Volleybal trainingsmateriaal: wat heb je echt nodig?
Het korte antwoord
Voor goed volleybal trainingsmateriaal begin je bij genoeg ballen (ongeveer één per twee spelers), een net dat goed hangt, platte pionnen en hesjes. Daarna voegen doelen zoals hoepels, een blokkussen, elastieken en een loopladder veel toe. Een aanvalstrainer of ballenmachine is pas zinvol als die basis staat.
Volleybal trainingsmateriaal koop je het liefst één keer goed, maar de catalogi staan vol hulpmiddelen die je zelden gebruikt. Hier staat wat elk stuk materiaal in een training oplevert, in welke volgorde je het aanschaft, wat je voor bijna niets zelf maakt en hoe je er veilig mee werkt.
Wat heb je minimaal nodig voor een volleybaltraining?
Een goede training draait op vier dingen: genoeg ballen, een net dat goed hangt, iets om zones te markeren en iets om ploegen te maken. Alles daarna is versterking. Wie met twee ballen en vijftien spelers traint, haalt met geen enkel hulpmiddel in wat hij aan balcontacten verliest.
- Ballen. Het aantal ballen bepaalt hoe vaak een speler de bal raakt. Reken voor de meeste oefenvormen op ongeveer één bal per twee spelers, en voor een serviceblok op één bal per speler, anders staat de helft te wachten. Een bal die te hard of te zacht is, bederft elke oefening; hoe je dat meet, staat in de juiste luchtdruk van een volleybal.
- Een ballenkar of een grote ballentas. Slaat de trainer aan of gooit hij in, dan staat de kar binnen handbereik. Een bal die je uit een dichte tas moet vissen, kost tempo, en tempo is bij een aanvals- of verdedigingsoefening de hele oefening.
- Platte pionnen. Markeringsschijven die plat op de vloer liggen, gebruik je in het veld: voor zones, startpunten en doelvakken. Niemand verzwikt zich erop. Hoge kegels zet je alleen buiten de looplijnen, als keerpunt bij een loopvorm.
- Hesjes in twee kleuren. Daarmee maak je in tien seconden twee ploegen voor een spelvorm, en zie je als trainer in één blik wie bij wie hoort.
Wat er in je eigen tas hoort, zoals een fluitje, een EHBO-set en iets om op te tekenen, staat in benodigdheden voor de volleybaltrainer. Dit artikel gaat over het materiaal waarmee je oefeningen bouwt.
Trainingsmateriaal per doel: wat elk hulpmiddel oplevert
Koop geen materiaal omdat een andere club het heeft. Koop het omdat het een oefening beter maakt die je toch al geeft. Zo verhouden de gangbare hulpmiddelen zich tot wat je traint:
| Hulpmiddel | Waarvoor je het gebruikt | Waar je op let |
|---|---|---|
| Hoepels of kleine matten | Een doel voor service, pass en set, met een telling erbij | Haal ze weg voordat er gesprongen wordt; een hoepel op de vloer is glad |
| Blokkussen (handblok) | Aanvallen tegen een blok, leren slaan langs of over handen | De houder staat stevig, op de vloer of op een stabiele verhoging |
| Stevige verhoging (box) | Als trainer van boven de netrand aanvallen of ballen ingooien | Alleen een box met antislip, nooit een stoel of een bank |
| Aanvalstrainer | Armzwaai, contactpunt en sprongtiming herhalen zonder aangever | Pas zinvol als de aanloop al staat |
| Loopladder en lage hordes | Voetenwerk, ritme en de passen van de aanloop | Kort en scherp houden, daarna meteen met de bal |
| Elastieken | Schouderstabiliteit en het opwarmen van de slagarm | Controleer ze op scheurtjes voordat je ze uitdeelt |
| Medicijnbal | Werpen en draaien voor kracht in aanval en service | Licht genoeg dat de beweging zuiver blijft |
| Tennisballen | Reactie, handen en oog-handcoördinatie, ook bij de jeugd | Rapen na elke oefening, zodat er geen onder een voet rolt |
| Zeil of laken over het net | Een blind net: de bal komt plots over het net, dat traint reactie | Stevig vastmaken, niet laten hangen tot op de vloer |
Drie van deze hulpmiddelen hebben een eigen artikel met oefeningen: oefeningen met de loopladder, oefeningen met een weerstandsband en oefeningen met een medicijnbal.
Wat koop je eerst? Een volgorde voor elk budget
Met een beperkt budget werkt deze volgorde. Ga pas naar de volgende stap als de vorige er staat:
- Ballen, tot je op één per twee spelers zit. Elke extra bal is meer balcontact voor iedereen, elke training weer.
- Platte pionnen, hesjes en een paar hoepels. Weinig geld, en elke oefening krijgt een doel en een telling. Een pass die in de hoepel landt, zegt een speler meer dan "goed zo".
- Een of twee blokkussens en een set elastieken. Aanvalstraining wordt realistischer, en de schouders krijgen een vaste plek in de warming-up.
- Een loopladder, lage hordes en een medicijnbal, als je zelf in de zaal ook het fysieke deel geeft.
- Pas daarna een aanvalstrainer of een ballenmachine. Ze zijn duur, groot en vragen opslagruimte. Wanneer een machine loont en wanneer een trainer met een ballenkar net zo goed is, staat in een ballenmachine voor volleybal.
Merken en prijzen laten we weg: die verschillen per land en per winkel te veel. Kijk eerst wat er in het materiaalhok ligt. Vaak is het probleem niet dat er te weinig is, maar dat niemand weet wat er ligt, of dat de helft kapot is.
Zelf maken of lenen: materiaal dat bijna niets kost
- Doelvakken met tape. Plak een vak af op de vloer als doel voor de service of de pass. Het vak is plat, dus niemand verstapt zich. Vraag de zaalbeheerder welke tape mag, want op sommige vloeren blijven resten achter.
- Een lege ballenkar als doel voor de set. Wie de bal er vanaf de positie van de spelverdeler in speelt, scoort. Het dwingt een hoge, rustige set.
- Een touw of elastiek tussen twee palen als laag net voor jeugd of voor kleine veldjes naast het grote net.
- Een oud laken of zeil voor het blinde net uit de tabel.
- Lenen bij de zaal of de school. In de berging van een gymzaal liggen vaak matten, banken, hoepels en lichte ballen. Vraag of je die mag gebruiken, en ruim ze terug zoals je ze vond.
Leg het materiaal klaar in de volgorde van je plan. Zet per oefening een stapeltje langs de zijlijn, in de volgorde waarin je de oefeningen geeft. Een wissel tussen twee oefeningen kost dan seconden in plaats van minuten, en spelers koelen niet af terwijl jij pionnen zoekt.
Veilig werken met materiaal in de zaal
- Ruim losse ballen op. Wie na een sprong op een rollende bal landt, kan zijn enkel verzwikken. Spreek een vaste regel af: rolt er een bal het veld in, dan stopt de oefening tot hij eruit is. En na elke oefening gaan de ballen terug in de kar.
- Houd de zone bij het net vrij. Hoepels, pionnen en blokkussens die niet in gebruik zijn, liggen buiten het veld, niet onder het net waar spelers landen.
- Een verhoging moet stabiel zijn. Sta als trainer alleen op een box die daarvoor gemaakt is, met antislip aan de onderkant.
- Controleer slijtmateriaal. Een elastiek met een scheurtje kan knappen, een medicijnbal met een scheur lekt. Haal het uit de roulatie.
- Spreek af wie opruimt en wie meeneemt. Wie de tassen naar een uitwedstrijd meeneemt of na de training het hok afsluit, is in veel teams een terugkerende discussie. Zo'n afspraak raakt in een groepsapp snel kwijt; waarom dat steeds gebeurt, lees je in waarom de WhatsApp-groep vastloopt bij een volleybalteam.
Je materiaal meenemen in je trainingsplan
Koach legt geen pionnen voor je neer, maar het helpt wel om op tijd te weten wat je nodig hebt. In het plan van een training zet je oefeningen uit de bibliotheek met + Oefening, of je maakt met + Onderdeel een eigen blok met naam en duur. Bij een nieuw onderdeel tik je op Beschrijving toevoegen; tik je op een onderdeel dat al in het plan staat, dan staat het veld Beschrijving er meteen. Daar noteer je wat er klaar moet liggen, bijvoorbeeld "zes hoepels, twee blokkussens, ballenkar bij het net". Zo staat de materiaallijst op de plek waar je hem de avond ervoor toch al leest.
Maak je zelf een oefening, dan zet je in de oefeningeditor onder Plaats naast spelers en ballen ook een Pylon, Hoepel, Mat, Bank of Ladder op het veld. De opstelling van je materiaal staat dan in de animatie, en een collega-trainer die de oefening overneemt, ziet meteen waar alles ligt. Met Aanwezige spelers eerst onder Filteren en sorteren zie je welke oefeningen passen bij het aantal spelers van die avond, en dus hoeveel ballen en groepjes je nodig hebt.
14 dagen gratis, zonder creditcard. Zet je volgende training met de materiaallijst in het plan en kijk of het opbouwen sneller gaat.
Plan je training in KoachWat Koach na de proefperiode kost, staat op de prijzenpagina.
Veelgestelde vragen
Wat is een blokkussen bij volleybal?
Een blokkussen is een stevig kussen met handgrepen aan de achterkant, vaak in de vorm van twee blokhanden. Een trainer of speler houdt het boven de netrand, zodat aanvallers leren slaan langs, over of tegen een blok zonder dat een blokkeerder steeds hoeft te springen. Het wordt ook gebruikt om verdedigers te laten reageren op een bal die van het blok afketst.
Welke pionnen gebruik je bij volleybal?
In het veld gebruik je platte markeringsschijven: ze geven zones, startpunten en doelvakken aan, en niemand verzwikt zich erop. Hoge kegels zet je alleen buiten de looplijnen, bijvoorbeeld als keerpunt bij een loopvorm in de warming-up. Twee kleuren pionnen maken het makkelijk om twee zones of twee ploegen uit elkaar te houden.
Is een aanvalstrainer de moeite waard?
Alleen als je spelers de aanloop al beheersen en je vaak een aanvalsblok geeft. Een aanvalstrainer houdt de bal stil op slaghoogte, zodat een speler armzwaai, contactpunt en sprongtiming kan herhalen zonder aangever. Voor beginners en de meeste recreantenteams levert hetzelfde geld aan extra ballen en een blokkussen meer op.
Welk trainingsmateriaal heb je nodig voor jeugdvolleybal?
Lichtere ballen die passen bij de leeftijd, een lager net of een gespannen touw, platte pionnen, hoepels als doel en tennisballen voor reactie- en handenspelletjes. Bij jonge kinderen telt vooral dat iedereen veel balcontact heeft, dus liever veel lichte ballen dan duur materiaal. Een ballenmachine of aanvalstrainer is bij de jeugd zelden nodig.
Zet je materiaal in je trainingsplan
14 dagen gratis, zonder creditcard. Na een week ligt alles klaar voordat de spelers binnen zijn.
Start met KoachOf lees eerst wat de volleybal app voor coaches allemaal doet.


