Volleybal oefeningen voor de spelverdeler: zo train je de positie, niet alleen het setten
Je draait al twintig trainingen oefeningen voor de spelverdeler, en na elke verloren set hoor je het weer: de spelverdeler is de zwakke schakel. Of je hebt helemaal geen echte setter, en iemand met redelijke handen doet het maar. In het volleybal is settechniek één onderdeel van de positie; de keuzes die de spelverdeler maakt, de hoeveelheid ballen die hij verwerkt en de reserve voor de avond dat hij er niet is, traint bijna niemand. Dit stuk gaat over die rest.
Volleybal oefeningen voor de spelverdeler: waarom settechniek alleen niet genoeg is
De meeste setoefeningen gaan over één ding: een bal die van een trainer of een passer komt, zo netjes mogelijk terugspelen naar een vaste plek. Dat is nodig, en het is ook precies het deel van de positie dat het makkelijkst te oefenen is. Handen, contact en uitduwen, en de basisoefeningen in de volgorde waarin je ze aanbiedt, staan in setoefeningen voor beginners.
Maar een spelverdeler die in de training elke bal netjes zet, kan in de wedstrijd nog steeds de zwakke schakel zijn. Niet omdat zijn handen slecht zijn, maar omdat de positie uit meer bestaat:
- Techniek — het contact met de bal. Zie bovenhands setten.
- Timing en plaats — samenwerken met de aanvaller en op tijd onder de bal staan. Zie timing tussen spelverdeler en aanvaller en de spelverdeler positioneren.
- De setkeuze — welke aanvaller de bal krijgt, en wanneer.
- De werklast — de spelverdeler raakt meer ballen dan wie dan ook.
- De reserve — wie het overneemt als hij er niet is.
De eerste twee hebben hun eigen pagina's. De laatste drie staan hieronder, samen met wat je in elke training structureel voor hem regelt. Twijfel je nog wíé je spelverdeler moet zijn, begin dan bij de rol van de spelverdeler; dit stuk gaat ervan uit dat je die keuze hebt gemaakt.
Wat een spelverdeler per training extra krijgt
In een gewone training draait de spelverdeler mee in de groepsoefeningen, en daar gebeurt iets geks: hij zet de hele avond, maar bijna altijd uit een goede bal, op een vaste plek, naar een aanvaller die klaarstaat. Hij krijgt veel contacten en weinig verschillende.
Geef hem daarom een vast eigen blok, elke training op hetzelfde moment. Het beste moment is vroeg, terwijl de rest nog iets algemeens doet en hij nog fris is; aan het eind van een training is zijn techniek al vermoeid en leert hij vooral slordig zetten. In dat blok zitten drie dingen die in groepsoefeningen ontbreken:
- Vertrekken vanuit verschillende plekken. De bal komt niet naar hem toe, hij moet ernaartoe — vanuit het achterveld, vanuit een blok, vanuit een verdedigde bal.
- Ballen die niet goed zijn. Te laag, te ver van het net, achter hem. Hoe hij daar een aanvalbare bal van maakt, staat in setten uit een slechte pass.
- Eén keuze. In elke herhaling moet hij iets beslissen, al is het maar tussen twee aanvallers. Daarover gaat het volgende deel.
Heb je geen assistent, laat de groep dan in stations werken en zet de spelverdeler op het station waar ballen van verschillende kanten komen. In de oefeningen voor volleybalcoaches staan vormen die hier direct in passen, zoals "Set-up carrousel spelverdelers", "Volg je set" en "Bal-Setter-Bal-Hitter". Een aparte categorie voor setten is er niet: deze vormen staan onder Aanval.
Het belangrijkste aan dit blok is dat het er elke training is. Een setterblok dat alleen verschijnt als er tijd over is, verschijnt nooit.
De setkeuze trainen: welke aanvaller, en wanneer
Een spelverdeler die altijd dezelfde aanvaller zoekt, is voor een blok aan de overkant na een paar rally's te lezen. Een spelverdeler die zonder reden wisselt, zet zijn aanvallers ballen voor die ze op dat moment niet kunnen afmaken. De setkeuze zit tussen die twee in, en hij hangt af van een paar dingen die je hem expliciet kunt leren wegen:
- De kwaliteit van de pass. Uit een goede pass heeft hij alle opties; uit een matige pass minder; uit een slechte pass meestal nog maar één. Wat je team in dat laatste geval afspreekt, staat in out of system spelen.
- Waar het blok staat. De aanvaller met één blokkeerder tegenover zich is doorgaans een betere keuze dan die met twee. Het blok aan de overkant probeert hem op zijn beurt te lezen; waar blokkeerders op letten, staat in de spelverdeler lezen.
- Wie het vandaag kan afmaken. De aanvaller die de laatste ballen wegsloeg, is geen automatische keuze, maar wel een argument.
- De stand. Bij een belangrijk punt kiest hij de bal die het vaakst iets oplevert, niet de mooiste.
Train het in oefeningen waarin hij pas op het laatste moment de informatie krijgt. Een eenvoudige vorm: jij staat aan de overkant en laat, op het moment dat de pass onderweg is, met een hand zien waar het blok staat. De spelverdeler moet de andere kant kiezen. Een tweede vorm is de keuze tussen zetten en zelf afmaken: de aanval over de tweede bal. Hoe die dump werkt, staat in de setterdump, en de beslisvorm ervan vind je in de oefeningenbibliotheek als "Setter-dump beslisoefening". Welke afspraken er tussen spelverdeler en aanvallers over de set-up gelden, staat in de tekens van de spelverdeler.
Beperk het in deze oefeningen tot die ene keuze. Beslissen in het algemeen — spelvormen met een beperking, vragen stellen in plaats van voorzeggen — is een apart vak dat voor je hele team geldt; dat staat in spelinzicht trainen.
Of hij in de wedstrijd goed kiest, zie je niet aan één set. Wel aan de verdeling over een seizoen. In Koach telt elk aanvalspunt dat valt terwijl een speler de spelverdeler is, als assist voor hem, en op zijn profiel staat de spelverdeling: de aanvalspunten van het seizoen per aanvaller. Scoort één aanvaller bijna alles, dan weet je nog niet of hij de beste is of de enige die de bal krijgt — maar je hebt wel de vraag voor het volgende gesprek. Houd er rekening mee dat het punten zijn en geen pogingen: een set die niet werd afgemaakt, staat er niet in.
Werklast: de spelverdeler raakt de meeste ballen
In een 5-1 speelt de spelverdeler de tweede bal in bijna elke aanval van je team. In de rotaties waarin hij achterin staat, loopt hij daar bovendien voor elke rally van achteren naar het net. En op de training zet hij in elke oefening met een aanval erin, terwijl de aanvallers om de beurt slaan. Geen andere speler verwerkt zoveel ballen, en bij geen andere speler valt het zo weinig op.
De signalen dat het te veel wordt, zie je eerder aan de bal dan aan de speler: sets die in de loop van de avond korter of lager worden, voeten die later onder de bal komen, een spelverdeler die steeds vaker met één hand redt wat hij eerst met twee speelde. Klaagt hij over pijn aan vingers, pols of schouder die na een paar dagen niet weg is, laat het dan beoordelen door een arts of fysiotherapeut in plaats van hem door te laten zetten.
Drie dingen helpen zonder dat hij minder leert:
- Laat hem niet in elke groepsoefening setten. Zet in een deel ervan je tweede spelverdeler neer, of de trainer. Zo krijgt hij ook pass- en verdedigingsballen, en die heeft hij in de wedstrijd net zo hard nodig.
- Leg zijn eigen blok vroeg in de training. Dan leert hij met frisse handen en gaat hij niet al vermoeid de spelvorm in.
- Plan de week, niet alleen de training. Valt je laatste training kort voor een wedstrijd, houd het setterblok die avond dan kort en technisch.
Een spelverdeler die niet moe lijkt, kan wel moe zijn. Hij loopt niet leeg zoals een aanvaller na een serie sprongen, maar hij zet wel elke bal. Kijk naar de hoogte en de plaats van zijn sets aan het eind van de avond, niet naar zijn gezicht.
Een tweede spelverdeler opleiden
Elke coach weet dat de spelverdeler een keer ziek is, geblesseerd raakt of op vakantie gaat. Toch wordt de reserve vaak pas op de avond zelf aangewezen, en dan is het degene met de minst slechte handen. Die speler heeft nooit een keuze hoeven maken en kent de afspraken met de aanvallers niet, en dat merk je binnen een paar rally's.
Wijs de tweede spelverdeler aan vóórdat je hem nodig hebt, en leg het vast. Wie daarvoor geschikt is, heeft niet per se de tweede beste handen: iemand die het veld overziet en rustig blijft onder druk, is vaak een betere kandidaat dan de speler met de mooiste bovenhandse bal.
Het opleiden zelf is eenvoudiger dan het klinkt, omdat je de structuur al hebt. Laat hem geregeld meedoen in het setterblok van je vaste spelverdeler, en zet hem in een deel van de groepsoefeningen neer — dezelfde oefeningen waarin je je eerste spelverdeler ontlast. Geef hem een eigen doel dat bij zijn niveau past, bijvoorbeeld eerst alleen hoog en in het midden zetten, en pas later de keuze tussen twee aanvallers. Wat hij thuis aan balgevoel kan doen, kun je hem als huiswerk meegeven.
Speel je een systeem met twee spelverdelers, dan train je de tweede sowieso al. De vraag is dan vooral wanneer een van de twee de positie alleen gaat dragen; dat staat in de overstap van 4-2 naar 5-1.
Als je spelverdeler zich afmeldt: wat je die avond traint
Dit gaat over de training van die avond, niet over de opstelling van de volgende wedstrijd. Hoe je een opstelling voor zo'n situatie klaarzet en opslaat, staat in een opstelling opslaan en hergebruiken.
De reflex is om de avond om te gooien naar iets zonder set-up. Dat is zonde: dit is juist de avond om te trainen wat anders nooit aan bod komt. Drie mogelijkheden, afhankelijk van wie er wel is:
- De avond van de reservesetter. Heb je een tweede spelverdeler aangewezen, dan krijgt hij vanavond het blok en alle groepsoefeningen. Dat is de beste voorbereiding die hij kan krijgen: een hele avond de positie, zonder dat er een wedstrijd van afhangt.
- De tweede bal voor iedereen. Speel spelvormen waarin de speler die het dichtst bij de tweede bal staat hem zet. Dat is wat er in een wedstrijd na een slechte pass toch al gebeurt. Wie in een kleinere spelvorm de tweede bal neemt, staat beschreven bij de 4 tegen 4 opstelling.
- Aanvallen op een aangegeven bal. Wil je de aanval wel laten doorgaan, zet dan zelf de ballen of laat iemand met goede handen dat doen. Hoe je dat opzet, staat bij de smashoefeningen.
Wat die avond niet werkt, is een willekeurige speler de hele training laten setten zonder doel: hij leert er weinig van, en de aanvallers krijgen alleen slechte ballen.
Wil je dit plan niet elke keer opnieuw hoeven te onthouden: in Koach zet je het setterblok in een trainingssjabloon en maak je daarmee een reeks herhalende trainingen, zodat het in elke training terugkomt, en leg je met een tweede positie per speler vast wie je reservesetter is. Dan is de avond dat je spelverdeler zich afmeldt geen verrassing meer.
Veelgestelde vragen
Hoe train ik een spelverdeler als ik zelf nooit setter was?
Door je te richten op wat je wél kunt zien: waar de bal naartoe gaat, hoe hoog hij is en of de aanvaller er iets mee kan. De techniek kun je uit een goede beschrijving halen; de setkeuze en de werklast vragen geen eigen setterverleden, maar wel dat je er in elke training tijd voor maakt. Laat je spelverdeler na een oefening zelf vertellen waarom hij een bal zo speelde — dan leer je allebei.
Hoeveel extra aandacht krijgt de spelverdeler per training?
Een vast eigen blok vroeg in de training, elke keer, plus de keuze om hem niet in elke groepsoefening te laten setten. Hoe lang dat blok is, hangt af van hoe lang je traint en hoeveel spelverdelers je hebt; belangrijker dan de lengte is dat het er altijd is. Een blok dat alleen verschijnt als er tijd over is, verschijnt nooit.
Wanneer leid ik een tweede spelverdeler op, en wie kies ik?
Nu, en niet op de avond dat je hem nodig hebt. Kies iemand die het veld overziet en rustig blijft onder druk, ook als zijn handen nog niet de beste zijn; aan de techniek kun je werken, en daar is het setterblok voor. Leg de keuze vast, laat hem geregeld meedoen in het setterblok en zet hem in een deel van de groepsoefeningen neer.
Wat train ik als mijn spelverdeler zich heeft afgemeld?
Gebruik de avond, in plaats van er alleen doorheen te komen. Heb je een reservesetter, dan krijgt hij de hele training de positie. Heb je die niet, speel dan spelvormen waarin de dichtstbijzijnde speler de tweede bal zet: dat traint precies wat er in de wedstrijd na een slechte pass gebeurt. Laat alleen niet een willekeurige speler de hele avond setten zonder doel.
Hoe zie ik of mijn spelverdeler goede keuzes maakt?
Niet aan één set, wel aan patronen. Kijk over meerdere wedstrijden hoe de aanvalspunten over je aanvallers verdeeld zijn, en vraag je bij een scheve verdeling af of dat een keuze is of een gewoonte. Kijk in de wedstrijd daarnaast naar de ballen na een matige pass: kiest hij dan de aanvaller die er iets mee kan, of de aanvaller die hij altijd kiest?
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met KoachOf lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.


