Hoe speel je volleybal? Het spel uitgelegd voor beginners
Het korte antwoord
Hoe speel je volleybal? Met twee teams van zes spelers aan weerszijden van een net. Je probeert de bal in het veld van de tegenstander op de grond te krijgen en mag hem daarvoor met je team hooguit drie keer raken, zonder vangen of gooien. Elke rally levert een punt op, en een set gaat tot 25 punten.
Hoe speel je volleybal als je het nog nooit hebt gedaan? Hier staat het spel in gewone woorden: wat het doel is, hoe een rally verloopt, hoe je punten en sets wint, waarom spelers steeds van plek wisselen en welke vijf technieken je als eerste leert. Voor nieuwe spelers en voor wie op de tribune zit.
Het doel van volleybal
Twee teams van zes spelers staan elk aan een kant van een net, op een veld van 18 bij 9 meter. Het net hangt op 2,43 meter bij de mannen en op 2,24 meter bij de vrouwen, en lager bij de jeugd. Het doel is eenvoudig: zorg dat de bal in het veld van de tegenstander op de grond komt, en voorkom dat hij in je eigen veld valt. Lukt de tegenstander dat niet, of maakt hij een fout, dan krijgt jouw team het punt.
Drie regels maken volleybal tot volleybal:
- Hooguit drie keer raken. Je team mag de bal maximaal drie keer spelen voordat hij over het net moet. Een aanraking bij het blok telt daarbij niet mee (regel 9.1).
- Niet twee keer achter elkaar. Dezelfde speler mag de bal niet twee keer na elkaar spelen. Uitzondering is het blok: wie blokt, mag daarna ook de volgende bal spelen (regel 9.1.1).
- Niet vangen of gooien. Je speelt de bal kort weg. Hij mag elk deel van je lichaam raken, ook je voet, maar hij mag niet blijven liggen (regel 9.2).
Zo verloopt een rally
Een rally is alles van de service tot de bal dood is. Een typische rally ziet er zo uit:
- Service. De speler die rechtsachter staat, serveert van achter de achterlijn. Hij gooit de bal op en slaat hem met één hand of arm over het net, binnen acht seconden na het fluitsignaal (regel 12.4). De bal mag het net raken, zolang hij erover gaat.
- Pass. Het andere team speelt de service met de eerste bal, meestal onderarms: de armen gestrekt tegen elkaar, de bal op de onderarmen. Het doel is een hoge, zachte bal naar de spelverdeler. Deze eerste bal heet ook de receptie.
- Set. De spelverdeler speelt de tweede bal, meestal bovenhands met de vingers, hoog langs het net naar een aanvaller.
- Aanval. De aanvaller springt en slaat de bal met één hand over het net, hard of juist geplaatst. Dat heet ook smashen.
- Blok. Aan de andere kant springen een of meer spelers aan het net met hun handen boven de netrand, om de aanval tegen te houden. Alleen spelers uit de voorste rij mogen blokkeren (regel 14.1.1).
- Verdediging. Komt de bal langs het blok, dan probeert een verdediger hem nog te spelen. Lukt dat, dan begint de opbouw aan die kant opnieuw: pass, set, aanval.
Zo gaat de bal heen en weer tot hij de grond raakt, uit gaat of iemand een fout maakt. Een bal op de lijn is in (regel 8.3). Een bal die de antenne raakt of buiten de antennes over het net gaat, is uit (regel 8.4).
Punten, sets en de wedstrijd
- Elke rally is een punt, ook voor het team dat niet serveerde. Wint het ontvangende team de rally, dan krijgt het naast het punt ook de service (regel 6.1.3).
- Een set gaat tot 25 punten, met minstens twee punten verschil. Bij 24-24 speel je door tot 26-24, 27-25 enzovoort (regel 6.2).
- Wie drie sets wint, wint de wedstrijd. Staat het 2-2, dan volgt een vijfde set tot 15 punten, ook met twee punten verschil (regel 6.3).
- Time-outs en wissels. Elk team mag per set twee time-outs van 30 seconden aanvragen en zes keer wisselen (regel 15).
Er loopt geen klok: een wedstrijd duurt tot een team drie sets heeft gewonnen. Een 3-0 is dus veel korter dan een wedstrijd van vijf sets. In sommige competities en op toernooien wordt anders geteld, bijvoorbeeld met een vast aantal sets of met kortere sets; dat staat dan in het reglement van die competitie. Alle officiële regels op een rij vind je in volleybalregels op een rij; de volledige tekst staat in de Official Volleyball Rules 2025-2028 van de FIVB.
Draaien: waarom spelers steeds van plek wisselen
De zes spelers staan in twee rijen van drie: drie voorin aan het net en drie achterin. De plekken hebben de nummers 1 tot en met 6, en de speler op plek 1, rechtsachter, serveert. Op het moment van de service moet het ontvangende team in de goede volgorde staan; het serverende team mag dan overal in het eigen veld staan (regel 7.4). Zodra de service geslagen is, mag iedereen lopen waar hij wil.
Wint je team de service terug, dan schuift iedereen één plek door met de klok mee: de speler van plek 2 gaat naar plek 1 en serveert (regel 7.6). Zo komt iedereen aan de beurt om te serveren, en speelt iedereen een tijd voorin en een tijd achterin. Een speler die achterin staat, mag wel aanvallen, maar alleen als hij afzet achter de driemeterlijn, of als de bal niet helemaal boven de netrand is (regel 13.2). Hoe de volgorde precies werkt, lees je in de rotatievolgorde in volleybal.
De vijf technieken die je als eerste leert
| Techniek | Hoe | Wanneer |
|---|---|---|
| Onderarms spelen | Armen gestrekt tegen elkaar, bal op de onderarmen, kracht uit de benen | De service ontvangen, lage ballen, verdedigen |
| Bovenhands spelen | Handen boven het voorhoofd, de bal kort met de vingers wegduwen | De tweede bal naar een aanvaller, hoge ballen |
| Service | Onderhands (eenvoudiger) of bovenhands: opgooien en met één hand slaan | Het begin van elke rally |
| Aanval | Aanloop, sprong, armzwaai en de bal op het hoogste punt slaan | Meestal de derde bal |
| Blok | Aan het net springen met de handen boven de netrand | Tegen de aanval van de tegenstander |
Als beginner leer je eerst de eerste drie: zonder pass, set en een service die over het net komt, ontstaat er geen rally. Hoe je elke techniek opbouwt, staat in volleybaltechniek leren.
Wat doe je als speler in het veld?
In een team heeft iedereen een vaste taak, los van de plek waar hij door het draaien staat. De vijf rollen:
- Spelverdeler: speelt de tweede bal en kiest welke aanvaller hem krijgt.
- Buitenaanvaller: ontvangt de service en valt vooral links aan.
- Middenaanvaller: blokkeert veel en valt snel aan in het midden van het net.
- Diagonaal: staat tegenover de spelverdeler en valt vooral rechts aan.
- Libero: de verdediger in het afwijkende shirt, die alleen achterin speelt. Waarom die een andere kleur draagt, lees je in waarom één volleyballer een ander shirt draagt.
Bij beginners speelt vaak nog iedereen alles; vaste rollen komen pas als de basis staat. Wat elke rol vraagt, staat in volleybalposities uitgelegd.
Roep de bal. Zeg hardop ik of mijn voordat je speelt. De meeste ballen die bij beginners vallen, vallen tussen twee spelers die allebei dachten dat de ander hem nam. Eén woord lost dat op.
Zo begin je met volleybal
Zes tegen zes met drie aanrakingen is lastig zolang je de bal nog niet onder controle hebt. Begin daarom klein: twee tegen twee of drie tegen drie op een kleiner veld, eventueel met een lager net. Je raakt dan veel vaker de bal, en dat is waar je van leert. In trainingen voor beginners mag de bal soms nog even gevangen worden, als tussenstap naar echt spelen.
Plekken om te beginnen zijn een club met trainingen en een competitie, een recreantengroep op een vaste avond, en in de zomer beach- of grasvolleybal. In de zaal speel je op sportschoenen met een rubberen zool die geen strepen op de vloer achterlaat, en kniebeschermers zijn handig zodra je gaat verdedigen. Ben je volwassen en wil je weten wat je de eerste maanden kunt verwachten, lees dan volleybal beginnen als volwassene.
Volleybal in een team met Koach
Gebruikt je trainer Koach, dan betaal je als speler niets: je spelersaccount valt onder het abonnement van het team. Je ziet de trainingen en wedstrijden in de agenda, meldt je aan of af, en na een wedstrijd zie je je eigen cijfers. Die cijfers ontstaan tijdens de wedstrijd: de trainer of een scorer kan na elk punt aantikken hoe het viel. Bij een punt voor je team kiest hij uit aanval, blok, ace (een service die direct een punt oplevert) of een fout van de tegenstander. Dat zijn precies de vier manieren waarop een team in volleybal scoort.
Ben je zelf trainer van een beginnersteam? Wat Koach na de 14 gratis dagen kost, staat op de prijzenpagina.
14 dagen gratis, zonder creditcard. Zet je team in Koach en zie na de eerste wedstrijd hoe jullie punten scoorden.
Probeer Koach met je teamVeelgestelde vragen
Hoeveel spelers staan er bij volleybal in het veld?
Per team staan er zes spelers in het veld: drie voorin aan het net en drie achterin. Op het wedstrijdformulier mag een team tot twaalf spelers zetten, in officiële FIVB-competities voor senioren tot veertien, waaronder hooguit twee libero's. Bij beachvolleybal speel je met twee tegen twee, en bij kinderen vaak met minder spelers op een kleiner veld.
Mag je de bal met je voet spelen bij volleybal?
Ja. Volgens de officiële regels mag de bal elk deel van je lichaam raken, ook je voet. Hij mag alleen niet gevangen of gegooid worden, en dezelfde speler mag hem niet twee keer na elkaar raken. In de praktijk speel je bijna alles met je armen en handen, omdat je de bal daarmee veel beter kunt richten.
Hoe lang duurt een volleybalwedstrijd?
Er loopt geen klok: een wedstrijd duurt tot een team drie sets heeft gewonnen. Een set gaat tot 25 punten met twee punten verschil, en bij 2-2 volgt een vijfde set tot 15. Een wedstrijd die in 3-0 eindigt, is dus een stuk korter dan een wedstrijd van vijf sets. Op toernooien worden vaak kortere vormen gespeeld.
Wat is het verschil tussen zaalvolleybal en beachvolleybal?
Bij beachvolleybal speel je twee tegen twee op zand, op een veld van 16 bij 8 meter, zonder wissels en zonder vaste posities. Een set gaat tot 21 punten (een eventuele derde set tot 15), en een aanraking bij het blok telt daar wel als een van de drie aanrakingen. In de zaal speel je zes tegen zes op 18 bij 9 meter, met sets tot 25.
Zet je beginnersteam in Koach
14 dagen gratis, zonder creditcard. Na de eerste wedstrijd zie je hoe jullie scoorden.
Start met KoachOf lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.


