Goed op training, slecht in de wedstrijd: waar ligt het aan? | Koach Volleyball
Start 14 dagen gratis
Kennisbank · Coachvak & fysiek

Goed op training, slecht in de wedstrijd: waar ligt het aan?

Op de laatste training vóór de wedstrijd passen ze twintig ballen netjes op de spelverdeler. In de wedstrijd ligt de eerste service op de grond. Goed op training, slecht in de wedstrijd — dezelfde spelers, dezelfde zaal, een paar dagen ertussen. Het antwoord is zelden 'zenuwen' en zelden 'ze willen niet', maar het is ook niet één antwoord. Dit stuk helpt je kiezen welke van de twee het bij jouw team is, voordat je iets verandert.

Leestijd: 7 min

Goed op training, slecht in de wedstrijd: het korte antwoord

Het ligt bijna altijd aan één van twee dingen, en die vragen iets tegengestelds. Of je oefeningen vragen iets anders dan de wedstrijd, zodat wat op de training lukt in de wedstrijd niet bestaat. Of een speler raakt onder druk iets kwijt wat hij op de training wel heeft. Het eerste los je op in je training, het tweede in hoe je met die speler omgaat. Wie het verkeerde aanpakt, maakt het vaak erger: een speler met spanning krijgt er op de training nog meer druk bij, en een team met een oefenprobleem krijgt te horen dat het zich niet zo moet laten gaan.

Voor wie dit opzoekt als speler of als ouder: het is geen kwestie van karakter. Wie op de training laat zien dat hij een service in het veld kan slaan, kan dat. De vraag is niet of hij het wil, maar wat er in de wedstrijd anders is dan op de training.

Wat hieronder staat, is een diagnose en geen oplossing. Hoe je oefeningen zo inricht dat ze wél overdragen, staat uitgewerkt in wedstrijdechte oefeningen. Dit stuk helpt je eerst bepalen of dat de pagina is die je nodig hebt.

De tweesprong: zakt het hele team weg of één speler?

De eerste vraag scheidt de twee bijna altijd: wie zakt er weg, en op welke vaardigheid?

Twee dingen maken het rommeliger dan dit schema. Het kan allebei tegelijk: een team dat in de receptie wegzakt, met daarbinnen één speler die er extra hard onderdoor gaat. Begin dan bij het team, want dat raakt hem ook. En soms is de tegenstander gewoon beter dan wat je op de training tegenkomt. Een service die harder en platter binnenkomt dan die van je eigen teamgenoten, is geen spanningsprobleem — maar wel iets om te onthouden als je je volgende training kiest.

Beslis ook niet op één wedstrijd. Eén slechte dag kan alles zijn: een vroege aanvangstijd, een zieke spelverdeler, een tegenstander in vorm. Kijk naar drie of vier wedstrijden achter elkaar en naar wat daarin steeds terugkomt.

Drie signalen die naar je oefenvorm wijzen

  1. Het gaat mis bij de bal die op de training niet bestaat. Op de training krijgt je receptie een service van een teamgenoot die wil dat de oefening loopt, of een aangooi van de trainer. In de wedstrijd komt hij van iemand die juist wil dat jouw pass mislukt. Loopt de receptie goed op de training en slecht in de wedstrijd, kijk dan eerlijk waar die trainingsbal vandaan kwam — en tel meteen hoeveel echte services een speler per avond krijgt. In een rij bij één net zijn dat er vaak minder dan je denkt; zie meer balcontacten per training.
  2. De fout zit in het moment ervóór, niet in de uitvoering. Op de training staan spelers op de goede plek, omdat ze weten waar de bal komt. In de wedstrijd staan ze te laat of verkeerd, en de techniek die daarna misgaat, is een gevolg. Zie je vooral ballen die net niet gehaald worden of scheef van de armen komen, dan is het geen techniek en geen spanning. Zit het vooral in de wisseling van verdedigen naar aanvallen, dan is er een apart stuk over: transitie oefenen.
  3. Het gaat mis zodra het ergens om gaat, bij iedereen tegelijk. Niet in de eerste rally's, maar vanaf het moment dat de stand spannend wordt of de set lang duurt. Heeft je training nooit een telling die iets betekent, dan heeft je team nooit geoefend met een bal die telt. Dat is geen spanning bij één speler, maar een ontbrekend stuk in de training van allemaal.

Drie signalen die naar spanning wijzen

  1. Je ziet het aan wat hij kiest, niet aan wat hij kan. De aanvaller die op de training hard slaat, tipt in de wedstrijd elke bal. De spelverdeler die op de training de midden inzet, speelt in de wedstrijd alles hoog naar buiten. De techniek is er nog; de keuze is veiliger geworden.
  2. Het zit bij de bal waar hij alleen voor staat. De service is het duidelijkste voorbeeld: iedereen kijkt, niemand kan helpen en je hebt tijd om na te denken. Zakt de service van één speler in de wedstrijd weg terwijl zijn receptie gewoon doorloopt, dan is dat een sterk signaal.
  3. Eén fout trekt er twee achter zich aan. Op de training laat hij een fout los; in de wedstrijd volgt er binnen een paar rally's een tweede en een derde. Soms begint het nog eerder: hij komt al gespannen de zaal in en het inspelen loopt stroef. Hoe je het inspelen zo inricht dat spelers er iets aan hebben, staat in het inspelen voor een wedstrijd.

Eén zin houdt de twee uit elkaar. Oefenvorm: één vaardigheid die wegzakt, bij iedereen. Spanning: één persoon die wegzakt, bij verschillende vaardigheden. Past wat je in de wedstrijd zag in geen van beide, kijk dan eerst naar de tegenstander en naar je opstelling voordat je iets verandert.

Wat je tijdens de wedstrijd opschrijft om het verschil te zien

Je hoeft geen statisticus te worden. Drie dingen per verloren rally zijn genoeg: op welke vaardigheid hij eindigde, bij welke speler, en bij welke stand. Na één wedstrijd zegt dat weinig. Na drie of vier zie je of de fouten over het team verspreid liggen op één vaardigheid — de oefenvorm — of zich ophopen bij één naam op de momenten die tellen — de spanning.

Schrijf daarnaast per week één regel op over de training: wat was de focus, en hoe kwam de bal in die oefeningen binnen? Die regel heb je nodig om later te zien of de wedstrijd iets vroeg wat de training niet bood. Hoe je die focus over weken opbouwt, staat in trainingsopbouw.

Wie live scoort in Koach, krijgt het wedstrijddeel erbij: de fouten per speler uitgesplitst naar type, het receptiecijfer, de side-out per rotatie, de momentumlijn per set en een wedstrijdnotitie. Aan de trainingskant leg je per training een focus vast, kies je er oefeningen bij en geef je per speler een beoordeling. In de CSV-export staan per speler aanwezigheid, gemiddelde inzet, aanval, blok, service, punten en de fouten per type op één regel — dat is de plek waar training en wedstrijd naast elkaar liggen. Wat de app niet doet: hij berekent geen transferscore, vergelijkt je training niet automatisch met je wedstrijd en houdt geen succespercentage per oefening bij. De vergelijking maak je zelf. En "spelinzicht" is een beoordeling die jij als trainer invult, geen meting.

De momentumlijn van een gespeelde wedstrijd in de Koach-app, met de punten achter elkaar per set
De momentumlijn per set. Kantelt de wedstrijd steeds op hetzelfde soort moment, dan weet je waar je in de lijst met verloren rally's moet kijken.

Hoe je de fouten per speler leest zonder er een ranglijst van te maken, staat in de foutenlast per speler; hoe je de rest van de spelerscijfers leest, in spelersstatistieken lezen. Waar de wedstrijd kantelt, laat de momentumlijn zien. Zakt het team steeds in dezelfde opstelling weg, kijk dan eerst naar je zwakste rotatie — dat is een derde verklaring die op beide andere kan lijken. En bespreek wat je vindt met de groep op een manier die geen afrekening wordt; zie de wedstrijdnabespreking met data.

Het is de oefenvorm: dit is de eerstvolgende stap

Wijzen de signalen naar de oefenvorm, verander dan niet je hele training in één keer. Kies de vaardigheid die in de afgelopen wedstrijden het vaakst wegzakte en pak alleen die aan. Waarom de overdracht misgaat, wat je aan een oefening verandert en hoe je controleert of het werkt, staat uitgewerkt in wedstrijdechte oefeningen: waarom training niet overdraagt.

Het is de spanning: dit is de eerstvolgende stap

Wijzen de signalen naar één speler, begin dan niet bij je oefeningen, en ook niet bij een gesprek over karakter of wilskracht. Welke kant je op gaat, hangt af van hoe het zich uit. Gaat hij veiliger spelen, dan is de speler die op safe gaat spelen het volgende stuk. Gaat het vooral om de service, de routine en de ademhaling, dan is dat mentale training. En speelt er langs de lijn iemand mee die na elke fout iets roept, dan hoort dat bij het beeld; zie ouders langs de lijn.

Probeer het zelf in Koach

Score je eerstvolgende wedstrijden live in Koach en leg bij elke training een focus vast. Na een paar wedstrijden heb je per speler de fouten naar type en per training wat je oefende, en beantwoord je de tweesprong van hierboven met wat er gebeurd is in plaats van met wat je je herinnert. De proefperiode duurt veertien dagen, en een oefenwedstrijd start je op dezelfde manier live als een competitiewedstrijd — handig als je sneller een tweede wedstrijd wilt om naast de eerste te leggen.

Veelgestelde vragen

Ligt het aan de zenuwen als mijn team op de training beter speelt?

Als het hele team wegzakt, meestal niet. Zes spelers worden zelden tegelijk nerveus op precies dezelfde vaardigheid; dan is het waarschijnlijker dat je oefeningen iets missen wat de wedstrijd wel vraagt. Zenuwen verklaren vaker waarom één speler wegzakt terwijl de rest ongeveer haar trainingsniveau haalt.

Hoe weet ik of het aan mijn oefeningen ligt en niet aan de spelers?

Schrijf drie of vier wedstrijden lang bij elke verloren rally op op welke vaardigheid hij eindigde, bij welke speler en bij welke stand. Liggen de fouten verspreid over het team op één vaardigheid, dan ligt het aan de oefenvorm. Kijk daarna waar de bal in je trainingsoefening voor die vaardigheid vandaan kwam: van een tegenstander of van een teamgenoot die wilde dat het lukte.

Helpt een oefenwedstrijd om het verschil te zien?

Ja, het is de goedkoopste toets die er is: een echte tegenstander, maar minder op het spel. Zakt het team ook in de oefenwedstrijd weg op dezelfde vaardigheid, dan wijst dat naar de oefenvorm. Houdt één speler zich daar wel staande en valt hij in de competitie weg, dan wijst dat naar spanning. Hoe je er een vastlegt, staat in een oefenwedstrijd aanmaken.

Wat zeg ik als ouder tegen mijn kind na zo'n wedstrijd?

Zo weinig mogelijk over de wedstrijd, en niet meteen. Vraag later wat het zelf merkte, en laat de analyse aan de coach. Zeg vooral niet 'op de training kun je het toch wel': die zin legt het probleem bij het karakter en maakt de volgende wedstrijd zwaarder in plaats van lichter.

Probeer het zelf in Koach

Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.

Start met Koach

Of lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.