Snelheid van de service in volleybal: gemiddelden en zelf meten
Het korte antwoord
De snelheid van een service in volleybal hangt vooral af van de soort. In radarmetingen in wedstrijden (Palao en Valadés, 2014) ging bij topmannen een float 40 tot 75 km/u en een sprongservice 73 tot 104 km/u; bij topvrouwen haalde de sprongservice 66 tot 89 km/u. Zelf meten kan met een radar of slow-motionvideo.
De snelheid van een service in volleybal is het getal waar spelers vaak naar vragen. Hier staan de gemeten snelheden per soort service bij mannen, vrouwen en jeugd, met de bron erbij, het snelste wat ooit in de Nations League is gemeten, hoe je het zelf meet en waarom snel niet hetzelfde is als goed.
Hoe snel is een volleybalservice?
Een grote reeks wedstrijdmetingen komt van Palao en Valadés (The Sport Journal, 2014). Zij maten met een radar ruim vierduizend services in echte wedstrijden: ruim tweeduizend bij de mannen in de World League van 2006 en ruim tweeduizend bij de vrouwen in de Spaanse bekercompetitie voor topteams. Dit zijn de snelheden zoals de onderzoekers ze in hun conclusies noemen:
| Soort service | Mannen, World League | Vrouwen, Spaanse topteams |
|---|---|---|
| Float uit stand | 42 tot 55 km/u | 43 tot 61 km/u |
| Sprongfloat | 40 tot 75 km/u | 40 tot 61 km/u |
| Sprongservice met topspin | 73 tot 104 km/u | 66 tot 89 km/u |
Twee dingen vallen op. Een float is bij mannen en vrouwen ongeveer even snel: het gevaar zit in de onrustige baan, niet in de kracht. En de sprongservice is de enige soort die echt sneller is: bij de vrouwen ligt zelfs de langzaamste gemeten sprongservice boven de snelste float. De mix verschilde ook: in hetzelfde onderzoek was ruim de helft van de services bij de mannen een sprongservice, bij de vrouwen ongeveer een op de zes. Wat elke soort service is en hoe hij werkt, staat in soorten service in volleybal.
De snelste service in de Nations League
In de Volleyball Nations League van 2021 sloeg de Pool Wilfredo León een service van 135,6 km/u. Volgens Volleyball World was dat de snelste service die tot dan toe in die competitie was gemeten; het vorige record, 134 km/u, stond sinds 2018 op naam van de Italiaan Ivan Zaytsev. Zulke snelheden zijn uitschieters van een handvol spelers in de wereld. Op internet circuleren ook hogere getallen; neem een snelheid alleen over als er een officiële meting achter staat.
Hoe snel serveren jeugdspelers?
Voor jeugd zijn er minder metingen. Een onderzoek van Zahálka en collega's (Studia Sportiva, 2011) mat 169 jongens van gemiddeld 16 jaar met een radar, drie services per speler in een test. Wie de sprongservice nog niet beheerste, serveerde vanuit stand. Gemiddeld ging de bal 79,4 km/u; de langzaamste service haalde 56,3 km/u, de snelste 105,9 km/u. Een verschil van bijna 50 km/u in één leeftijdsgroep: op die leeftijd loopt de techniek nog ver uiteen.
Voor jongere kinderen en recreanten zijn nauwelijks betrouwbare metingen gepubliceerd. Getallen die je online ziet voor die groepen, hebben meestal geen bron. Wil je weten waar je spelers staan, meet dan zelf en vergelijk een speler vooral met zichzelf.
Is een snellere service ook een betere service?
Niet vanzelf. Moras en collega's (2008) maten met een radar 377 services op het olympisch kwalificatietoernooi voor mannen van 2004. De sprongservice ging gemiddeld 23 meter per seconde (ongeveer 83 km/u), de float met en zonder sprong ongeveer 12 meter per seconde. Toch vonden ze geen betekenisvol verband tussen de snelheid van een service en wat hij opleverde. De sprongservice en de sprongfloat hadden wel een betere verhouding tussen goede en slechte uitkomsten dan de float uit stand.
Snelheid neemt de ontvanger tijd af. Palao en Valadés rekenden uit hoe lang een ontvanger heeft: bij een sprongservice van de mannen ongeveer een halve tot driekwart seconde, bij een float uit stand ongeveer 1 tot 1,3 seconde. Maar een snelle service die in het net of uit gaat, kost een punt. Of een service werkt, meet je daarom aan het effect: aces, druk op de pass en fouten. Hoe je dat bijhoudt, staat in servicestatistieken: aces en servicedruk meten.
Zelf de snelheid van je service meten
- Met een radar. Een handradar zoals die voor honkbal of tennis meet de snelheid in de richting van het apparaat. Sta daarom recht achter de serveerder, in de lijn van de bal. Sta je schuin, dan meet hij te laag: bij een hoek van 30 graden ruim een achtste.
- Met slow-motionvideo. Zet een telefoon op 240 beelden per seconde aan de zijkant, ter hoogte van het net en ver genoeg om de serveerder en het net in beeld te hebben. Tel de beelden tussen het raakmoment en het moment dat de bal het net passeert. Stel dat de serveerder de bal 1 meter achter de achterlijn raakt: tot het net is dat 10 meter. Telt je video 120 beelden, dan deed de bal er 0,5 seconde over. 10 gedeeld door 0,5 is 20 meter per seconde, keer 3,6 is 72 km/u.
- Met een app. Er zijn apps die de snelheid uit video of geluid schatten. Controleer zo'n app een keer met de videomethode voordat je de getallen vertrouwt.
De videomethode geeft de gemiddelde snelheid over dat stuk; een radar meet de hoogste snelheid vlak na de slag, en de bal remt onderweg af. Vergelijk dus alleen metingen met dezelfde methode. Film je met 30 beelden per seconde, dan scheelt één beeld in dit voorbeeld ongeveer 5 km/u; bij 240 beelden per seconde minder dan 1 km/u. Meet vijf tot tien services per speler, noteer het gemiddelde en de snelste, en noteer ook hoeveel er binnen vielen.
Meet snelheid nooit zonder doel. Laat een speler tien sprongservices slaan op een zone en noteer per bal de snelheid en of hij erin viel. Gaat de snelheid een maand later omhoog terwijl het aantal ballen binnen gelijk blijft, dan is de speler echt beter geworden. Gaan er minder ballen in, dan heb je alleen risico gekocht.
Waar de snelheid vandaan komt
Bij de sprongservice komt de snelheid uit de keten van opgooi, aanloop, sprong en armzwaai, niet uit de arm alleen. In het jeugdonderzoek hierboven hing de snelheid samen met hoe hoog een speler na een aanloop sprong, en de onderzoekers weten het grote verschil tussen spelers vooral aan hoe goed ze de techniek beheersten. Een opgooi die te ver naar achteren of te dicht bij het lichaam komt, kost snelheid, hoe sterk de speler ook is. Werk daarom eerst aan een vaste opgooi en een raakpunt hoog en voor de slagschouder; de opbouw staat in de sprongservice aanleren. Bij een float is snelheid geen doel: daar telt een strak raakvlak zonder spin.
Snelheid meet je op de training, het effect in de wedstrijd
Koach meet geen snelheid. Wat de app wel doet, is bijhouden wat een service oplevert. In de modus Expert geef je elke service een cijfer: 0 Fout, 1 Makkelijk, 2 Redelijk, 3 Druk, 4 Vrije bal of 5 Ace, met de serveerder al gekozen. In de modus Simpel tel je per speler de aces en de servicefouten. Welke cijfers er verder bestaan en hoe je ze leest, staat in volleybalstatistieken begrijpen.
In het spelersprofiel zie je per vaardigheid welk deel van de cijfers goed was, naast het gemiddelde van het team. Zet je de radar- of videometing van de training naast die cijfers, dan zie je of een snellere service ook meer druk geeft. Wat Koach kost na de 14 gratis dagen, staat op de prijzenpagina.
14 dagen gratis, zonder creditcard. Geef in je volgende wedstrijd elke service een cijfer en zie wie er echt druk zet.
Meet je services in KoachVeelgestelde vragen
Hoe snel is een volleybalservice gemiddeld?
Dat hangt af van de soort en het niveau. In radarmetingen in wedstrijden (Palao en Valadés, 2014) ging bij topmannen een float uit stand 42 tot 55 km/u en een sprongservice 73 tot 104 km/u; bij topvrouwen lag de sprongservice op 66 tot 89 km/u. Bij jongens van zestien kwam een radartest (Zahálka en collega's, 2011) uit op gemiddeld ongeveer 79 km/u.
Wat is de snelste volleybalservice ooit?
Snelheden worden per competitie gemeten, met eigen apparatuur, dus getallen uit verschillende competities zijn lastig te vergelijken. Het bekendste getal komt uit de Volleyball Nations League: in 2021 sloeg Wilfredo León daar 135,6 km/u, volgens Volleyball World het VNL-record. Het vorige record, 134 km/u van Ivan Zaytsev, stamde uit 2018. Vertrouw hogere getallen alleen als er een officiële meting bij staat.
Hoe meet je de snelheid van een service zonder radar?
Film de service van opzij in slow motion, bijvoorbeeld met 240 beelden per seconde, en tel de beelden tussen het raakmoment en het net. Deel de afstand in meters door de tijd in seconden en vermenigvuldig met 3,6 voor km/u. Je meet zo de gemiddelde snelheid over dat stuk, iets lager dan een radar aangeeft.
Is een snelle service beter dan een float?
Niet vanzelf. Op het olympisch kwalificatietoernooi van 2004 vonden Moras en collega's (2008) geen betekenisvol verband tussen de snelheid van een service en wat hij opleverde. Een float is gevaarlijk door zijn onrustige baan, een sprongservice door zijn snelheid; welke beter werkt, hangt af van de speler en van hoeveel ballen erin gaan.
Zie welke service echt druk zet
14 dagen gratis, zonder creditcard. Na drie wedstrijden weet je wie welke service moet slaan.
Start met KoachOf lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.


