaller op de juiste achterpositie en is niet in elke rotatie beschikbaar, terwijl er altijd een midden voorin staat.

Zo bouw je hem op zonder je midden te slopen

  1. Zonder bal, zonder net. Tien lay-ups langs een lijn op de vloer: laatste stap op links, rechterknie omhoog, zijwaarts uitlopen. Hang dit twee trainingen aan de warming-up en maak er geen apart blok van.
  2. Aangegooid vanaf de setterplek. Jij staat waar de spelverdeler staat en gooit de bal vlak langs het net; de midden loopt en slaat. Vijftien tot twintig ballen per training, in series van vijf, met rust ertussen.
  3. Spelverdeler en midden alleen. Jij gooit naar de spelverdeler, hij legt de slide. Doorgaan tot de bal tien keer achter elkaar op ongeveer dezelfde hoogte en afstand komt. Dit is de stap die het langst duurt en die je niet mag overslaan.
  4. Uit een echte receptie, met een keuze. De midden roept nu zelf: quick of slide. Pas hier leert je spelverdeler die twee ballen onder tijdsdruk uit elkaar te houden, en pas hier hoor je of de call op tijd komt.
  5. Partijvorm met een opdracht. In de rotaties waarin je spelverdeler voorin staat, levert elke goede pass minstens een slide-aanloop op — ook als de bal ergens anders heen gaat.

Reken op vier tot zes trainingen voordat de eerste slide in een wedstrijd valt, en daarna op een stuk of drie wedstrijden waarin hij vooral misgaat. Introduceer hem bij een ruime voorsprong of in een oefenwedstrijd, niet op 20-20 in een set die telt.

Begin met de korte slide. Anderhalve tot twee meter voorbij de schouder van de spelverdeler, in plaats van helemaal naar de antenne. De set is korter en dus makkelijker, de aanvaller heeft minder snelheid te verwerken, en het blok raakt er evengoed door in de war. De lange versie kan altijd nog.

Wanneer je hem laat staan, en hoe je meet of hij werkt

De slide bestaat alleen bij een pass in de setterzone. Komt de bal van drie meter achter het net, dan kan je spelverdeler geen vlakke achterwaartse bal leggen en loopt je midden voor niets — met kans op een botsing tussen iemand die doorloopt en iemand die iets anders besloot. Spreek daarom af dat de call bij een slechte pass automatisch vervalt.

Twee tot vier slides per set is voor de meeste teams genoeg. De helft van het effect zit in de dreiging: hun middenblokkeerder blijft langer in het centrum en komt trager bij je buitenaanvaller. Dat is dezelfde reden waarom een middenaanvaller zijn aanloop ook maakt als hij de bal niet krijgt — en meteen de reden dat zijn werk zo slecht zichtbaar is in de cijfers.

Tel dus niet alleen de slides die scoren. Leg drie of vier wedstrijden naast elkaar en kijk naar twee getallen tegelijk: de aanvalspunten van je midden én die van je buitenaanvaller. Blijft het eerste gelijk terwijl het tweede stijgt, dan doet de slide precies waarvoor je hem hebt ingevoerd.

Punttypescherm in de Koach-app met de keuze tussen aanval, blok, service en vrij punt na een gescoord punt
Een slide heeft geen eigen knop: je tikt de naam van je midden aan en kiest daarna Aanval, net als bij elk ander aanvalspunt.

Vastleggen doe je zoals elk ander punt — eerst wie er scoorde, dan hoe; in Koach staan die twee stappen achter elkaar, zie punten per speler bijhouden. Een aanvalspunt dat valt terwijl je spelverdeler op het veld staat, telt bij hem bovendien automatisch mee als assist. Dat is niet onbelangrijk, want het is meestal zíjn bal die de slide mogelijk maakte.

Veelgestelde vragen

Wat is een slide in volleybal?

Een aanval waarbij de middenaanvaller evenwijdig aan het net achter de spelverdeler langs loopt en in beweging afzet van één been, zoals een lay-up bij basketbal. De set gaat achterwaarts over het hoofd van de spelverdeler, vlak en meelopend. Omdat de aanvaller nog beweegt als hij springt, weet het blok pas laat waar de bal geraakt wordt.

Wat is het verschil tussen een slide en een quick?

Een quick is een eerste tempo: de midden hangt al in de lucht als de spelverdeler de bal speelt, op één vaste plek vlak boven hem. Een slide is trager — de midden loopt nog tijdens de set en komt een halve tel later los — maar hij kan overal langs een strook net van een paar meter toeslaan. De quick koopt tijd van het blok, de slide koopt onzekerheid.

Waarom zet je bij een slide van één been af?

Omdat je je snelheid wilt houden. Een gewone aanloop remt af om snelheid in hoogte om te zetten; wie dat bij een slide doet, staat stil onder een bal die doorloopt. Met een eenbenige afzet neem je de zijwaartse beweging mee de lucht in, waardoor je later en verder langs het net kunt slaan — en juist dat is wat de blokkeerder niet kan volgen.

Vanaf welk niveau kun je een slide spelen?

Zodra je pass regelmatig in de setterzone komt en je spelverdeler een vlakke achterwaartse bal kan leggen. Dat is in de brede amateurklassen goed haalbaar; het is vooral een kwestie van herhaling tussen twee spelers. De rem zit meestal niet bij de aanvaller maar bij de set: zolang die te hoog blijft, is er geen slide.

Is de eenbenige afzet belastend voor de knie?

Een afzet en landing op één been verdelen de belasting anders dan de gewone tweebenige sprong, dus behandel het als een nieuwe sprongvorm: kleine series, opbouwen over weken en niet tientallen herhalingen achter elkaar in één training. Krijgt een speler klachten aan knie, enkel of rug, laat hem die dan beoordelen door een fysiotherapeut of arts voordat hij verder traint. Wat voor de ene speler prima gaat, hoeft dat voor de andere niet te zijn.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach