Volleybal gymles: een les voor een hele klas op één veld
Het korte antwoord
Een goede volleybal gymles laat dertig leerlingen tegelijk spelen in plaats van wachten: kleine veldjes naast elkaar, drie tegen drie, een lichte bal en eenvoudige regels zoals vangen mag. Begin met gooien en vangen over het net en bouw in vier lessen op naar bovenhands, onderarms en een klein toernooi.
Volleybal in de gymles is iets anders dan een training bij de club: dertig leerlingen, de helft speelde nooit een bal over een net, één veld en vijftig minuten inclusief omkleden. Dit lesplan is daarop gebouwd, met de indeling van de zaal, spelregels die werken en een reeks van vier lessen.
Wat een gymles anders maakt dan een training
Bij de club train je twaalf spelers die voor volleybal kozen. In de gymles staan dertig leerlingen van ongeveer 10 tot 15 jaar: een paar clubspelers, een grote groep die het nooit deed en een paar die de bal liever ontwijken. De les duurt 45 of 50 minuten, maar na omkleden en opruimen blijft er vaak 35 tot 40 minuten over. Er is één volleybalveld, soms een tweede net, en soms helemaal geen net.
Daaruit volgen drie regels voor elke les. Iedereen speelt tegelijk, want in een wachtrij leert niemand iets. De bal moet vaak over het net, dus het spel is klein en de regels zijn soepel. En wie de bal eng vindt, krijgt een bal die geen pijn doet. Hoe je volleybal per leeftijd opbouwt, staat in jeugdvolleybal trainen per leeftijd; dit artikel gaat over de les op school.
Eén veld voor dertig leerlingen: zo deel je de zaal in
- Het volleybalveld in de lengte splitsen. Leg een rij pionnen of een lint over het midden van het veld, van achterlijn tot achterlijn. Zo heb je onder hetzelfde net twee smalle veldjes van 4,5 meter breed, elk voor drie tegen drie.
- Veldjes met een elastiek. Span in de rest van de zaal een elastiek tussen twee palen, een wandrek en een paal, of twee hoogspringstandaards. Een hoogte van ongeveer 2 meter voor leerlingen van 12 tot 14 jaar werkt in de praktijk goed, en voor jongere leerlingen hang je hem lager; een officiële schoolhoogte bestaat niet. De lijnen van een badmintonveld, ongeveer 13 bij 6 meter, zijn een kant-en-klaar veldje. Gebruik elastiek en geen touw: elastiek geeft mee als iemand ertegenaan loopt.
- Zonder net. Twee lijnen op 2 meter van elkaar vormen een niemandsland. De bal moet er in een boog overheen, hoger dan de handen van de leerlingen aan de overkant. Het werkt minder goed dan een elastiek, maar het spel blijft hetzelfde.
Een rekenvoorbeeld: met vier veldjes spelen acht drietallen tegelijk, dat zijn 24 leerlingen. De twee overige drietallen staan bij een station aan de muur, bovenhands of onderarms tegen de muur spelen, en wisselen na elke ronde met de verliezers van het laagste veldje. Meer indelingen voor grote groepen staan in oefeningen voor een grote groep.
Het lesplan: vijftig minuten voor een hele klas
| Minuut | Onderdeel | Wat de leerlingen doen |
|---|---|---|
| 0 tot 5 | Binnenkomst | Drietallen staan al op het bord; elk drietal pakt een bal en gaat naar zijn veldje |
| 5 tot 12 | Warming-up met bal | Tikspel waarin je veilig bent met de bal in je handen; doorgeven met een worp boven het hoofd |
| 12 tot 22 | Techniek in drietallen | Gooien en vangen boven het voorhoofd, dan zelf opgooien en bovenhands terugspelen |
| 22 tot 42 | Spel drie tegen drie | Rondes van vijf minuten; winnaars schuiven een veldje op, verliezers een veldje terug |
| 42 tot 47 | Afsluiten | Eén vraag aan de groep, één drietal laat zien wat goed ging |
| 47 tot 50 | Opruimen | Elk drietal heeft een vaste taak: palen, elastiek of ballen |
Het techniekblok is kort, en dat is bewust. Leerlingen leren het meest in het spel, als het spel klein genoeg is dat ze de bal vaak raken. Drie tegen drie geeft elke leerling veel meer balcontacten dan zes tegen zes op een groot veld. Zie je in het spel dat het ergens misgaat, bijvoorbeeld dat niemand de bal hoog speelt, stop dan één minuut, laat het zien en speel verder. Heb je na het omkleden maar 40 minuten, kort dan de warming-up in tot twee minuten en het techniekblok tot vijf, en laat het spel staan.
Spelregels die werken in de gymles
Begin met vangvolley: drie tegen drie, de bal gaat in drie contacten over het net, en elk contact mag gevangen en weer gegooid worden. De service is een onderhandse worp of slag van een paar meter achter de achterlijn. Wint een drietal de service terug, dan draait het door, zodat iedereen serveert. Elke rally is een punt; een ronde duurt vijf minuten of tot 11 punten.
Daarna draai je aan de knoppen:
- Makkelijker: vangen mag bij elk contact, de bal mag één keer stuiten, een lichte of zachte bal, serveren met een worp of van dichterbij, het elastiek lager.
- Moeilijker: vangen alleen bij de eerste bal, drie contacten verplicht, de laatste bal wordt gespeeld en niet gegooid, serveren van achter de achterlijn, een groter veld.
Nog beter: geef per veldje andere regels. Op het hoogste veldje wordt echt gespeeld, op het laagste mag alles gevangen worden. Door het doorschuiven komt elke leerling na een paar rondes vanzelf op een veldje dat bij hem past, zonder dat jij hoeft in te delen op niveau. De methodische lijn van gooien en vangen naar echt spelen staat uitgewerkt in voorbereidende spelvormen voor volleybal.
Deel de drietallen in vóór de les. Zet ze op het bord of op een lijst bij de deur, gemengd in niveau. Wie binnenkomt, pakt een bal en gaat naar zijn veldje. Zo win je de eerste vijf minuten, die anders opgaan aan kiezen en wachten.
Bang voor de bal, of al clubspeler
In elke klas zitten beide. Voor leerlingen die de bal eng vinden: geef ze een zachte of lichte bal, laat ze altijd mogen vangen en zet ze in een drietal met klasgenoten die rustig spelen. Een harde bal op de onderarmen in de eerste les kan genoeg zijn om de bal daarna te ontwijken. Meer over die aanpak staat in kind bang voor de bal.
Clubspelers vervelen zich snel in vangvolley. Geef ze een eigen opdracht in hetzelfde spel: zij mogen nooit vangen, zij spelen de tweede bal altijd bovenhands naar een teamgenoot, of zij serveren van achter de achterlijn. Zo blijven ze in hun drietal en tillen ze het spel op in plaats van het alleen te winnen.
Een reeks van vier lessen
- Les 1: vangvolley. Gooien en vangen over het net, drie contacten, alles mag gevangen worden. Doel: begrijpen waar het spel om draait. In drie keer over het net, en de bal valt niet aan jouw kant.
- Les 2: bovenhands. Techniek: vangen boven het voorhoofd en de bal direct terugduwen, steeds korter vasthouden. Spel: het tweede contact wordt bovenhands gespeeld, de andere mogen gevangen worden.
- Les 3: onderarms en service. Techniek: onderarms spelen na een aangooi van een klasgenoot, en onderhands serveren van een paar meter achter het veldje. Spel: de service wordt geslagen, de eerste bal mag nog gevangen worden.
- Les 4: toernooi. Drie tegen drie of vier tegen vier met het doorschuifsysteem en per veldje eigen regels. Leerlingen tellen zelf en houden de stand bij.
Wil je zo'n reeks uitbreiden, of geef je ook les aan een groep beginners buiten school, lees dan volleybal lesgeven aan beginners.
Je lessen bewaren in Koach
Koach is een app voor teams en clubs, niet voor scholen: er zijn geen klassenlijsten of cijfers voor leerlingen. Ben je naast docent ook jeugdtrainer bij een club, dan bouw je een les of training op dezelfde manier op als hierboven. Bij een training maak je met + Onderdeel een eigen blok met naam en duur, zoals "Vangvolley 3 tegen 3, 20 minuten", en met + Oefening kies je een oefening uit de bibliotheek. Een plan dat werkte, haal je later terug met Plan kopiëren.
De oefeningen uit die bibliotheek, elk met een animatie per fase, kun je ook zonder account bekijken bij de volleybaloefeningen op onze site. Wat Koach na de 14 gratis dagen kost, staat op de prijzenpagina.
14 dagen gratis, zonder creditcard. Zet je eerstvolgende jeugdtraining als plan klaar en kijk of het je voorbereiding scheelt.
Probeer Koach met je teamVeelgestelde vragen
Hoe geef je volleybal zonder net?
Span een elastiek tussen twee palen, een wandrek en een paal of twee hoogspringstandaards. In de praktijk werkt ongeveer 2 meter goed voor leerlingen van 12 tot 14 jaar, en lager voor jongere. Heb je dat niet, maak dan met twee lijnen op 2 meter van elkaar een niemandsland waar de bal in een boog overheen moet, hoger dan de handen van de leerlingen aan de overkant.
Hoeveel leerlingen zet je op een veldje?
Drie tegen drie werkt goed: elke leerling raakt de bal vaak, en het veldje kan klein blijven. Vier tegen vier kan op een iets groter veld. Zes tegen zes op een volledig veld geeft beginners te weinig balcontacten, en de bal valt dan vooral tussen leerlingen die naar elkaar kijken.
Welke bal gebruik je in de gymles?
Een lichte of zachte bal, zeker voor beginners en leerlingen die de bal eng vinden. Een wedstrijdbal is voor de meeste leerlingen te zwaar en te hard: het doet pijn op de onderarmen en het levert weinig rally's op. Heb je clubspelers in de klas, dan kunnen zij op het hoogste veldje met een zwaardere bal spelen.
Wat doe je met grote niveauverschillen in de klas?
Geef elk veldje eigen regels en laat winnaars een veldje opschuiven en verliezers een veldje terug. Op het hoogste veld wordt echt gespeeld, op het laagste mag alles gevangen worden. Clubspelers krijgen binnen hun drietal een eigen opdracht, zoals nooit vangen of de tweede bal altijd bovenhands spelen.
Bewaar je beste les als plan
14 dagen gratis, zonder creditcard. Volgende keer kopieer je hem met één tik.
Start met KoachOf lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.


