Voorbereidende spelvormen voor volleybal: van gooien naar spelen
Het korte antwoord
Voorbereidende spelvormen zijn vereenvoudigde vormen van volleybal waarin je de lastigste techniek tijdelijk vervangt, meestal door vangen en gooien. Je begint met werpvolleybal in kleine ploegen en haalt per stap één regel weg, tot spelers drie keer spelen zonder te vangen.
Voorbereidende spelvormen voor volleybal laten beginners meteen het spel spelen, ook als de bal na een onderarmse pass nog alle kanten op gaat. Dit artikel is voor trainers en docenten met spelers van 11 tot 16 jaar: een reeks van zes stappen van gooien en vangen naar echt volleybal, met per stap de regels en het moment om door te schuiven.
Wat maakt een spelvorm voorbereidend?
Een beginner die eerst de pass moet beheersen voordat hij mag spelen, staat weken in de rij en ziet nooit een rally. Een voorbereidende spelvorm draait dat om. De structuur van het spel blijft: een net, een eigen helft, drie contacten, een punt als de bal de grond raakt. Alleen de techniek die nog niet lukt, vervang je tijdelijk door iets wat wel lukt, meestal vangen en gooien. Zo leren spelers vanaf de eerste les wat volleybal van ze vraagt: onder de bal komen, kiezen naar wie je speelt, het veld van de ander lezen.
Het idee komt uit Teaching Games for Understanding van Bunker en Thorpe (1982): je past het spel aan de speler aan, niet de speler aan het spel. In Duitsland en Zwitserland kennen veel scholen de werpvorm als Ball über die Schnur, in de Verenigde Staten als Newcomb. Voor kinderen van 8 tot 11 jaar staan losse spellen in volleybalspelletjes voor kinderen, en de opbouw voor de jongsten in minivolleybal oefeningen per niveau. Dit artikel is voor de leeftijd daarna: 11 tot 16 jaar, sterker en sneller, maar met dezelfde knelpunten in de pass, en met weinig geduld voor iets wat als kinderspel voelt.
De reeks in zes stappen
Speel elke stap drie tegen drie op een smal veld, bijvoorbeeld een badmintonveld met een net of lint, tenzij er iets anders staat. Hang het net of lint bij de werpvormen minstens op reikhoogte, zodat de bal in een boog over moet; zodra er gespeeld wordt, gaat het naar de hoogte die bij de leeftijd hoort. Wissel de ploegen om de vijf minuten van veld, zodat iedereen tegen iedereen speelt.
Stap 1. Werpvolleybal
Regels: elke bal wordt gevangen. Met de bal in je handen mag je niet lopen en je gooit binnen drie seconden. Elke ploeg vangt en gooit drie keer, door drie verschillende spelers; de derde worp gaat over het net. De service is een worp van achter de achterlijn. Een punt is een bal die in het veld van de ander de grond raakt. Leerdoel: positie kiezen onder de bal, roepen, de opbouw in drie keer.
Stap 2. Vangen boven het hoofd, gooien als een set
Regels: vangen mag alleen met twee handen boven het voorhoofd, en je laat de bal los met dezelfde strekking van armen en benen als bij bovenhands spelen. De derde bal gooi je eenhandig over het net, met de armzwaai van een smash. Leerdoel: de vorm van de set en van de aanvalsarm, zonder dat een mislukt contact de rally beëindigt.
Stap 3. Eén vangbal per ploeg
Regels: per keer dat de bal aan jouw kant is, mag de ploeg nog één keer vangen. De andere contacten worden gespeeld, bovenhands of onderarms. De ploeg kiest zelf welk contact de vangbal wordt. Leerdoel: spelen waar het kan, vangen waar het moet. Kijk waar ze vangen: bijna altijd is dat de eerste bal, en dan weet je waar je techniekblok over gaat.
Stap 4. De eerste bal mag stuiten
Regels: niemand vangt meer. De eerste bal van elke ploeg mag één keer stuiten voordat hij gespeeld wordt; set en derde bal worden direct gespeeld. De service is onderhands, van een lijn een paar meter binnen het veld. Leerdoel: tijd winnen om onder de bal te komen en het platform stil te houden. Haal de stuit eerst weg bij een vrije bal en daarna bij de service.
Stap 5. Drie tegen drie, alles gespeeld
Regels: geen vangen, geen stuit. Elke ploeg speelt drie keer; een bal die met één of twee contacten over gaat, levert de ander een punt op. De service blijft onderhands, de afstand groeit naar de achterlijn. Leerdoel: de drie contacten onder druk, en de eerste aanval: van bovenaf over het net in plaats van een veilige boog.
Stap 6. Vier tegen vier met rotatie, dan zes tegen zes
Regels: vier tegen vier op een groter veld, met een vaste serveervolgorde; een ploeg draait door zodra ze de service terugwint. Daarna naar zes tegen zes op het volle veld. Leerdoel: posities, rotatie en samen een veld verdedigen. Wat er in die overgang naar het grote veld verandert, staat in volleybal oefeningen voor de jeugd van 12 tot 14.
| Stap | Wat nog mag | Door naar de volgende stap als |
|---|---|---|
| 1. Werpvolleybal | Alles vangen en gooien | Elke ploeg haalt bijna altijd drie worpen |
| 2. Vangen boven het hoofd | Vangen, maar in setvorm | De worp lijkt op een set |
| 3. Eén vangbal | Eén vangbal per kant | De bal gaat in de meeste rally's twee keer over |
| 4. Stuit | Eerste bal mag stuiten | De pass komt meestal bij een teamgenoot |
| 5. Alles spelen | Onderhandse service van dichterbij | De meeste ballen gaan in drie keer over |
| 6. Rotatie | Kleiner veld, minder spelers | Klaar voor zes tegen zes |
Zo schuif je door zonder dat het spel stilvalt
- Eén regel tegelijk. Haal je twee hulpmiddelen tegelijk weg, dan valt de rally terug naar één contact en weet je niet welke regel het deed.
- Niet iedereen hoeft op dezelfde stap. Laat op één veld een sterke ploeg zonder vangbal spelen tegen een ploeg die er nog één heeft. Het spel blijft hetzelfde, alleen de eisen verschillen.
- Terug mag. Valt een stap na tien minuten stil, ga dan terug en bouw de oude regel half af: vangen alleen bij een bal achter de achterlijn, bijvoorbeeld.
- Houd de ploegen klein. Met drie per kant raakt iedereen de bal vaak; met zes per kant staan de minst zekere spelers achterin te wachten.
- Een stap duurt weken, geen minuten. Reken bij beginners op twee tot vier trainingen per stap, met elke keer een techniekblok over het contact dat in de spelvorm nog gevangen wordt.
Waar de spelvorm in je hele training past, tussen warming-up, techniekblok en partij, staat in volleybaltraining geven. Geef je gymles, dan loop je dezelfde reeks over meerdere lessen door; hoe je één les voor een hele klas op één veld indeelt, staat in volleybal in de gymles.
Geef elke stap een vaste naam. Werpvolley, één vangbal, stuitbal, vrij spel. Na twee weken zeg je bij de start alleen de naam en staat iedereen binnen een minuut te spelen. Spelers weten dan ook zelf welke stap de volgende is, en vragen erom.
Fouten die de reeks laten vastlopen
- Te lang vangen. Vangen is een steunwiel. Blijft het er weken in zonder dat je techniek traint, dan leren spelers vooral goed vangen.
- Te vroeg zes tegen zes. Op een groot veld met beginners komt de bal één keer over en ligt hij daarna op de grond. Kleinere vormen leveren meer rally's op.
- Een harde bal en een laag net. Dan wordt de derde bal een schot in plaats van een opbouw, en haken de voorzichtige spelers af.
- Afvalspellen. Wie eruit ligt, leert niets. Laat ploegen wisselen van veld in plaats van uitvallen.
De reeks in je trainingsplan zetten
Een reeks van zes stappen over een paar maanden wil je terugvinden. In Koach zet je de spelvorm als onderdeel in het plan van een training: met + Onderdeel geef je hem een naam, zoals de naam van de stap, een duur en een beschrijving met de regels. Bij de volgende training haal je het plan terug met Plan kopiëren en pas je alleen de regel aan die eraf gaat. Oefeningen voor het techniekblok ernaast vind je in de volleybaloefeningen.
Vanaf stap 5 kun je de spelvorm ook als trainingswedstrijd bijhouden. Je voegt de oefening Trainingswedstrijd met + Oefening aan het plan toe, zet spelers in ploeg A of B, ook met minder dan zes per ploeg, en zet Rotatie uit voor vrije vormen. Per rally tik je welke ploeg het punt wint en, als je wilt, wie scoorde of wie de fout maakte. Na afloop staan per speler de punten en fouten bij Trainingswedstrijden. Zo zie je over een paar weken of de fouten op de eerste bal minder worden. Wat Koach na de 14 gratis dagen kost, staat op de prijzenpagina.
14 dagen gratis, zonder creditcard. Zet stap 1 van de reeks in je volgende training en kopieer hem volgende week met één regel minder.
Plan je training in KoachVeelgestelde vragen
Is vangen bij volleybal niet slecht voor de techniek?
Niet als het tijdelijk is en je de vangbal stap voor stap afbouwt. Vangen houdt de rally in leven, zodat spelers leren waar ze moeten staan en naar wie ze spelen. De techniek zelf train je ernaast in een kort blok. Blijft vangen weken in de spelvorm zonder dat je het contact traint, dan leren spelers vooral vangen.
Hoeveel spelers per veld bij voorbereidende spelvormen?
Twee of drie per kant werkt het best voor beginners: iedereen raakt de bal vaak en niemand kan zich verstoppen. Pas als de bal in de meeste rally's in drie keer over gaat, schuif je door naar vier tegen vier met rotatie en daarna naar zes tegen zes.
Welke bal gebruik je voor voorbereidende spelvormen?
Een lichte, zachte bal, zeker zodra er onderarms gespeeld wordt. Een harde wedstrijdbal doet beginners pijn aan de onderarmen en maakt ze voorzichtig. Bij de werpvormen kan elke bal die goed te vangen is; schuif naar een gewone volleybal als de pass meestal bij een teamgenoot komt.
Werken voorbereidende spelvormen ook bij volwassen beginners?
Ja, de reeks is dezelfde, alleen gaat het doorschuiven vaak sneller omdat volwassenen de regels meteen snappen. Noem het geen spelletje maar een spelvorm met een doel, en laat de stap met de stuit eerder vallen. Oefeningen voor die groep staan in volleybaloefeningen voor volwassen beginners.
Zet je spelvormen vanavond in je plan
14 dagen gratis, zonder creditcard. Na een maand zie je per stap wie de bal speelt.
Start met KoachOf lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.


