Volleybaloefeningen · Serveren
Zoneserveren op doelen
Zes matten liggen op de zes posities, en de vanger gaat steeds op de mat staan die aan de beurt is. Daarmee mikt de serveerder op een levend doel in plaats van op een vlek op de vloer. Je serveert niet 'zo hard mogelijk in', je serveert op een adres.
Fase 1 van 7Zes zones uitgelegd met matten; serveerder klaar met twee ballen, vanger in zone 5
Deze animatie komt uit de Koach-app. Daar speel je hem af op eigen snelheid en geef je de spelers je échte spelersnamen.
Openen in de appZo verloopt de oefening
Waar train je op
Zes zones gemarkeerd met matten; gericht serveren, rake ballen tellen en zones aflopen.
- Richten op een vak van twee bij twee meter in plaats van op 'ergens in het veld'.
- Het verschil voelen tussen een diepe zone (1, 6, 5) en een korte zone (2, 3, 4) — dat zit in de opgooi, niet in kracht.
- Eerst kiezen, dan pas slaan: de zone benoemen voordat de bal de hand verlaat.
Coachpunten
Noem hardop welke zone je neemt voordat je opgooit.
Een service die toevallig goed valt leert niets. Pas als de speler zich vooraf vastlegt, weet hij achteraf of hij zijn eigen bal geraakt heeft.
Voor een korte zone gooi je lager op, niet zachter.
Zachter slaan kost snelheid en de bal blijft lang in de lucht — dan is hij makkelijk te lezen. Een lagere opgooi en een vlakkere baan houden de bal snel én kort.
Zet je voeten in de richting van je doel.
Bijna elke serveerder mikt met zijn arm en corrigeert met zijn pols. De heup en de voorste voet bepalen de richting; de arm volgt alleen maar.
Doe de diepe zones eerst en de korte daarna.
Diep serveren vraagt om een volle armswing. Wie met korte ballen begint, houdt die korte swing de rest van de serie vast; andersom gaat het vanzelf goed.
Variaties
- Makkelijker
- Werk met drie matten in plaats van zes: alleen 1, 6 en 5. Serveerders die de afstand nog niet halen, beginnen op de 3-meterlijn.
- Moeilijker
- De trainer roept de zone pas als de bal al in de lucht hangt. De serveerder moet dan tijdens de opgooi nog van doel wisselen.
- Met acht spelers
- Twee serveerders per kant en vier vangers die elk twee matten bewaken. De serveerders wisselen na elke ronde van kant, zodat ze vanuit beide hoeken achter de lijn richten.
- Als wedstrijdje
- Elke mat is één punt, maar je scoort elke mat maar één keer. Wie het eerst alle zes de zones heeft geraakt is klaar; de rest serveert door.
Volleybaloefeningen
Verder lezen in de kennisbank: waar je op serveert en waarom · de lijnen en zones van het veld op een rij · servicedruk opbouwen per zone