Conditietest volleybal: vijf tests met testkaart | Koach
Start 14 dagen gratis
Kennisbank · Coachvak & fysiek

Conditietest volleybal: sprong, sprint en wendbaarheid meten

Het korte antwoord

Een conditietest voor volleybal meet wat de sport vraagt: hoe hoog je springt, hoe snel je over een paar meter versnelt, hoe wendbaar je bent en hoe goed je herstelt. Een praktische batterij is een sprongmeting tegen de muur, een sprint over 5 en 10 meter, de T-test, een medicijnbalworp en een pendelrun van 20 meter.

Een conditietest voor volleybal laat zien of je voorbereiding iets oplevert, maar alleen als je meet wat de sport vraagt en elke keer op dezelfde manier. Hier staat een testbatterij die in één training past, met per test de uitvoering, een testkaart, waar je normen vandaan haalt en wanneer je test.

Leestijd: 7 min

Wat moet een conditietest voor volleybal meten?

Een volleybalrally bestaat uit korte, explosieve acties met pauzes ertussen: springen, een paar meter versnellen, remmen en van richting veranderen. Een rondje hardlopen op tijd zegt daar weinig over. Meet daarom de vier dingen die in de zaal tellen: sprongkracht, versnelling over korte afstand, wendbaarheid en, als aanvulling, het herstelvermogen tussen inspanningen. Hoe je die eigenschappen traint, staat in conditietraining voor volleyballers.

De batterij hieronder is geen eigen uitvinding. Een Australisch onderzoek bij jeugdspelers op drie niveaus gebruikte dezelfde onderdelen: reikhoogte, sprong uit stand en met aanloop, een worp met de medicijnbal boven het hoofd, sprint over 5 en 10 meter, de T-test en een pendelrun (Gabbett en Georgieff, 2007). Wees wel eerlijk over wat een test zegt. In een vervolgonderzoek bij talentvolle jeugdspelers voorspelden de fysieke tests niet wie werd geselecteerd; de beoordeling van pass- en servicetechniek deed dat wel (Gabbett, Georgieff en Domrow, 2007). Een conditietest meet het lijf, niet de volleyballer.

De testbatterij: vijf tests in één training

TestWat het meetWat je nodig hebt
Reikhoogte, blokreik en aanvalsreikSprong uit stand en met aanloopMuur, meetlint, krijt
Sprint 5 en 10 meterVersnellingLint, stopwatch of telefoon
T-testWendbaarheid: voorwaarts, zijwaarts, achterwaartsVier pionnen, stopwatch
MedicijnbalworpExplosieve kracht boven het hoofdMedicijnbal, meetlint
Pendelrun 20 meterHerstelvermogen en uithouding20 meter vrije ruimte, het geluidsbestand

1. Reikhoogte en sprong tegen de muur

Meet eerst de staande reikhoogte, dan de blokreik (sprong uit stand met twee handen) en de aanvalsreik (sprong met volledige aanloop, één hand). Reik min staande reik is de sprong. Drie pogingen, de beste telt. De volledige uitvoering, en wat het verschil tussen de twee sprongen over je speler zegt, staat in hoger springen bij volleybal.

2. Sprint over 5 en 10 meter

Stilstaande start met de voorste voet achter de lijn, geen aanloop. Meet de tijd op 5 en op 10 meter. Drie pogingen met volledige rust ertussen, de beste telt. Met de hand klokken is minder nauwkeurig dan met lichtpoortjes; laat daarom altijd dezelfde persoon meten, of film van opzij met de slowmotionstand van een telefoon en tel achteraf de beelden.

3. De T-test

Zet vier pionnen in een T: A is de start, B staat 9,14 meter recht vooruit, C en D staan 4,57 meter links en rechts van B. De speler sprint van A naar B en tikt de pion aan, schuift zijwaarts naar C, dan naar D, terug naar B, en loopt achterwaarts naar A. Zijwaarts zonder de voeten te kruisen, achterwaarts zonder te draaien. Drie pogingen met minstens twee minuten rust, de snelste telt. Op een volleybalveld staan C en D dan net buiten de zijlijnen.

Wendbaarheid is meer dan rechtuit snelheid. Een onderzoek naar een kortere variant van de T-test vond maar een zwak verband met sprint en sprong, en wijst op coördinatie als eigen factor (Sassi en anderen, 2009). Is een speler snel over 10 meter maar traag in de T-test, dan zit zijn winst in voetenwerk en remmen, niet in harder lopen.

4. Medicijnbalworp boven het hoofd

De speler gooit een medicijnbal met twee handen boven het hoofd zo ver mogelijk naar voren, staand achter een lijn of zittend met de rug tegen de muur. Meet waar de bal voor het eerst landt. Kies één balgewicht en één houding en houd die het hele seizoen aan, anders vergelijk je appels met peren.

5. Pendelrun van 20 meter

De bekende piepjestest: heen en weer over 20 meter op het tempo van een geluidssignaal. Het tempo begint op 8,5 kilometer per uur en gaat elke minuut een halve kilometer per uur omhoog, tot de speler het niet meer bijhoudt (Léger en anderen, 1988). Noteer de laatste trap en pendel. Dit is een maximale test: doe hem als laatste van de avond of op een andere dag, en alleen met spelers die gezond en zonder klachten zijn.

Zo organiseer je de testavond

De volgorde gaat van fris naar zwaar: eerst de sprongen en de sprint, dan de T-test en de worp, en de pendelrun aan het eind. Met twaalf spelers en twee helpers kom je zo uit op zeventig minuten, plus de tijd om te wisselen:

  1. Warming-up (15 minuten), elke testavond dezelfde.
  2. Drie posten van 10 minuten in groepjes van vier: de muur, de sprintbaan en de T-test. Na elke post wisselen.
  3. Medicijnbalworp (10 minuten), twee spelers tegelijk.
  4. Pendelrun (15 minuten) met de hele groep, met een helper per zes spelers die telt wie de lijn op tijd haalt.

Houd de omstandigheden gelijk: dezelfde zaal, dezelfde schoenen, hetzelfde moment in de week en geen zware training de dag ervoor. Noteer op de testkaart hieronder bij elke speler ook een opmerking zoals "verkouden" of "net terug van een enkelblessure". Zonder die opmerking lees je over drie maanden een slechte uitslag verkeerd.

Een verschil telt pas als het groter is dan het verschil tussen de pogingen. Stel dat de drie sprongen van een speler op één avond 3 centimeter uit elkaar liggen. Dan is 2 centimeter hoger drie maanden later nog geen vooruitgang. Kijk alleen naar verschillen die groter zijn dan wat hij binnen één avond al varieert.

De testkaart: wat je per speler noteert

Gebruik voor elk testmoment dezelfde kaart, op papier of in een spreadsheet. Bovenaan de naam, de datum, de zaal, de schoenen en een opmerking over ziekte of klachten; per test deze regels:

TestNoteerPogingen
Staande reikhoogteCentimeters1
Blokreik en aanvalsreikCentimeters, de beste3 per sprong
Sprint 5 en 10 meterSeconden, de beste3
T-testSeconden, de snelste3
MedicijnbalworpMeters, de verste, met balgewicht3
Pendelrun 20 meterLaatste trap en pendel1

Normen: waarmee vergelijk je de uitslag?

Een tabel van internet zegt weinig, omdat leeftijd, geslacht, niveau en de precieze uitvoering de uitslag sterk bepalen. Vergelijk in deze volgorde:

Eén uitkomst van dezelfde Australische onderzoeksgroep is nuttig om te kennen: na acht weken trainen met vooral techniek en spelvormen werden talentvolle jeugdspelers sneller over 5 en 10 meter en wendbaarder, maar sprongkracht, werpkracht en aeroob vermogen veranderden niet (Gabbett en anderen, 2006). Wil je dat de sprong vooruitgaat, dan moet je hem ook gericht trainen.

Wanneer test je? De momenten in het seizoen

MomentWaaromWelke tests
Na de opbouw van de voorbereidingStartpunt van het seizoenAlle vijf
Halverwege het seizoenHoudt het onderhoud stand?Muur, sprint, T-test
Einde van het seizoenWat het jaar opleverdeAlle vijf

Test niet in de eerste week na de zomerstop: dan meet je de vakantie, niet je speler. Wacht tot na de eerste opbouwweken, zoals beschreven in de voorbereiding na de zomerstop. Sla een testmoment over in een week met twee wedstrijden. Ben je net begonnen als trainer, start dan met de muur en de sprint en voeg de rest het seizoen erna toe; wat je in je eerste seizoen verder op je bord krijgt, staat in beginnen als volleybalcoach.

Bij jeugdspelers in de groei kan een sprongresultaat een tijd stilstaan terwijl de reikhoogte stijgt. Dat is geen reden om harder te trainen. En een speler die terugkomt van een blessure test pas mee als zijn arts of fysiotherapeut hem heeft vrijgegeven. Krijgt iemand tijdens een test pijn op de borst, wordt hij duizelig of houden klachten na de test aan, stop dan en laat het beoordelen door een huisarts, sportarts of fysiotherapeut.

Testuitslagen vastleggen in Koach

Koach heeft geen aparte testmodule en maakt geen grafiek van testuitslagen. Wat wel werkt: zet de testavond als training in de agenda en maak in het plan met + Onderdeel een blok "Testbatterij" met de posten in de beschrijving. Na de test voeg je bij die training onder Spelersnotities per speler een notitie toe met zijn uitslagen. Die notitie hoort bij de speler en bij de training, en staat met de datum in zijn profiel onder Notities. Bij het volgende testmoment haal je het plan terug met Plan kopiëren, en staan de vorige en de nieuwe uitslag onder elkaar in zijn profiel.

Het verslag van een training in Koach met de velden Ging goed, Beter kan en Focus voor de volgende keer, en onderaan Spelersnotities
Na de testavond: per speler een notitie met de uitslagen, die met datum in zijn profiel komt te staan.

Spelers en ouders zien spelersnotities niet; ze zijn voor de trainers, en bij een club ook voor de clubleiding via het teamlogboek. Wat Koach kost na de 14 gratis dagen, staat op de prijzenpagina.

14 dagen gratis, zonder creditcard. Zet je testavond in je plan en leg per speler de uitslagen vast, zodat je ze in januari terugvindt.

Plan je testavond in Koach

Veelgestelde vragen

Welke conditietest past het best bij volleybal?

Een test die korte, explosieve inspanningen meet. De sprong tegen de muur (uit stand en met aanloop), een sprint over 5 en 10 meter en de T-test voor wendbaarheid vormen de kern. Een medicijnbalworp en de pendelrun van 20 meter zijn een aanvulling. Een duurloop op tijd zegt weinig over wat een volleyballer in een rally doet.

Hoe vaak test je een volleybalteam?

Twee of drie keer per seizoen is genoeg: na de opbouw van de voorbereiding, halverwege het seizoen en aan het eind. Vaker testen levert vooral ruis op, want dagvorm, vermoeidheid en de vloer maken het verschil. Houd elke keer dezelfde uitvoering, dezelfde volgorde en hetzelfde moment in de week aan.

Wat is een goede score op de piepjestest voor volleyballers?

Dat hangt af van leeftijd, geslacht en niveau, dus één getal bestaat niet. Voor juniorspelers geven Gabbett en Georgieff (2007) referentiewaarden per niveau en per geslacht. Voor de meeste clubteams is de vorige uitslag van dezelfde speler de bruikbaarste norm. Bedenk ook dat uithouding bij volleybal minder zwaar weegt dan sprong en snelheid.

Kun je jeugdspelers ook een conditietest laten doen?

Ja, met de muur, de sprint en de T-test gaat dat goed, als een spel tegen jezelf. Vergelijk een jeugdspeler met zijn eigen vorige uitslag, niet met teamgenoten: wie in de groei is, kan een tijd stilstaan of zelfs terugvallen. Laat de pendelrun alleen doen door spelers die gezond zijn, en laat zware krachttests met gewichten weg.

Leg je testuitslagen per speler vast

14 dagen gratis, zonder creditcard. In januari zie je wat september opleverde.

Start met Koach

Of lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.