Volleybal voor kinderen van 6 jaar: zo train je 5- tot 7-jarigen
Het korte antwoord
Volleybal voor kinderen van 6 jaar is vooral gooien, vangen en bewegen met een lichte bal. Als vuistregel train je 5- tot 7-jarigen in lessen van 45 tot 60 minuten, met een bal per kind, korte spellen zonder wachtrij en als eerste wedstrijdvorm één tegen één over een touw, waarbij de bal gevangen en gegooid wordt.
Volleybal voor kinderen van 6 jaar lijkt in niets op een training voor volwassenen, en dat hoort ook zo. Dit artikel is voor de trainer of ouder die een groep van 5 tot 7 jaar krijgt: wat ze al kunnen, hoe je een les opbouwt, zes spellen die werken en wanneer een kind toe is aan de volgende stap.
Wat kan een kind van 5 tot 7 jaar met een volleybal?
Een kind van deze leeftijd speelt nog geen volleybal zoals je dat op tv ziet. Een bal over het net terugspelen zonder hem vast te pakken, vraagt dat je de baan van een vliegende bal snel inschat, en dat leren kinderen pas in de jaren hierna. Wat wel kan: gooien, een stuiterende of rustige hoge bal vangen, rennen en stoppen, springen en draaien, en om de beurt spelen met een ander kind. Hoe dat per leeftijd verschuift, staat in vanaf welke leeftijd een kind kan volleyballen.
Je training draait daarom om vier dingen: bewegen, balgevoel, samenspelen en de eerste volleybalvormen. Die laatste zijn vangen boven het hoofd en een bal over een touw gooien naar een ander kind. Echte technieken als onderarms passen train je nog niet als oefening; ze komen later, als de bal lezen lukt. Wat er per leeftijdsgroep daarna verandert, lees je in jeugdvolleybal trainen per leeftijd.
Zo bouw je een les voor 5- tot 7-jarigen op
Als vuistregel is een les van 45 tot 60 minuten genoeg; een vaste norm voor deze leeftijd is er niet. Liever 45 minuten waarin iedereen beweegt dan een uur waarvan het laatste kwart rommelt. Een vaste volgorde helpt jonge kinderen: ze weten wat er komt en jij hoeft minder uit te leggen.
| Deel | Wat je doet | Minuten |
|---|---|---|
| Kring | Namen, en in één zin wat we vandaag gaan doen | 3 |
| Bewegen | Een tik- of loopspel, met of zonder bal | 7 |
| Ieder een bal | Balgevoel: rollen, stuiten, opgooien, vangen | 10 |
| Samen | Gooien en vangen in tweetallen | 10 |
| Spel over het touw | Eén tegen één of twee tegen twee | 12 |
| Kring | Wat ging goed, samen opruimen | 3 |
Wissel na een paar minuten van vorm (vijf tot acht is een bruikbare vuistregel), ook als het goed loopt: stop terwijl het nog leuk is. Spreek één vast stopsignaal af, bijvoorbeeld "bal tussen je voeten", en gebruik het elke les. En geen wachtrijen: een kind van zes dat in een rij staat, is binnen een halve minuut met iets anders bezig.
Zes spellen die werken bij kinderen van 5 tot 7
1. Stoplicht met bal
Iedereen loopt met een eigen bal door de zaal. Bij groen loop je met de bal in je handen, bij oranje rol of stuit je hem, bij rood sta je stil met de bal boven je hoofd, in het "raampje" van je handen. Makkelijker: alleen groen en rood. Moeilijker: voeg een vierde kleur toe, bijvoorbeeld blauw: gooi de bal op en vang hem. Het traint luisteren, bewegen met de bal en de handvorm boven het hoofd.
2. De vangladder
Ieder kind heeft een bal en kiest zelf een trede: opgooien en vangen, opgooien met een klap en vangen, opgooien en vangen na één stuit, opgooien, de grond aantikken en vangen. Wie er vijf achter elkaar haalt, gaat een trede hoger. Niemand wacht, en elk kind werkt op zijn eigen niveau; in een groep van deze leeftijd liggen die niveaus ver uit elkaar.
3. Ballon hooghouden
Tweetallen met een ballon. Tik de ballon met twee handen boven je hoofd naar je partner en tel samen hoe vaak het lukt voordat hij de grond raakt. Een ballon zweeft lang genoeg om eronder te komen, dus hier lukt al iets wat met een bal nog niet lukt. Moeilijker: na elke tik een keer de grond aanraken.
4. Boogbal in de hoepel
Tweetallen op drie meter, met een hoepel op de grond tussen hen in. Gooi de bal in een boog zo dat hij één keer in de hoepel stuit; je partner vangt hem boven het hoofd. Vijf keer goed is een stap verder uit elkaar. Het traint mikken, en de vanger leert waar een bal na een stuit naartoe gaat.
5. Tuin opruimen
Twee groepen aan weerszijden van een touw of laag net, met zoveel mogelijk zachte ballen. Gooi de ballen met twee handen boven je hoofd over het touw naar de andere tuin. Bij het fluitsignaal bevriest iedereen en tel je samen de ballen per kant; de tuin met de minste ballen wint. Iedereen raakt steeds opnieuw een bal, en niemand valt af.
6. Eén tegen één over het touw
Veldjes van ongeveer drie bij drie meter per kind, met een touw op hoofdhoogte. Gooi de bal over het touw; je partner vangt hem, eerst na één stuit, en gooit terug vanaf de plek waar hij hem ving. Tel eerst samen hoeveel keer de bal over gaat, en speel pas later om punten. Moeilijker: vangen zonder stuit, of twee tegen twee waarbij je eerst naar je maatje gooit. Dit is de eerste vorm van echt volleybal: over het net, lezen waar de bal neerkomt en erheen gaan.
Materiaal: lichte ballen, een laag net en veel ruimte
- Ballen. Zachte, lichte ballen, liefst één per kind, en een paar ballonnen voor de eerste vangspellen. Een officiële wedstrijdbal is te zwaar en doet pijn; welke bal bij welke leeftijd hoort, staat in welke volleybal per leeftijd.
- Net. Een touw, elastiek of laag badmintonnet op hoofdhoogte van de kinderen, of een omgekeerde bank.
- Veldjes. Pionnen of lijnen voor kleine veldjes, en een paar hoepels. Zet alles klaar voordat de kinderen binnenkomen.
- Hulp. Een vuistregel uit de praktijk: met acht tot tien kinderen houd je als enige trainer het overzicht. Heb je er meer, vraag dan een ouder om een groepje te begeleiden.
Doe voor, zeg één zin, laat ze beginnen. Van een uitleg van een minuut onthoudt een kind van zes weinig. Laat het spel zien met één kind, zeg wat de belangrijkste regel is en start. De rest leg je uit terwijl ze spelen, bij het kind dat het nodig heeft.
Zo praat je met jonge kinderen in de zaal
- Gebruik beelden. "Maak een raampje boven je hoofd" werkt beter dan "handen boven het voorhoofd, duimen naar elkaar".
- Prijs wat ze doen. "Jij stond al onder de bal voordat hij viel" zegt een kind meer dan "goed zo".
- Laat ze kiezen. Een eigen trede op de vangladder of een eigen afstand geeft elk kind succes.
- Geen afvalspellen. Wie eruit ligt, beweegt niet meer, en dat zijn juist de kinderen die het meest moeten bewegen.
- Zachte start bij angst. Een kind dat wegduikt voor de bal, begint met rollen en een ballon. Meer daarover staat in kind bang voor de bal.
Wanneer is een kind klaar voor de volgende stap?
Kijk naar het spel, niet naar de verjaardag. Een kind is toe aan meer volleybal als het een hoge bal boven het hoofd vangt terwijl het stilstaat, al naar de plek loopt voordat de bal valt, gericht naar een ander kind gooit en in een spel van één tegen één de bal een paar keer heen en weer krijgt. Dan zijn de spellen voor de volgende leeftijdsgroep aan de beurt, zoals volleybalspelletjes voor kinderen van 8 tot 11, en de opbouw van vangen naar direct spelen in minivolleybal oefeningen per niveau.
Een groep jonge kinderen bijhouden in Koach
Met een groep van zes jaar is het meeste werk niet de training, maar alles eromheen: wie er komt, hoeveel ballen je nodig hebt en welk spel vorige week werkte. In Koach zet je de les als plan klaar, met elk spel als onderdeel met een naam, de duur en de regels in de beschrijving. Werkte de les, dan haal je hem de volgende week terug met Plan kopiëren.
Ouders melden hun kind aan of af op hun eigen dashboard of in de agenda, dus je weet voor de les hoeveel kinderen er komen. In de zaal vink je de aanwezigheid af en leg je hem vast. Wat Koach na de 14 gratis dagen kost, staat op de prijzenpagina.
14 dagen gratis, zonder creditcard. Zet de les van zaterdag klaar en laat de ouders zelf hun kind aanmelden.
Probeer Koach met je groepVeelgestelde vragen
Hoe lang duurt een volleybaltraining voor kinderen van 6 jaar?
Als vuistregel 45 tot 60 minuten; een vaste norm is er niet. Langer heeft weinig zin: de aandacht zakt, en een kortere les waarin iedereen de hele tijd beweegt, levert meer op. Verdeel de les in korte blokken van vijf tot acht minuten, met een vaste start en een vaste afsluiting in de kring.
Welke bal gebruik je voor kinderen van 5 tot 7 jaar?
Een zachte, lichte bal, liefst één per kind. Een ballon is goed voor de eerste vangspellen, omdat hij langzaam valt. Een officiële wedstrijdbal is te zwaar voor deze leeftijd: hij doet pijn op handen en armen, en een kind dat pijn verwacht, duikt weg in plaats van naar de bal toe te gaan.
Moet een kind van 6 al bovenhands of onderarms leren spelen?
Niet als techniekoefening. De handvorm voor bovenhands spelen komt vanzelf terug in vangen boven het hoofd en een ballon hooghouden. Onderarms passen en bovenhands spelen train je pas echt als een kind de baan van de bal goed leest, meestal een paar jaar later.
Wat doe je met een kind dat niet mee wil doen?
Niet dwingen en niet negeren. Geef het een rol bij het spel, zoals ballen aangeven of tellen, en nodig het bij het volgende spel opnieuw uit. Begint een kind steeds pas na een paar minuten, laat het dan naast een vriendje beginnen. Blijft het lastig, bespreek het rustig met de ouders.
Zet de les van zaterdag klaar
14 dagen gratis, zonder creditcard. Volgende week kopieer je hem met één tik.
Start met KoachOf lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.


