Na de zomerstop weer bij nul? De voorbereiding voor je volleybalteam
De eerste volleybaltraining na de zomerstop staat vol met dezelfde gezichten en voelt als een ander team: de pass gaat twee meter naast, de aanvallers zijn te vroeg bij de bal en na een half uur staat de helft met de handen op de knieën. Twee weken later ligt de eerste speler eruit met een schouder of een enkel. Dit stuk gaat over de twee helften van dat probleem: wat je spelers vóór de pauze meegeeft, en hoe je de voorbereiding daarna opbouwt zonder dat de eerste weken je duurste weken worden.
Wat er in een zomer verdwijnt, en wat blijft
Het gevoel dat je bij nul begint klopt niet, en dat is het goede nieuws. Een bovenhandse pass, een aanloop en een blokstap zijn bewegingen die jaren blijven zitten; niemand verleert in een paar weken hoe hij moet setten. Wat wel weggaat, zijn drie andere dingen: de afstemming tussen spelers, het uithoudingsvermogen, en de gewenning van pezen en spieren aan springen en slaan.
Die laatste is de gevaarlijke, omdat je hem niet ziet. Techniek die er nog is, laat een speler in de eerste training gewoon vol doorgaan — hij slaat net zo hard als voor de pauze, alleen hebben zijn knieën en schouder dat weken niet gedaan. Blessures in de eerste weken terug ontstaan zelden doordat spelers te weinig kunnen; ze ontstaan doordat ze te veel doen van iets waar hun lijf even van af is.
Wat ook verdwijnt, en wat je makkelijk vergeet: de afspraken. Wie roept op een bal in het midden, wie neemt de korte service, welk signaal gebruikt de spelverdeler. Dat zijn geen vaardigheden maar gewoontes, en gewoontes moet je in de eerste trainingen gewoon opnieuw uitspreken in plaats van te hopen dat ze er nog zijn.
Een pauze midden in het seizoen werkt anders: die is korter, er ligt een halve competitie achter je en je kunt gericht bijsturen. Hoe je zo'n onderbreking gebruikt, staat in de winterstop benutten. De zomerstop is langer, en dat vraagt iets van beide kanten: van jou vóór de pauze, en van de opbouw erna.
Vóór de zomer: het gesprek en het persoonlijke zomerdoel
De laatste twee trainingen van het seizoen zijn de goedkoopste die je hebt. Er is geen wedstrijddruk meer, de sfeer is los en je kunt per speler twee of drie minuten apart nemen terwijl de rest doorspeelt. Dat gesprek heeft drie zinnen nodig: wat ging er dit jaar vooruit, wat is het ene punt voor volgend jaar, en wat doe je daar in de zomer aan.
Uit die derde zin komt het zomerdoel. Houd het klein en maak het gedrag, geen cijfer. "Twee keer per week tien minuten tegen de muur passen" is een doel; "beter passen" is een wens en "elke dag een uur trainen" is een doel dat niemand haalt en waar een speler zich na twee weken schuldig over voelt. Eén doel per speler is genoeg.
Daarnaast mag er één kleine opdracht mee naar huis — één oefening, één zin uitleg, verder niets. Geen conditieschema van tien weken: dat wordt niet gedaan, en als het wel wordt gedaan is het meestal te zwaar. Oefeningen die een speler alleen en zonder net kan doen, staan in volleybaloefeningen tegen de muur.
Zo'n opdracht en zo'n doel raak je kwijt als je ze op de laatste training mondeling meegeeft. In Koach zet je de oefening als huiswerk bij de speler klaar — een speler met een account ziet hem in de app, en de ouder ook — en leg je een persoonlijk doel per speler vast. Het huiswerk blijft staan over de seizoensgrens heen. Of iemand het gedaan heeft, zie je niet; dat hoor je bij de eerste training terug, en dat is ook de plek waar dat gesprek hoort.
Spelers die in de zomer niets deden: inschalen, niet straffen
In elke groep die terugkomt zitten drie soorten spelers. Er is een groep die is blijven bewegen — beach, een andere sport, de sportschool. Er is een groep die de hele pauze niets heeft gedaan. En er is bijna altijd iemand die terugkomt met een blessure, een groeispurt of een zomer die anders liep dan gepland.
De verleiding is om de eerste training zwaar te maken, zodat "iedereen weet dat het weer begint". Dat levert vooral twee dingen op: spierpijn die dagen blijft hangen en afmeldingen voor de tweede training. Inschalen werkt beter dan straffen, en dat kan zonder dat je drie verschillende trainingen bouwt.
- Pas het volume aan, niet de oefening. Iedereen doet dezelfde vorm; wie lang niets heeft gedaan, doet twee series in plaats van vier en vult de rest met aangeven of tellen.
- Maak tweetallen op belasting, niet op niveau. Twee spelers die allebei niets hebben gedaan, jagen elkaar minder op dan een duo waarvan er één in topvorm is.
- Vraag het gewoon. Eén rondje bij binnenkomst: wie heeft er gespeeld, wie niet, wie heeft ergens last van. Dat kost twee minuten en bepaalt wat je die avond wel en niet doet.
Wie beach heeft gespeeld, komt vaak terug met een betere bal- en veldlezing en een slechtere timing bij het net: het net staat anders, de aanloop is anders en de ondergrond geeft mee. Dat trekt meestal vanzelf bij zodra ze weer een paar keer in de zaal hebben gespeeld. Beachvormen zijn trouwens ook in de zaalvoorbereiding bruikbaar — zie beachvolleybaloefeningen.
De voorbereiding na de zomerstop: de eerste drie volleybaltrainingen
De regel voor de opbouw is simpel: eerst weer veel ballen raken, dan pas weer hard springen en slaan. Hieronder staan drie trainingen waarmee je dat in één week of over twee weken uitsmeert, afhankelijk van hoe vaak je traint. De tijden gaan uit van negentig minuten; train je korter, kort dan de spelvorm in en niet de warming-up of het landen.
- Training 1 — contact, geen kracht. 15 minuten warming-up met loop- en armwerk, 25 minuten pass en set in drietallen, 25 minuten receptie met een rustige service van onderen of een zachte bovenhandse, 20 minuten spel waarin alleen vanaf de grond of met een prikbal mag worden afgemaakt, 5 minuten uitlopen. Samen negentig minuten, en niemand heeft vol gesprongen.
- Training 2 — de sprong terug in het systeem. 15 minuten warming-up met sprongactivatie, 15 minuten aanloop en landing zonder bal, 25 minuten aanvallen op driekwart kracht met plaatsing als eis, 25 minuten spel, 10 minuten rug- en schouderwerk. Ook negentig.
- Training 3 — weer volleybal. 15 minuten warming-up, 20 minuten service en receptie, 20 minuten volledige aanval in series van zes ballen per speler, 30 minuten wedstrijdvorm, 5 minuten afsluiten.
Twee dingen houden dit staand. Sluit een training in deze weken niet af met een rij aanvallers en een bak ballen: de laatste slagen van een lange serie zijn de slagen waarin de techniek instort en het risico omhoog gaat. En laat spelers landen zoals het hoort — twee voeten, knieën boven de voeten en niet naar binnen — want dat is in de eerste weken terug de goedkoopste winst die er is. De uitleg staat in landingstechniek, en wat je verder aan belasting in de gaten houdt in blessurepreventie.
Wil je de sprongbelasting stap voor stap opbouwen, gebruik dan een vaste reeks in plaats van "wat extra sprongen", bijvoorbeeld het sprongprogramma basis. Een kracht- of conditieprogramma valt buiten dit stuk: daarvoor staan er aparte artikelen over krachttraining voor volleyballers, conditietraining en hoger leren springen. En hoe de voorbereiding als blok in je seizoen past, met de weken erna erbij, staat in de jaarplanning.
Houdt een speler in de eerste weken terug pijn in een schouder, knie of rug die na een paar dagen niet weg is? Laat dat beoordelen door een arts of fysiotherapeut in plaats van het uit te zitten met 'even wat minder hard slaan'. Een klacht die in de opbouw ontstaat, verdwijnt zelden door gewoon door te spelen.
Wanneer je weer test, en waarom niet in week één
De neiging om in de eerste training meteen te meten is begrijpelijk: je wilt weten waar je staat. Alleen meet je dan de zomer, niet de speler. Een sprongtest in de eerste week terug zegt iets over de pauze; dezelfde test na de opbouw zegt iets over het team waarmee je het seizoen ingaat.
Praktisch: doe je meting na de opbouw hierboven, dus vanaf de vierde of vijfde training. Houd de test identiek aan die van vorig jaar — zelfde oefening, zelfde aantal pogingen, zelfde telling — want alleen dan is het verschil iets waard. En noteer hem als startpunt, niet als rapportcijfer.
Wil je vooral weten wat spelers kunnen in plaats van hoe fit ze zijn, dan is een test overigens niet het beste gereedschap. Hoe je dat tijdens gewoon spel doet, staat in niveau inschatten in de eerste training. Een voorbereidingstoernooi is daarvoor ook een prima moment: je ziet in een halve dag meer dan in twee trainingen, mits je van tevoren opschrijft waar je op let.
Jeugd, senioren en recreanten: wat je per groep verwacht
Jeugd. Bij spelers tussen ongeveer 11 en 16 jaar verandert er in een zomer meer dan bij volwassenen, omdat ze in korte tijd flink kunnen groeien. Coördinatie die vóór de pauze klopte, klopt na een groeispurt soms even niet meer — een aanloop die te dichtbij eindigt, een pass die te laag wordt aangenomen. Dat ziet er slordig uit en is het niet. Geef die spelers extra tijd voor timing, let extra op de landing en verlaag het sprongvolume tot het weer soepel loopt. De eerste training met een nieuwe jeugdgroep vraagt bovendien om iets anders dan een training met een team dat elkaar al kent; zie de eerste training met een jeugdteam.
Senioren. Hier is tijd de schaarse factor, niet motivatie. Reken op spelers die vakantie, werk en verhuizingen achter de rug hebben en op de eerste avond met een half team staan. Plan daarom de eerste trainingen zo dat ze met acht spelers ook werken, en zet de zwaarste sprongtraining niet op de allereerste avond.
Recreanten. Deze groep komt voor het spel. Bouw de belasting op via de spelvorm zelf: kleiner veld, meer contacten, minder aanvalsdruk in de eerste weken. Een sprongprogramma in een recreantentraining wordt zelden een succes, een spelvorm met een beperking wel.
Wanneer de eerste competitiewedstrijd valt, verschilt per land en per competitie; welke momenten er in een volleybalseizoen zitten, staat in wanneer begint het volleybalseizoen. Reken vanaf die datum terug in weken en zet de eerste drie trainingen van de voorbereiding alvast klaar. In Koach doe je dat als herhalende reeks met een sjabloon, zodat je ze één keer bouwt; de herinnering achtenveertig uur van tevoren vraagt vanzelf wie er na de zomer weer is, en dan weet je op de dag zelf met hoeveel spelers je die opbouw kunt draaien.
Veelgestelde vragen
Moet je spelers in de zomer laten trainen?
Niet verplicht, en zeker niet met een schema. Eén klein doel en één opdracht die een speler in tien minuten kan doen, werken beter dan een programma dat na twee weken stilvalt. Wie in de zomer beach speelt of een andere sport doet, houdt vanzelf genoeg over; wie niets doet, bouw je in de eerste drie trainingen rustiger op.
Wat geef je jeugdspelers mee voor de zomer?
Iets dat zonder net, zonder ploeggenoot en zonder toezicht kan: passen of setten tegen een muur, een bal hooghouden, een paar series bovenhands serveren tegen een muur of een hek. Eén oefening met één zin uitleg is genoeg. Bij jongere spelers helpt het als de ouder de opdracht ook ziet, zodat er thuis niet drie verschillende versies van het verhaal rondgaan.
Hoe voorkom je blessures in de eerste weken na de zomer?
Bouw het sprong- en slagvolume op over de eerste drie trainingen in plaats van het meteen op wedstrijdniveau te zetten, en sluit die trainingen niet af met een lange rij aanvallers en een bak ballen. Besteed vijf minuten per training aan landen op twee voeten. Klachten aan schouder, knie of rug die na een paar dagen niet weg zijn, horen bij een arts of fysiotherapeut.
Wanneer ga je in de voorbereiding weer springen en smashen?
Springen zonder bal en aanlopen kan al in de tweede training; aanvallen op driekwart kracht ook, mits je de eis op plaatsing legt in plaats van op hard slaan. Volledige aanvallen in series horen vanaf de derde training, en dan in blokken van een handvol ballen per speler in plaats van een kwartier aan één stuk.
Wat doe je als de helft van het team in de eerste week nog op vakantie is?
Draai de opbouw met wie er is, in vormen die met zes tot acht spelers werken: drietallen, halve velden, spel met een vaste aangever. Wie later instapt, begint bij zijn eigen eerste training en doet de eerste keren minder sprong- en aanvalswerk dan de rest, ook als het team al verder is. Wie in week drie binnenkomt, gaat dus niet direct mee in het volle aanvalsblok.
Probeer het zelf in Koach
Minder administratie, meer coachen — vanaf je eerstvolgende training.
Start met KoachOf lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.


